Paulus' brief aan de gemeente te Rome (3)
1973-02-02
8. Zoals in meer brieven begint Paulus (na de aanspraak) met een dankgebed aan God, dat Hij het geloof heeft doen openbaar worden in de gemeente, aan welke hij schrijft. Vermaningen (waar nodig, zelfs scherpe terechtwijzingen) komen láter. Hij erkent de gaven van geloof en liefde die God aan anderen heeft uitgedeeld.- Jaargang 17
- nummer 5
Dat blijkt ook straks in v. 12: hij heeft niet alleen iets te geven, maar hoopt ook iets te ontvangen.
Over en weer zullen Paulus en de gelovigen te Rome van elkaar ontdekken, dat het geloof in den ander woont. Zulk een bejegening vraagt Paulus omgekeerd ook voor zichzelf, 2 Cor. 10: 7. Ik dacht, dat het geen kwaad kon, als wij bij verschil van mening eens begónnen met die houding tegenover elkaar aan te, nemen.
9. "God ... is mijn getuige": als Paulus hier een eed zweert, heeft dat misschien een soortgelijke reden als in 2 Cor. 1 : 18: het lang onvervuld blijven van een door hem gedane belofte zou twijfel kunnen doen rijzen aan zijn betrouwbaarheid.
Het gevolg zou kunnen zijn, dat men ook het Evangelie dat hij brengt niet meer betrouwbaar acht.
13. Welke verhindering precies in het spel is geweest, zegt Paulus niet. Maar wij weten uit het verslag van zijn zendingsreizen, dat Paulus zich van stap tot stap door den Heiligen Geest liet leiden (Hand. 16 : 6, 7).
14. De gemeente in Rome zou eens kunnen vermoeden, dat Paulus een cultureel ontwikkeld gehoor zocht. Hij had toch maar in Griekenland voor de Areopagus gestaan en met wijsgeren gediscussieerd (Hand. 17). Maar de apostel ontkent dit uitdrukkelijk.
Ook nièt met Griekse cultuur doordrenkte mensen wil hij bereiken.
16. Schaamt hij zich niet voor een onontwikkeld publiek, evenmin voor de boodschap die hij te brengen heeft. Daar zou oppervlakkig bezien wel aanleiding toe zijn. Want dat evangelie is - zo beklemtoont Paulus het speciaal in 1 Cor. 1 - "het verhaal van het kruis" (v. 18), "voor Joden een ergernis, voor Grieken een dwaasheid" (v. 23). Toch is juist deze proclamatie van een aan het kruis gestorven Verlosser de "kracht Gods tot behoud".
Er is ook in de heidenwereld geloof aan een hogere macht. Ook leeft daar het besef, dat mensen niet bij machte zijn de ellende op te ruimen en het leven te bevrijden.
Door magie probeert men nu een hogere, goddelijke macht te beheersen en aan te wenden tot verlossing van het mensenleven.
We ontmoeten zo'n magiër in Hand. 8. Hij krijgt grote aanhang, en men betitelt hem als 'de grote kracht Gods'. Maar als het evangelie komt, worden dergelijke lieden als charlatens aan de kaak gesteld.
Want in dat evangelie wordt ècht de kracht Gods openbaar.
Waarom?
17. Omdat dit evangelie van het kruis spreekt van verzoening, het wegnemen van de schuld die wij hebben bij God, en daarom een acte is van vrijspraak, zodat niet langer straf dreigend in het verschiet ligt.
Deze rechtvaardiging, deze vrijspraak, geschiedt "uit geloof tot geloof". Paulus komt op dit 'dubbel-thema' uitvoerig terug in 3 : 21. Hier geeft hij het dubbele kenmerk van zijn boodschap, waarom heel zijn brief zich zal blijken te bewegen. "Tot geloof" omschrijft hij in 3 : 22 als "voor allen die geloven". In 1 : 17 gebruikt hij een stijlfiguur als in 2 : 26, waar hij spreekt van "onbesnedenheid" ("voorhuid" Stat. vert.), terwijl bedoeld zijn "onbesnedenen".
Hij doet dat om een 'slagzin' te krijgen, die zich gemakkelijk in het gehoor prent.
Paulus hangt hier a.h.w. zijn spandoek uit.
Iets dergelijks deed ook Habakuk (vgl. 2: 2), wiens woorden hij nu aanhaalt.
Situatie in Habakuk's dagen. 't Is de tijd van de regering van Jcjakim (608-597 v. Chr.). Deze is zijn broer Joahaz opgevolgd, die maar drie maanden regeerde. Ze waren zonen van den vromen Josia. Jojakim is goddeloos; probeert zelfs den profeet Jeremia gevangen te zetten (Jer. 36: 26).
Internationaal bezien is het de tijd van de overrompelend snelle opkomst van de Chaldeeën. Nadat dezen hebben meegewerkt aan de verovenng van Ninevé, de hoofdstad van Assyrië, onderwerpen ze tal van vazalstaten van dit rijk. Hun beslissende overwinning, nl. die op Farao Necho van Egypte in de slag bij Karkemis (605) staat voor de deur. Al beseft men algemeen niet, dat het zo snel zal gaan (Hab. 1 : 5), de HEERE heeft Habakuk geopenbaard, dat de trotse Nebukadnezar alles onder de voet zal lopen, ... ook Juda!
Habakuk heeft het moeilijk met het onrecht en geweld dat hij in eigen land ziet: de goddeloze verdrukt den rechtvaardige. Als de HEERE op zijn klacht antwoordt, dan is dit antwoord in eerster instantie allerminst geruststellend. God zal nl. Zijn strafgericht aan Juda laten voltrekken door de Chaldeeën, maar... hun komst betekent geen herstel van recht. Integendeel: "dit volk rekent alleen met zichzelf, met eigen belang.
Het bepaalt zelf wat recht is.
Zijn zelfverheffing gaat alle perken te buiten, het huldigt slechts zijn eigen hoogheid en het recht van den sterkste" (Goslinga, K.V. op Hab. 1 : 7).
Op de hernieuwde klacht van Habakuk komt dan van Gods zijde het antwoord dat we aan het begin van hfdst. 2 vinden. Wat de HEERE hem openbaart moet hij op een aanplakbord bevestigen en opstellen op een in het oog vallende plaats, zodat de mensen het lezen: Het gericht komt, want de zelfverheffing van den Chaldeeën kan God niet behagen (vgl. 1 : 11). Maar niet aanstonds is het zover; de vromen zullen nog even op het oordeel van den HEERE moeten wachten. Maar laten ze het weten: de trotse overweldiger zal tenslotte vallen onder Gods oordelen; maar de rechtvaardigen die gelovig op den HEERE wachten is het leven beschoren. Zij komen in het gericht niet om.
In Habakuk wordt dus een dubbel gericht voorzegd: eerst over Gods ongehoorzame volk door een vreemden overweldiger; en dan het gericht over dezen verwaten onderdrukker. En Paulus heeft, denk ik, de overeenkomst (ondanks alle verschil in détails) met zijn eigen dagen gezien. Israël, het volk Gods, had den laatsten profeet (Gods eigen Zoon) gekruisigd.
Nog ruim tien jaar, dan zal Jeruzalem het vonnis over deze misdaad ondergaan en door de Romeinen worden verwoest. Maar wat de Christenen van den Romein ondervinden zullen zal voor een deel ook wreedheid zijn (Nero!).
Doch nu mag Paulus opnieuw de belofte van Habakuk's dagen proclameren: het gericht komt, en alleen wie gelooft zal daaraan omkomen.
18-32. In de tekening van de verwording worden tal van zonden genoemd, o.a. verwatenheid, meedogenloosheid, moord (29-31), maar het eerst en het meest uitvoerig de zedeloosheid (24 vlgg.), die én het Rome én het Corinthe van die dagen kenmerkte. Paulus wijst de diepste oorzaak van deze verwording aan: het verlaten Van God, het vereren van het schepsel als Schepper.
18. Hij begint met te stellen, dat de goddeloze mensen de 'waarheid bedwingen door onrecht'. Met 'waarheid' zal hier wel hetzelfde zijn bedoeld dat straks (v. 25) 'de waarheid Gods' wordt genoemd.
(Sommige handschriften hebben trouwens ook hier in v. 18 dat 'Gods' erbij.) 'De waarheid Gods' betekent zoveel als 'de echte God' (waar in v. 25 tegenover staat 'de leugen', d.i. de onechte god, de afgod).
'Bedwingen': als van twee vechtende jongens één het gewonnen heeft, dan houdt hij z'n tegenstander stevig in de greep: hij drukt hem met alle macht tegen de grond, laat hem niet meer overeind komen. Zo laten de goddelozen God niet meer aan het woord komen, ze smoren Zijn stem. Ze handelen zo 'door onrecht'.
Het woord wordt o.a. gebezigd van 'ontrouw jegens je superieur' (Joh. 7: 18). Vgl. ook Luc. 16: 10, waar 'onrechtvaardig' de tegenstelling is van 'trouw' (het gaat over den rentmeester die zijn baas bedriegt, vgl. ook v. 8).
Straks in Rom. 3 spreekt Paulus nu eens van 'ontrouw' (v. 3), dan weer van 'onrechtvaardigheid' (v. 5). Ik zou ook hier in 1 : 18 willen denken aan ontrouw, en dan in het bizonder die van den duivel.
In 2 :-8 zet Paulus opnieuw 'waarheid' en 'onrecht' tegenover elkaar, en daar als verpersoonlijkte machten: God en Satan. In de grond der zaak ligt het hier in 1 : 18 niet anders: in het hart der mensen verdringt de Satan God.
(wordt vervolgd)