't Was niet al goud wát er blonk
1973-02-16
Wanneer men oppervlakkig kennis neemt van het gereformeerde leven uit de jaren twintig en dertig van deze eeuw lijkt alles gezond en mooi.- Jaargang 17
- nummer 7
De organisaties op het terrein van de politiek en de jeugdvorming bloeiden. De Vrije Universiteit werd steeds groter en invloedrijker. Gereformeerde scholen verrezen allerwege. Kerkdiensten werden goed bezocht. De belijdenis werd stipt gehandhaafd. De offervaardigheid was voorbeeldig. En met grote energie wierp men zich op zending en evangelisatie.
Ja, oppervlakkig gezien leek alles best.
't Was zoals men vroeger zei, al botertje tot de boom toe!
En toch, en toch!
Scherpziende geesten waren niet gerust.
Juist die mensen die het dichtst bij de Schrift leefden, de profetische figuren, de mensen die in bizondere mate de gave van de beproeving der geesten bezaten, ontdekten gebreken, zonden, gevaren die, als ze niet overwonnen werden, onheilspellende gevolgen zouden hebben. Die, wat veel erger was, de gereformeerde wereld van de zegen des Heren zouden beroven!
Ik wil iets van wat deze mensen zeiden doorgeven.
Wat zij toen ontdekten en signaleerden is, naar ik geloof, ook nu nog aktueel.
Het stond voor de gereformeerden vast dat er gewerkt en gestreden moest worden voor het Koninkrijk Gods. De gereformeerden vormden een aktief en militant volk.
Een beslissende vraag daarbij is evenwel, hoe, in welke geestelijke houding doet men dat?
Er dreigt in het werk en de strijd voor de zaak des Heren immers steeds het gevaar dat men, zoals de Schrift dat tekenend zegt, vlees tot zijn arm stelt. Het kan zijn dat men strijdend de goede strijd in "kerk, staat en maatschappij"
in de grond der zaak zichzelf zoekt: eigen eer, macht, voordeel, Of, en dat is een niet minder groot gevaar, dat men de strijd niet voert met geestelijke wapens. Anders gezegd: dat de wijze waarop men op zichzelf goede doeleinden najaagt een onoverkomelijke hindernis gaat vormen voor het bereiken daarvan!
Eén van de mannen die met grote ernst op deze gevaren heeft gewezen was Mr Dr W. van der Bergh, een man op wie de bijbelse typering "rechtvaardig en vroom en wijkende van het kwaad" ten volle van toepassing is. Hij werd wel "het geweten der Doleantie" genoemd.
Van den Bergh keerde zich rusteloos tegen de hoogmoed die hij in zijn broederen meende te ontdekken. En niet minder tegen het in de gereformeerde wereld altijd weer opkomende kwaad van het farizeïsme. Daartegenover predikte hij steeds weer dat de énige offerande die God behaagt bestaat in een verbroken hart en een verbrijzelde geest en dat God alleen in gunst neerziet op verslagenen van geest, op hen die voor Zijn Woord beven en alles alléén van zijn genade verwachten, De gevaarlijkste vijanden waarmee we te doen hebben, zo hield hij zijn gereformeerde broeders voor, zijn niet mensen buiten de kerk: de ketters van allerlei soort, de liberalen, de socialisten of wie dan ook! Nee, die zijn veeleer de gesels waarmee God zijn volk kastijdt vanwege hun zonden! De eerste en ergste vijanden met wie wij te strijden hebben zijn onze eigen zonden! Daarom moet de gemeente rusteloos en zo concreet mogelijk gewezen worden op de in haar levende zonde en schuld. Die zijn uiteindelijk de enige oorzaak van al haar misere. Die brengen, als ze niet beleden worden, ten slotte Gods oordeel over haar.
In de Schrift klagen Gods kinderen daarom niet in de eerste plaats over de Filistijnen, de Assyriërs, de Babyloniërs, de Perzen als oorzaak van hun ellende. Nee, ze klagen allereerst over de zonde, over hun eigen zonden en die van hun vaderen! Daarom en daarom alleen werden ze uiteindelijk in ballingschap gevoerd.
Zie ik het wel, zo schreef Van den Bergh eens, dan zijn onze verborgen zonden, onze menseneer, onze onbarmhartigheid, - ook onze onbarmhartigheid jegens onze vijanden! - de oorzaak dat dezen nog zo veel kunnen doen! Wij hebben als Jozua in vuile kleren voor God te komen. "lik geloof dat onze grootste vijanden thans onze geestelijke zijn. Wij pronken zoveel meer met onze rijke collecten en grote scharen, dan dat wij letten op de ware kenmerken dergenen die van de kerk zijn. Hoognodig is, dunkt mij, verootmoediging en levend geloof, ook als wij in de enge weg gaan. En ach, hoe zwak is ons vlees dan. Laat ons niet de verleidelijke taktiek volgen om de fouten onzer tegenstanders breed uit te meten en die onzer geestverwanten te verzwijgen. Laten we onderzoeken onze drijfveren.
We berekenen te veel, laten te weinig aan de Here over."
Er werd in de dagen van Van den Bergh veel over reformatie gesproken. Over reformatie van de kerk, en van nog veel meer. Het geroep om reformatie was niet van de lucht.
Van den Bergh was over dat roepen om reformatie en wat men als reaktie daarvan ondernam en tot stand bracht alles behalve gerust.
Kwam de drang om te reformeren wel uit een oprecht geloof op? En was men er metterdaad van overtuigd dat echte reformatie uitsluitend en alleen Gods werk, Gods gave is? Werd de reformatorische arbeid wel op Geestelijke wijze ter hand genomen? Er kan zo gemakkelijk een karikatuur daarvan optreden: Reformatorische arbeid kan heel gauw omslaan in een zich op zondige wijze verheffen op wat men zèlf met en in de kerk heeft gedaan.
Daarom hield Van den Bergh de kerken waarschuwend voor dat er echte en valse reformatie is. Echte reformatie komt op uit droefheid over de eigen schuld aan het onrecht, aan de zonden, die in Gods kerk geschieden. Valse reformatie ontstaat uit bitterheid over het onrecht dat anderen ons aandoen. Echte reformatie ontspruit aan de begeerte om met oprechtheid Jezus te belijden als Heer en Hoofd van de kerk en leidt tot het verwerpen van alles wat met zijn Woord in strijd is. Valse reformatie komt op uit geestelijke zelfzucht. Ware reformatie komt op uit deernis over de verwaarloosde kerk en met het doel om met meer vrijmoedigheid en ijver het afgedwaalde en gebrokene te zoeken. Valse reformatie gaat op in een vereniging van gelijkgezinden en stelt zich, hooghartig op tegenover hen die "niet meegaan". Ware reformatie bestaat in oprechte bekering des harten en het betonen van een klein beginsel der gehoorzaamheid In heel het leven. Valse reformatie begint en eindigt met het verwerpen van synodale hiërarchie en het opnieuw institueren van de kerk, terwijl men voorts alle bestaande afgoden, breuken en bannen onaangeroerd laat. Ware reformatie wordt gewerkt door de Heilige Geest uit de kracht van Christus' bloed, behoeft niet minder een Borg dan een Koning en leidt tot Geestelijke opwaking, Valse reformatie komt op uit vleselijke ijver, draagt een wettisch karakter, gaat gepaard met eigenwillige godsdienst en werkt nadelig op het Geestelijke leven.
Zo sprak Van den Bergh.
En is zijn vrees in de na hem komende jaren niet op een soms ontstellende wijze bewaarheid?
Een andere oorzaak van ernstige zorg voor velen was de prediking zoals deze in de Gereformeerde Kerken werd gevonden.
Zij waren van oordeel dat deze te weinig bood de volle ontsluiting van het eigen Woord van God.
Ongetwijfeld, die prediking was goed orthodox.
Daaraan mankeerde het met. Maar dikwijls lééfde ze niet en ging er weinig kracht van uit.
Een van de oorzaken van dit euvel was dat veel predikanten, veelal onbewust, meer leefden bij een complex theologische ideeën en beschouwingen, speciaal bij die van Kuyper of Bavinck, dan bij het levende Woord van God. Op deze wijze werd ook voor de gemeente een bepaalde theologie, het was meestal een populaire, tot een mist die het uitzicht op de openbaring Gods belemmerde.
Dikwijls bestond de voorbereiding voor de preek voornamelijk in het verwerken van wat Kuyper over de gekozen tekst had geschreven.
Toen ik candidaatsexamen had gedaan adviseerde een oudere predikant mij vooral het Tekstregister op Kuypers werken aan te schaffen. Je kon dan makkelijk vinden wat Kuyper over een tekst had gezegd. En daaraan had je wel genoeg bij de voorbereiding van een preek.
Men hoorde van de preekstoel ten gevolge van deze wijze van doen meer een verhandeling over een of andere dogmatische waarheid, al of niet gevolgd door een min of meer subjectivistisch getinte 'toepassing'. Het opereren met het schema objectief-subjectief in verband met de prediking deed eveneens veel kwaad. Het verlamde de kracht, de greep van het Woord. Met name oefenden ook de door Kuyper opnieuw gelanceerde scholastieke opvattingen omtrent verbond, doop, heilsolde een nadelige invloed uit op de dienst des Woords, Vaak ook werden de hoorders in verband met de zekerheid des geloofs verwezen naar eigen subjectieve ervaringen of belevingen.. Zonden en afdwalingen werden al te weinig ontmaskerd in hun kern, hun diepste wortel. Vooral werd het weinig verstaan dat God door zijn Woord de mens aangrijpt en veroordeelt, maar hem daarin tegelijk ook zijn genade, het volle heil in Christus aanbiedt en schenkt. Vaak stond de prediking ook geheel buiten het leven.
De klacht over de prediking van die tijd heeft vooral Sikkel op aangrijpende wijze vertolkt, Hij kende het manco daarin ten volle en 'heeft er zeer onder geleden.
Bij de dood van de grote prediker, ds H. Hoekstra, schreef Sikkel: "Wij zijn wat de prediking betreft zo arm: Tuinharkers en stukadoors in overvloed, - maar ontsluiters der Schriften als echte met merg gevoerde zonen van Calvijn als echte dienaren des Woords?
We treuren bij Hoekstra's graf in grote droefheid om groet verlies".
Op dit woord van Sikkel volgde scherpe reakties. Maar Sikkel wijzigt zijn oordeel niet.
Misschien, zo schreef hij, had hij in plaats van over tuinharkers en stukadoors beter van tuinarchitecten, en kunstschilders kunnen spreken .. Maar zijn klacht houdt hij staande.
Die was hem diepe ernst. "Wij menen", zo schreef hij, "dat ook bij vaak welverzorgd uiterlijk keurig werk, - over slordig werk sprak ook ons beeldwoord niet eens! - het dieper ingrijpend en aangrijpend ontsluiten en uitroepen van het Woord Gods in zijn eenheid en geheelheid, in echt kernvol Calvinistisch type, in betoning des Geestes. en der kracht veel te veel, en heel veel. In onze Gereformeerde Kerken ontbreekt. Wij gevoelen ons in onze Gereformeerde Kerken in deze arm en heel arm. Wij zeggen dat aan onszelf en aan anderen met grote droafheid Met grote kommer ook voor de Gereformeerde Kerken van Christus in deze ontzettende tijd. En dáárin en dáárom met grote kommer over land en volk en wereld".
Sikkel wilde dit zeggend allerminst beweren of bedoelen, "dat er door velen geen werk van de preek gemaakt wordt. Dat er niet vaak ook goede exegetische bestudering van de tekst voorafgaat. Dat er niet ook veel zorg aan conceptie en bouw van de preek besteed wordt. Dat hiervoor welbewuste bekwaamheid wordt gemist. Dat ook niet wel in gekuiste en schone taal en stijl de preek wordt gesteld. Dat geen keurigheid, waardigheid en mannelijkheid gehoord en gezien worden in 'het optreden". Evenmin wilde Sikkel zeggen en bedoelen, "dat er geen trouw gekend wordt in het leiden der zielen door de prediking.
Dat er geen bediening des Woords is uit het Verbond. Dat de waarheid niet ook zuiver en stelselmatig geleerd wordt en in het licht gesteld.
Dat er in vele preken ook niet een inleven in de tijd, een inleven in de Gemeente.
een inleven in de Schriftgedachte uitkomt".
Over dit alles was naar Sikkel's oordeel "veel te zeggen! - en veel, ook heel veel te klagen".
Maar over dat alles sprak hij niet in zijn klacht. Daarop had hij niet het oog toen hij de beeldspraak van tuinharkers en stukadoors hanteerde.
Waar het Sikkel wél omging in zijn klacht over de prediking vertolkte hij in de volgende geladen woorden: "Wij nemen nu het beste, het mooiste wat de roep en de roem heeft in onze dagen, in onze Kerken; en wat model is schier voor allen, ook voor hen, die dat model van verre niet naderen en niet kunnen naderen. Maar ... dàn horen wij, ook bij toestroming en toejuiching, een ten dele zelfs onbewust kermend zuchten in Kerk en volk en wereld, om de ontsluiting van het Woord Gods in zijn aangrijpende hemellichtende sprake van de levende God en van de gezalfde Christus tot zijn Gemeente in ons huidig mensenleven. En zó lijden wij smart, en zó lijden wij benauwing, bange benauwing over onze armoede - te banger, hoe meer men zich in gerustheid vleit, zich zelf behaagt, en in uitwendigheid verloopt, zonder te roepen om heilige zalving als Gods getuigen".
Sikkel gaat dan zó verder: "En of we dan geloven, dat wat men zó als het beste roemt, inderdaad ook zo best is in de heilige weegschaal en op de echte toetssteen? Onze overtuiging is meermalen het tegendeel. En of dan, zelfs naar de geldende maatstaf, algemeen zulk goed werk gemaakt wordt voor en van en in de preek, zelfs voor de drukpers; wij zeggen vrijmoedig en overtuigd met gedrukte proeven voor ons: neen. Wij horen een klacht haast een kreet van armoede, van honger, - niet naar brood, - en niet naar predikers, - en niet naar preken, - en niet naar hedendaagse schone preken, - maar naar het Woord des Heren. En wij beven in onze armoede... Maar - wij zijn van een geslacht, dat men gaat begraven. Deze klagers sterven weldra uit. Dan blijft er slechts roemen en juichen - modern geschilderd. Daarom late men ons toch onze klacht bij Hoekstra's graf. Wij sterven er toch meer".
En hierbij moet ik het weer laten!