Paulus' brief aan de gemeente te Rome (4)

1973-02-09
  • Jaargang 17
  • nummer 6
19. Paulus adstrueert zijn bewering uit v. 18, dat het gaat om een schuldig verdringen van God, niet om een te verontschuldigen onkunde t.a.v. God. 'Hetgeen van God gekend kan worden': juister m.i. te vertalen: 'het algemeen bekende feit van het bestaan van God' 1). Dit feit 'is onder hen bekend, want God heeft het hun bekend gemaakt'. Evengoed als aan hun medemensen, door Wie Hij wèl vereerd wordt.

20. Dat laatste gebeurt nl. zolang de wereld bestaat. 'Wordt ... uit zijn werken met het verstand doorzien': beter aldus te vertalen: 'wordt. .. door Zijn schepselen opgemerkt en geëerbiedigd. 2). (Er is sprake van 'de maaksels' van God. De enige maal dat dit woord verder in het N.T. voorkomt, nl.
in Ef. 2: 10, worden er ménsen mee aangeduid,) Uit deze eerbied voor God die in de heidenwereld voorkomt blijkt de bekendheid met God ook dáár; volgt ook, dat wie daar leven zonder eerbied voor God niet te verontschuldigen zijn (vgl. straks 2 : 14-16).

21. Dat wordt nog eens uitdrukkelijk vastgesteld: ze kenden God wel degelijk, maar desondanks hebben ze Hem niet als God geprezen of gedankt, nl. voor Zijn zorgen voor hun levensonderhoud, vgl. Hand. 14 : 17.

23. Zover schreed hun verdwazing en verblinding voort, dat ze God ontluisterden: Hij die onzienlijk (v. 20) en onvergankelijk is (vg1. 1 Tim. 1 : 17) werd zichtbaar uitgebeeld, soms in mensengedaante - dat was al erg genoeg, want ook de mens is maar een sterfelijk wezen - vaker nog in de gestalte van een dier, tot de meest verachtelijke, nl. die van kruipende dieren toe. (Men denke aan de wijdverbreide slangencultus in de oudheid.)

Vergelijken we dit oordeel over de verworden heidense religie met dat wat Paulus er in zijn Areopagusrede van zegt (Hand. 17: 22-31), dan blijkt er - ondanks nuance-verschillen - een treffende overeenkomst te bestaan op een aantal essentiële punten:

1. Hij bestempelt zijn hoorders en dat zijn daar filosofen, v. 18; vgl. de woorden in Rom. 1: 22 'terwijl ze beweren wijs te zijn' - als onwetenden (v. 30).

2. Als grondzonde in hun religie wijst hij aan: dat ze den Schepper voorstellen als schepsel (v. 24/25, 29).

3. Zoals hij in Rom. 1 teruggaat tot 'de schepping der wereld' (v. 20), zo spreekt hij in Hand. 17 van aller afstamming van Adam (v. 26).

4. Hij gebruikt in Hand. 17 : 27 het woord 'tasten'. Dat roept gedachten op aan iemand die zijn ogen niet gebruiken kan. Ik vermoed, dat Paulus daarmee zinspeelt op de onzienlijkheid van God. Maar ook hier wordt gesteld, dat God zich niettemin in 's mensen nabijheid manifesteert; alsook dat iets van het besef van Zijn ware wezen soms toch doorbreekt ook in hun kring, nl. bij de door hem aangehaalde dichters (v. 28).

5. De achtergrond waartegen Paulus zijn prediking stelt is ook in Hand. 17: de dreiging van het komende gericht (v. 31).
Deze overeenstemming is een nieuw bewijs (vgl. boven bij 1: opm. 2), hoe betrouwbaar Lucas is in zijn geschiedschrijving.

24-27. Beledigend in Zijn majesteit strafte God de mensen. Paulus plaatst de zedeloosheid voorop.
Die was het meest in het oog lopend, met name in Rome en Corinthe (evenals in Abrahams dagen in Sodom, en ten tijde van Israëls intocht onder de Kanaänieten).
Bovendien treedt daarin de ontluistering van den mens het scherpst aan het licht. Want als ontluistering wil Paulus' Gods straf typeren, omdat de grondzonde van den mens ook bestond in de ontluistering van God (vgl.
v. 25). God betaalt met gelijke munt (v. 27 slot). Geschapen als beelddrager Gods; d.w.z. als Gods representant op aarde, ondervindt de mens in het verlies van zijn eigen waardigheid de terugslag van zijn aantasting van Gods waardigheid.

28-32. Ook in de verdere uitbrekende boosheid beantwoordt Gods straf aan 's mensen zonde: Paulus gebruikt in v. 28 een woordspeling: het in erkentenis houden van God 'keurden ze af', nu geeft God hen prijs aan een 'afkeurenswaardige' gezindheid.

32. Zijn opsomming afsluitend onderstreept Paulus nog eens het bewuste in de zonde der mensen; hij gaat m.i. zelfs nog iets verder dan aanvankelijk: zij kenden Gods rechtseis, dat zulke misdadigers de dood verdienen. Paulus moet hierbij toch wel denken aan enige kennis van woord-openbaring onder de heidenen.

(wordt vervolgd)

1) Vg!. PAmh II 1450 'to gnooston tès pros allèlovs synètheias' = het notoire feit dat er een vriendschapsverhouding tussen ons bestaat.

2) Vg!. LXX 3 Macc. 3 : 11 'ov kathoroon to tov megista theov krates' = zonder de macht van den allerhoogsten God te eerbiedigen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief