Tussen geloof en skepsis (II) (SLOT)

1973-02-02
  • Jaargang 17
  • nummer 5
• De piëtistische achtergrond van Petter Moen

Bürki's analyse van Petter Moens dagboek is gebaseerd op een aantal "geloofsuitspraken"van Moen. Op het eigensoortige van deze uitspraken gaat Bürki nergens in. Evenmin besteedt hij aandacht aan Moens piëtistische achtergrond. Ik vermoed dat Bürki zelf sterke affiniteit heeft met deze piëtistische gedachtenwereld omdat hij hier ten eerste zonder meer aan voorbijgaat, ten tweede omdat het conflict tussen geloven en weten in hemzelf zo levensgroot aanwezig blijkt en ten derde omdat hij zo absoluut stelt dat de nieuwe mens in Petter Moen geboren is. Dit laatste moet m.d. dan wel op zeer mechanische althans onpersoonlijke wijze zijn geschied.
Wat mij bij het lezen van het originele dagboek heeft getroffen is de volstrekte eigensoortigheid van Petter Moens religieuze voorstellingswereld en zijn religieuze verlangens.
Ik wil hiervan een aantal voorbeelden geven en vervolgens het geheel in een breder kader - dat van het piëtismeplaatsen. Tenslotte meen ik, afwijkend van Bürlci's opvatting, dat het dilemma tussen het geloof en de rede niet "typisch is voor het 20e eeuwse nihilisme", maar dat de kiem van dit valse dilemma reeds in de gedachtenwereld van het piëtisme wordt gelegd. Wat het belang van Bürki's analyse betreft sluit ik mij overigens geheel aan bij de opmerking van ds Joh. Francke die in de bespreking van "Tussen geloof en skepsis" in het Nederlands Dagblad (5 juni 1972) stelde: Om het boek van Bürki goed te begrijpen dient men het dagboek zelf gelezen te hebben... Wij willen het boek van Bürki bij u aanbevelen.
Want daaruit valt veel te leren, ook en eerst voor eigen leven. Want de centrale vragen voor jong en oud, geleerd en ongeletterd komen aan de orde, in bijbels licht ... "

Het eerste motief van Moens religieuze verlangen is het overwinnen van zijn angst.
De angst voor lichamelijke pijn en het mensonterende verraad dat middels deze foltering wordt a:Egedwongen.
Petter Moen roept daartoe zijn moeder aan in de hemel, dat zij voor hem moge bidden (ge dag). Op de 10e dag schrijft Moen: ,,0 had ik maar zo'n dapper hart als zij.
Dan zou de angst zijn macht over mij verliezen.
Moeder dacht altijd aan anderen.
Daarin lag haar kracht. En in haar geloof in God. Moeder! Schenk mij je sterke hart en je geloof! Ik heb ze zo hard nodig. Ik wil proberen moeders weg te gaan."
Het opmerkelijke van deze passage ligt m.i. hierin dat Moen blijkbaar van het voorbeeld van zijn moeder verwacht dat heiligende kracht van haar op hem zal neerdalen, om hem te behoeden voor mishandelingen van de Duitsers.

Het tweede motief van Moens religieuze verlangen is een eind te maken aan zijn ellendige leven en een nieuwe begin te maken door te ZOEKEN naar geluk. Het geloof kan daartoe een weg zijn, is zijn mening en wellicht ook het lijden.
Op de 16e dag schrijft Moen dat hij gelooft God te kunnen vinden door lijden, angst en gebed maar hij is in twijfel of dit een kunststukje is dat hij met zichzelf uithaalt, of dat het werkelijk resultaat is van een geestelijke oefening. Op de 19e dag schrijft hij: "In mijn nood bid ik tot de God van mijn ouders. Vader en moeder en vele anderen hebben talloze malen gezegd: Bid tot God en je zult de waarheid van Zijn Woord ervaren.
Ik sta daar nog in grote verwarring tegenover - maar volg moeders stem. Jij daarbuiten: zwijg!!"
Moens voorstelling van een nieuwe leven brengt hij aldus onder woorden: "Ik heb uit de grond van mijn hart voor mijn toekomst gebeden - dat ik iets anders zou mogen worden dan het vod dat ik mijn hele leven geweest ben. Voor mij is DAT de verlossing .. ."

Het derde motief van Moens religieuze verlangens is het bevrijd worden van zijn vleselijke lusten. Zijn strijd hiertegen is een onderdeel van het zoeken naar de verlossing.
Moen is van mening (28e dag) dat er een psychologisch WONDER nodig is om hem te brengen waar hij naar verlangt; naar gezondheid, geestelijke en Iichamelijke harmonie.

Op de 34e dag wordt openbaar op welke wijze Moen zich voorstelt God te zoeken: Ik kan me voorstellen dat je de hele wereldbezit - familie - vrouwen kinderen - ja alles - als een onduldbare last van oppervlakkige dingen kan voelen in verhouding tot de enige hang en drang van de ziel: God te zoeken - in God te leven - voortdurend Gods wezen in zichzelf te beleven .. ", Meer en meer komt Petter Moen over de ervaring te spreken wanneer hij nadenkt over God. Intellectuele of psychologische constructies helpen hem niet verder. Moen verwacht een plotselinge ommekeer in zijn zieleleven als "antwoord" op zijn aanhoudende gebed. Deze ommekeer blijft echter uit en gaandeweg wordt Moen's teleurstelling hierover openbaar. Zowel geloof als daden gaan boven zijn macht. God is de onbereikbare ongenaakbare en onkenbare grootheid, welke als het ware bewogen moet worden zich met een individueel leven bezig te houden.
Op de 38e dag drukt Moen zich als volgt uit: "Ik heb tot God gebeden - oprecht en in tranen - om mij een slip van de mantel des geloofs te schenken. Ik wil geheiligd worden.
Dit is een woord voor mij. Dat betekent voor mij om tot de wortel van al het lage - vuile - onwaardige en waardeloze in mijn wezen door te dringen en het te bestrijden.
Zonde heet dat."
Op de 39e dag: "Ik moet troost en hulp zoeken in mijn gebed -tot God en dat doe ik.
Ik stort alles voor HEM uit - mijn smartverdriet - woede - berouw - haat - hoop en vertwijfeling. Ik zeg als Jacob: Ik laat U niet gaan tenzij ge mij zegent".
Op de 43e dag: "Ik dorst als een woestijnreiziger naar "het water des levens" - naar innerlijkheid - naar een grenzeloze rijkdom van het gevoel - naar de fata morgana der kunst - en naar religie".
De toespitsing "nu of nooit" wordt steeds duidelijker wanneer Moen het volgende neerschrijft: "Als ik M19 (de gevangeniscel) uitga met dezelfde levensopvatting als toen ik hier kwam of van kort daarvoor... dan is het afgelopen met me - failliet. Daarom word ik elke dag en elk uur door gedachten opgejaagd en geplaagd en uiteengereten: nu moet er beslist worden. Nu of nooit. "Nu heb je rust. Hier heb je vrijheid!! tot zelfonderzoek en inkeer. Doe het en vind jezelf - of God - of niets". Dat zegt ... mijn ingeving. Ik wil zoveel mogelijk op die kaart zetten." (44e dag).
In wezen zoekt Petter Moen een verlossing van de dood en van zijn heimelijk gekoesterde doodsverlangens (Hamletisme ... ) en wenst hij een toegang tot het eeuwige leven (Gods grazige weiden) maar hier op aarde geprojecteerd! En het is de moed der wanhoop die Moen ertoe dwingt te geloven dat er ook voor hém een "weg der verlossing"
moet zijn.
Maar deze verlossing wordt nagestreefd BUITEN het geloof om. Moen bidt zónder in God te geloven mét de verwachting van een fysieke en geestelijke verlossing hier en nu.
Hij hoopt op een God in het wildeweg. IK BEGRIJP NIET WAT ER VAN ME TERECHT MOET KOMEN ALS IK DE HOOP OP GEESTELIJKE VERNIEUWING EN EEN HERBOREN WORDEN TOT "GELOOFHOOP EN LIEFDE" MOET OPGEVEN. DAN IS HET UIT MET MIJ.

Op de 56e dag: "De behoefte aan een nieuwe levensbasis treedt steeds meer op de voorgrond .. ."
Dan volgt in feite de grote ommekeer: het uitblijven van de verlangde ervaring. De teleurstelling zet in als een grote leegte die gevoeld wordt na het gebed. Moen verwacht van het gebed (hetgeen contact met het goddelijke impliceert) dat het zijn ziel een toestromen van nieuwe kracht zal brengen en dat hem dat op een psychisch begrijpelijke of in ieder geval op een waarneembare wijze kenbaar zal worden gemaakt.
Voorlopig gaat Moen verder met bidden omdat dit de weg is van de ervaring. Maar uiteindelijk staakt hij zijn pogingen en Moens woorden op de 65e dag zijn dan ook: "De som van louter zulke (negatieve) ervaringen zal me dwingen te zeggen: Ik heb gezochtmaar niet gevonden. De defänitieve stellingname van Moen ten aanzien van het geloof in God is tevoren reeds uitvoerig geschilderd.

Wat heeft dit alles nu met het piëtisme te maken? Welnu, ik meen dat zich in Moens religieuze veronderstellingen en verlangens, die ik hierboven chronologisch en als het ware climactisch heb weergegeven, een aantal trekken openbaren die zich onderscheiden van de traditioneel reformatorische geloofsbeleving.
Deze trekken zijn de volgende:

1. het geloof wordt niet langer ervaren als een vallen en opstaan, als een permanente strijd tegen de zonde opgevat, maar gezien als een (definitieve) overwinning op en bevrijding van de zonde.
M.a.w. de gelovige wordt op een hoger niveau geplaatst dan de banale wereld waar de hartstochten en de twijfels heersen.
2. het centrale motief is niet meer de rechtvaardiging van het geloof maar juist deze wedergeboorte.
3. De genade ziet men niet als een belofte der vergeving, maar als een nieuw zijn, als kwaliteit, als kracht.

Bij de piëtistische geloofsbeleving staat de (subjectieve) ervaring voorop. De bekering is als het ware een goddelijke ingreep in het individuele leven, welke zich op een bepaald moment doet gelden. Het is dit moment waarop de "wedergeboorte" inzet.

Ik meen dat het verwachtingspatroon van Petter Moen aansluit bij deze religieuze opvattingen.
Bij het piëtisme is de functie van het geloof ondergeschikt gemaakt aan de vruchten van het geloof en wordt de orthodoxe leer ondergeschikt gemaakt aan de levensheiliging.
Bij Petter Moen is de geloofsfunctie gehéél komen te vervallen en gaat het nog slechts om een fysieke geestelijke wedergeboorte.
Het accentverschil openbaart zich ook hierin dat het piëtisme niet zoals Luther spreekt over de gelovige als zijnde een "vrijgesproken aangeklaagde" maar van een "levende uit de dood". Uit Moens uitspraken komt levensecht naar voren hoezeer hij met dit probleem van dood en leven heeft geworsteld.
De piëtisten richtten zich vooral op de levenspractijk - de levensheiliging. Een volkomen godzalig leven was volgens hun opvattingen reeds in dit aardse bestaan, in goddelijke kracht en zonder verontschuldigingen voor de ware Christen mogelijk en realiseerbaar.
Ook bij Petter Moen vinden we de hoop op een toegang tot "Gods grazige weiden" in DIT leven.
Ik meen dat de functie van het geloof en de voorstellingen omtrent God en Zijn genade reeds in het piëtisme zijn verminkt en dat het religieuze leven een aparte functie krijgt en geïsoleerd wordt uit het menselijk leven als totaliteit. Zodoende moet een conflict ontstaan tussen het geloven en het denken.
Er dringt zich een vergelijking op tussen Petter Moen en de filosoof Kant die eveneens uit piëtistisch milieu stamde.
Evenals Moen dit doet verklaarde Kant God tot een menselijke projectie.
Dit kan haast niet anders dan een reactie genoemd worden op een hieraan voorafgaande verminking van de geloofsfunctie. Waarbij in het oog moet worden gehouden dat ook onder dergelijke omstandigheden de subjectieve wilsbeslissing niet kan en mag worden uitgeschakeld.
Het treft mij echter dat Kant zich duideIijk heeft uitgesproken over de zgn. "Revolutäon der Gesinnung im Menschen", waarbij het ging om de mens die zélf in staat zou zijn tot een zielsrevolutie. Ook Petter Moen streeft naar een door hem zelf bewerkte geestelijke en fysieke wedergeboorte.
Terwijl in mijn eerste artikel het accent kwam te liggen op het feit dat Petter Moen buiten het geloof om zijn verlossing trachtte te bewerken, zou ik hier willen stellen dat de richting en de aard van Petter Moens religieuze verlangens sterk zijn beïnvloed door een piëtistisch denkklimaat.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief