KERKELIJK LEVEN
1973-02-09
Ieder weet wel zo ongeveer wat onder orthodoxie verstaan wordt. Het is het vasthouden aan de rechte leer en daaronder verstaat men in protestantse kring de reformatorische leer, zoals die beleden wordt in de nederlandse belijdenisgeschriften. Voor zover mij bekend is het woord orthopraxie van jongere datum. Men drukt daarmee het rechte handelen uit in overeenstemming met het bijbelse gebod. Over de verhouding tussen deze twee is momenteel het een en ander te doen.- Jaargang 17
- nummer 6
We kunnen zeggen dat de orthodoxie zich niet in een grote populariteit kan verheugen.
In de geestelijke constellatie, waarin wij verkeren, wordt in het algemeen het doen benadrukt en bekommeren velen zich minder om de geloofsinhoud. We leven in de tijd van het "geloven met de handen". De ethiek ondervindt meer belangstelling dan de dogmatiek.
Het tijdvak van het rationalisme heeft tenminste tijdelijk plaats moeten maken voor een ander. Het irrationele, vitalistische, mystieke is momenteel aan bod. En dat heeft zijn weerslag ook op het "geloofsdenken". De kennis staat achter bij de daad. Het rationele, verstandelijk opvatten van de dingen heeft zijn bekoring verloren. Dat betreft ook het verstaan van de Waarheid.
En dat moet positief gewaardeerd worden.
De puur verstandelijke kennis is op het terrein van de religie, zo al bestaanbaar, toch onvruchtbaar en verwerpelijk. Ze heeft te maken met dood geloof. Niet dat onze tijd dat nu ontdekt heeft. Jacobus wist er ook reeds van en waarschuwt er in zijn brief tegen.
Een tijd, waarin het rationalisme heerst, waarin het pure denken beschouwd wordt als de eigenlijke bron van het leven, kan gemakkelijk door zijn beïnvloeding van de christenheid hier de nadruk eenzijdig doen leggen op de leer, of beter nog, haar brengen tot een eenzijdig verstandelijk daarmee bezig zijn. En zo wordt het dan een onvruchtbare zaak: dóde orthodoxie.
Maar we moeten er wel oog voor hebben, dat het kwaad dan niet ligt in de leer zelf, in de inhoud van het geloof, maar in de intellectualistische opvatting en verwerking ervan.
Wanneer die er is, kan het gemakkelijk komen tot een scheiding van "leer" en "leven".
Zulk een scheiding roept na enige tijd dan weer reacties op, een reactie die tegenover het schermen met de leer de nadruk legt op het leven en roept om de daad. Maar wanneer zij uitgaat van deze scheiding is ook deze reactie zelf eenzijdig en gevaarlijk.
Men moet niet in reactie van die scheiding uitgaan om voor de daad te kiezen. Maar die scheiding zelf bestrijden en dat door op de puur verstandelijke opvatting en verwerking yan de leer de pijlen van zijn hoogst noodzakelijke kritiek te richten. Want de leer op zichzelf is het kwaad niet. Iéder heeft tenslotte zijn leer. Ook de man van het handelen.
En hij ontwikkelt niet slechts een leer over het handelen zèlf, maar ook over de achtergronden ervan, over de wortel, waaruit het opkomt en opkomen moet. De bezinning is tenslotte een onuitroeibare neiging van het menselijke hart.
We zien dat duidelijk in wat er tegenwoordig in geestelijk en kerkelijk opzicht aan de hand is. Er is een geweldige activiteit aan de gang: in oecumenisch opzicht. De verschillende kerken zoeken elkaar, overleggen met elkaar, trekken samen op in allerlei activiteiten en gemeenschappelijke taken. Maar het is niet in alle opzichten helder wat de eigenlijke drijfveren zijn en hoe dit alles verantwoord kan worden. Vandaar de roep om een oecumenische theologie, die de grondslag leggen moet onder al deze activiteiten. In alle handelen een roep om de leer.
Enigszins anders, maar toch soortgelijk, staat het met de politieke en maatschappelijke activiteiten, waartoe de gelovigen vandaag opgeroepen worden. Hier is een duidelijke bezinning reeds lang aan de gang. Gedeeltelijk gaat zij aan het handelen vooràf. Er is reeds een behoorlijk theologisch ontwerp, van waaruit men probeert de kerkleden tot, zoals dat tegenwoordig heet, politiek en maatschappelijk engagement te brengen.
Dat theologisch denken is een bepaalde leer over het Koninkrijk Gods, over wat het van ons vraagt; over de wijze, waarop het komt op aarde en over ons aandeel er in.
Dat aandeel wordt als wel zeer groot gezien.
Wat Abraham Kuyper voorstond was hierbij vergeleken nog maar een kleinigheid.
Het Koninkrijk zal komen op aarde in de weg van onze activiteiten. Onze inzet voor de gerechtigheid zal die gerechtigheid doen komen in deze tijd, in onze geschiedenis. Als onze inzet maar groot en radicaal genoeg is.
Het Koninkrijk is toch voor déze aarde. Het heil is aards, niet hemels. We horen hier het ruisen van de horizontalistische wind en het is niet bepaald het suizen van een zachte stilte.
Maar genoeg hierover: het is duidelijk dat aan de huidige praxis van het streven naar gerechtigheid een bepaalde leer ten grondslag ligt. Een leer, die sterk gedreven wordt Een leer, die de harten heeft veroverd. Een bepaalde religie zelfs.
Dat is dan echter ook de zaak: een leer, die het hart veroverd heeft en geen kwestie is van louter intellectuele bespiegeling. Woord en daad, leer en leven zijn in dit horizontalisme niet gescheiden, maar vormen een eenheid.
Die eer moet er aan gegeven worden.
Maar we zien hier tegelijk, dat het zinloos is om de leer tegen het leven uit te spelen.
Wanneer zij levend is en leeft in de harten, draagt en stimuleert de leer het leven en geeft daaraan richting.
Het afrreven op de leer is een zinloze bezigheid.
die gebrek aan inzicht in de werkelijke stand van zaken verraadt. Maar dat geldt dan óók van de zuivere, de rechte leer mits zij geen voorwerp is van louter theoretische bespiegeling. Dan is er sprake van dode orthodoxie. Van dood geloof. Maar de rechte leer is 'een schone zaak, wanneer zij van harte wordt geloofd en als een kracht van leven de harten beweegt. Dan is zij bron van krachtig, hoewel uiteraard onvolkomen en gebrekkig handelen. Orthodoxie èn orthopraxixe: het geloof, dat door de liefde werkt.
Wanneer ik het Getuigenis lees, dat voor enige tijd verscheen, dan vind ik daarin de wacht betrokken bij de rechte leer, die tegenwoordig veelszins wordt vervalst. Dat is m.i. een legitieme zaak. Het Getuigenis heeft naast de instemming van tienduizenden ook kritiek ontmoet en daarbij soms zeer felle: Daarvan geeft ook het boekje: Wat vindt U van het Getuigenis, het een en ander te proeven. 1)
Die kritiek is enerzijds gericht op wat men de onvolledigheid van dit Getuigenis vindt.
Er wordt namelijk geen poging in gedaan, zo vinden deze critici, om aan te wijzen hoe men met het Evangelie de vragen van deze tijd moeten beantwoorden en de feilen en zonden van deze tijd moeten ontmaskeren, Men mist, om zo te zeggen, de ethiek.
Die kritiek is m.i. onbillijk en vat de bedoeling van het Getuigenis niet recht in het oog, noch de situatie, waarin het geboren werd. Het Getuigenis bedoelde niet om een korte inhoud van de Bijbel te geven, maar bepaalde leervervalsing en aantasting van het Evangelie terug te wijzen en de gelovigen, die daarmee lastig gevallen worden en er door benauwd worden, te bemoedigen. Op de laatst gehouden conferentie van de Gereformeerde Gezindte, waaraan ds W. W. Verhoef in zijn bijdrage herinnert, is deze kwestie duidelijk uit de verf gekomen. Daar is het Getuigenis "aanvaard", niet omdat het alles zegt, wat in deze tijd te zeggen zou zijn, maar om wat gezegd moest worden tegen een bepááld opereren met de Bijbel en het Evangelie in onze moderne tijd. Dat wordt in het Getuigenis zelf ook duidelijk aangegeven als het wijst op en opponeert tegen 'n puur aards Messianisme en het uitmonden van de historie in het Koninkrijk Gods met alles wat daarmee samenhangt.
Deze kritiek richt zich niet op wat in het Getuigenis staat, maar op wat er niet in staat. Met deze kritiek heeft het Getuigenis geen principieel verschil. Het wordt er m.i.
ook niet werkelijk door getroffen.
Maar we moeten ons oog er niet voor sluiten dat er ook een andere kritiek op het Getuigenis is, een kritiek, die het menselijk aandeel in de verlossing van deze wereld er niet in gehonoreerd vindt. Het is de kritiek, die niet maar orthodoxie en orthopraxie verbinden wil, maar in zijn strijd voor de praxis andere accenten legt dan de orthodoxie van de opstellers van het Getuigenis. Het lijkt me verwarrend hier de kwestie van orthodoxie en orthopraxie in het geding te brengen of als uitgangspunt van z'n kritiek te stellen dat het Getuigenis daarom faalt en zelfs de handen der boosdoeners sterkt (!), pag. 106, omdat het niet geschreven zou zijn vanuit de diepe samenhang van Wet en Evangelie. Ik dacht dat er iets anders aan de orde is: de plaats van de gelovige in het heilshandelen van God en die van de gemeente van Jezus Christus. Of we er goed aan doen te spreken over de dienst der verzoening in de relaties en structuren. Werken we daarmee een aards Messianisme toch niet in de hand, zoals dat door het Getuigenis terecht wordt afgewezen?
Paulus spreekt in 2 Cor. 5 ànders over deze dienst der verzoening. Leggen we de accenten juist wanner we het woord bevrijding als een áárdse realiteit als kern van het Evangelie beschouwen, in plaats van allereerst als geestelijke realiteit, en dat op grond van de verzoenings met God? Ik denk hier aan 1 Cor. 7: 22: Want de slaaf, die in de Here geroepen wordt, is een vrijgelatene des Heren.
Het lijkt me misleidend z'n kritiek op het Getuigenis te stellen in het raam van het missen van de samenhang tussen Wet en Evangelie, om zo te komen tot een theologia gloriae, een triumfantelijke theologie.
1) Verschenen bij Zomer en Keuning te Wageningen.
Verschillende auteurs geven in dit aan ons blad ter bespreking toegezonden boek hun visie op het Getuigenis.