Het nieuwe leven op de oude aarde
2005-07-22
De gereformeerde kerken zijn in de tweede helft van de twintigste eeuw veel opener geworden voor het charismatische.- Jaargang 49
- nummer 14
In een derde artikel gaat prof. Van der Kooi in op bekering, wedergeboorte, vernieuwing en groei in het christelijke leven. Hoe zit het daar met verlangen naar meer, met verwachtingen voor hier en nu gekoppeld aan de nuchterheid dat we nog niet op de nieuwe aarde leven.
Het is uit de literatuur bekend dat de pinksterbeweging voor een groot deel haar achtergrond heeft in de heiligingsbeweging van de 19e eeuw. En deze heiligingsbewegingen hebben op hun beurt sterke wortels in methodisme, puritanisme en piëtisme. Een deel van de charismatische bewegingen in het buitenland draagt tot op de dag van vandaag deze kenmerken van de heiligingsbeweging.
De rechtvaardiging voorbij?
Hun visie op het leven van de christen is bepaaldelijk verschillend te noemen van de hoofdstroom van lutherse en gereformeerde theologie. Rechtvaardiging en heiliging zijn bij Calvijn twee momenten die als het ware heel het mensenleven door parallel aan elkaar meereizen. Rechtvaardiging en heiliging komen als een tweevoudige genade uit de eenheid met Christus (Unio cum Christo) voort en men blijft er zijn leven lang op aangewezen. In de lutherse traditie is deze gelijktijdigheid nog sterker aanwezig wanneer gezegd wordt van de mens dat hij tegelijk zondaar en rechtvaardige is. De hoogspanning tussen rechtvaardiging en heiliging is daar blijvend. Bij Calvijn is het al wat in rustiger baan geleid.
In de heiligingstraditie ligt die verhouding heel anders. In hun geloofspraktijk en geloofsleer liggen heiliging en rechtvaardiging in de tijd na elkaar.
Rechtvaardiging of wedergeboorte is een moment, dat men na de bekering achter de rug heeft. Daarom kan men binnen deze traditie ook rustig de vraag stellen of je een wedergeboren christen bent of niet. Na de bekering of wedergeboorte volgt de staat der heiliging.
Kader
Het problematische in deze visie is niet, dat er serieuze zaak gemaakt wordt van de heiliging, maar dat er van de zonde te licht gedacht wordt.
Men waant zich al een volkomen nieuw schepsel en verdisconteert onvoldoende dat men ook vandaag nog onder de condities leeft van de voorlopigheid, een ‘nog niet’, een bedekking die zijn laatste wil vindt in de Raad van God. Er wordt met andere woorden te moralistisch en te plat over zonde gedacht en te weinig theologisch.
Ik bedoel met dat laatste dat zonde ons niet alleen raakt op het niveau van daden, maar op het niveau van wie we zijn. We zijn een nieuwe schepping, ja van God uit, in Christus, in zijn oordeel, maar ons leven met Hem is nog in Hem verborgen.
De charismatische vernieuwing in de orthodoxe gereformeerde kerken dient zich te bezinnen op de vraag binnen welk theologisch kader ze wil staan, binnen welk raamwerk ze haar ontdekkingen wil integreren. Wil ze geïntegreerd worden binnen een gereformeerd kader, dan zal ook over heiliging en rechtvaardiging anders moeten worden gedacht. Dat raakt direct aan de vraag in hoeverre men in deze tijd de norm van heiligheid aanwijsbaar acht. Of neemt men feitelijk het theologische kader van de heiligingsbeweging over? Zijn gaven geschenken die alleen aan heiligen wordt gegeven? De ervaring leert dat gaven, ‘charismata’, dikwijls ook werden gegeven aan mensen die bepaald niet onberispelijk leefden. De Heilige Geest neemt het af en toe zo nauw niet. De Here deelt toe aan wie Hij wil
(1 Korintiërs 12:11).
Waarschuwing
Dat betekent dat we nauwkeurig moeten zijn in ons onderricht en niet de verwachting mogen wekken dat ieder alle gaven zou moeten krijgen.
Als dat laatste het geval zou zijn - de opvatting van Kilian McDonell - dan is degene die die gave mist, een gemankeerd christen. Je bent nog wel gelovige, maar je mist iets, alsof je een been mist. Zonder been ben je nog wel mens, maar je bent invalide. Waar die indruk gewekt wordt of in de lucht hangt, dat christenen die de gaven niet hebben, in feite gemankeerde gelovigen zijn, is sprake van slechte theologie. Het evangelie van Matteüs geeft in dezen een niet mis te verstane waarschuwing aan het adres van elke gemeente waar de gaven ontdekt worden. In Matteüs 7:22 lees ik de schrikwekkende woorden: ‘Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here Here, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in uw naam boze geesten uitgedreven en in uw naam vele krachten gedaan.
En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend, gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid.’ Het evangelie van Matteüs fietst dwars door al onze perken heen, ook al zijn ze nog zo netjes volgens paulinisch bestek aangelegd. Kennelijk kende schrijver van het evangelie van Matteüs voorbeelden van mensen die tekenen en wonderen deden, en die toch er buiten vielen.
Ruimte voor experiment
Wil ik hiermee de zoektocht naar en de bede om de gaven van de Geest ondergraven en ontmoedigen? Neen allerminst. De gereformeerde theologie heeft - wat ik maar noem - een ‘pneumatologische heroriëntatie’ nodig. Dat wil zeggen: zij dient zich opnieuw te bezinnen op het werk en de eigen aard van de Geest. Daarbij mogen de charismata niet buiten de aandacht blijven. Ontkenning van deze gaven zou ontkenning betekenen van iets wat op wereldwijde schaal ontdekt en gebezigd wordt.
Moderne liberale gereformeerden en zeer orthodoxe gereformeerden hebben de neiging om met elkaar een pact te sluiten als het om uitsluiting gaat van deze aandacht voor de gaven van de Geest. Ik pleit daarom voor een 'open orthodoxie' waarin dit tekort van de gereformeerde traditie erkend wordt en waarin wordt gezocht naar integratie van deze elementen van het werk van de Geest.
Praktisch zal dat af en toe vragen om experimenteerruimte, plekken in de kerk, waar ervaring opgedaan kan worden. Zulke plekken zijn er, jaren lang binnen de Lucasorde in Nederland, binnen het werk van Charismatische Werkgemeenschap Nederland, nu al veertig jaar oud. En als jongste loot, overgewaaid van Toronto en van het Britse eiland, is er het vitale werk van New Wine.
In voorlopigheid
Ik pleit er voor dat er een visie wordt ontwikkeld op het christenleven en op de gaven. De discussie daarover is internationaal gezien nog maar net of nauwelijks op gang gekomen, dus hoe zouden we er dan nu al uit kunnen zijn. Maar wel is belangrijk de verwachtingen duidelijk te stellen: zijn de gaven voor iedereen, kan iedereen ze verwachten? Ze zijn, heb ik al gezegd, bedoeld voor de opbouw van het lichaam van Christus, voor onze groei naar Christus toe, voor het verstaan van hoogte, diepte en breedte van zijn werk. Ze hebben een functie in Gods zending naar de wereld. Het verlangen naar de gaven kan te maken hebben met een terecht en oprecht verlangen om meer van de realiteit van God te ervaren. Maar dan zullen we tegelijkertijd in onze theologie het onderscheid in het oog moeten houden tussen de tijd van de Geest, waarin wij leven en de voleinding. We leven vanuit de belofte van de zending van de Geest. Die is gezonden, die Geest komt en is bereid steeds weer in ons leven te komen en ook is dat nog niet de voleinding. Er is een niet op te heffen voorlopigheid. Wij hebben zeer reëel te maken met een ‘nog niet’, een heden waarin de hemelse Christus door een wolk aan ons oog is onttrokken. De leerlingen moeten het op dat moment doen met het woord van een boodschapper, met woord van de belofte dat Hij wederkomen zal. Zelfs de uitstorting van de Geest heft die voorlopigheid niet op.