Mammoetwet en middenschool: externe democratisering
1973-02-23
- Jaargang 17
- nummer 8
Op 28 juni 1967 werd in de Eerste Kamer de Wet op het Voortgezet Onderwijs, de zogenaamde Mammoetwet, aanvaard. De wet werd m.i.v. 1 augustus 1968 van kracht. De toenmalige minister van onderwijs, Cals, heeft deze wet ontworpen, uitgaande van het principe dat het kind bij het onderwijs centraal moet staan. Iedereen moet zonder beperking dezelfde kansen krijgen om zo hoog mogelijk op te klimmen in studie of beroep.
Daarom moeten de verschillende soorten onderwijs zo goed mogelijk op elkaar afgestemd worden en moet gemakkelijk van de ene schoolsoort naar de andere kunnen worden overgeschakeld. Vandaar dat er een nieuwe organisatiestructuur van het onderwijs noodzakelijk is, aldus Cals. Inderdaad had ons onderwijssysteem voor 1968 een enigszins verbrokkeld karakter. De belangrijkste bedoeling van de mammoetwet is dus dat het voortgezet onderwijs kan zorgen voor de optimale ontwikkeling van de talenten van iedere leerling, door een zo goed mogelijke, logische samenhangende organisatie-structuur.
De Mammoetwet is dan ook eigenlijk een raamwet. Daarbinnen moeten nog allerlei regelingen vastgesteld worden voor de afzonderlijke schooltypen. En d.m.v. die afzonderlijke regelingen moet de inhoudelijke vernieuwing van het onderwijs plaats vinden.
De Mammoetwet is dus bedoeld als een belangrijke bijdrage aan de externe democratisering van het voortgezet onderwijs. Daarvoor zijn naast de organisatorische maatregelen de volgende genomen:
1. Het is niet langer zo dat voor iedere leerling binnen een bepaald schooltype hetzelfde vakkenpakket geldt. Een aantal vakken zijn verplicht, maar daarnaast mogen ook een aantal gekozen worden. Op de HAVO b.v. is Nederlands verplicht, maar moet men uit de vreemde talen (Engels, Frans, Duits) één kiezen. In de praktijk zijn er echter een aantal beperkende factoren m.b.t. die keuze, nl. de beperkte capaciteit van de school om aan de vraag naar het onderwijs in de verschillende vakken te voldoen en de plannen van de leerling m.b.t. verdere studie. Zo is voor vrijwel elke studie kennis van het Engels onmisbaar, zodat bijna iedereen Engels kiest, en weinigen Frans. En als iemand scheikunde wil gaan studeren, moèt hij wel natuurkunde en wiskunde kiezen als vakken in zijn eindexamenpakket.
2. De school deed vroeger voornamelijk een beroep op de verstandelijke vermogens van het kind. Dat wil men veranderen door ook de expressievakken (muziek, tekenen, handvaardigheid) een grotere plaats in het onderwijs te geven.
3. De toelatingsexamens zijn afgeschaft. In plaats daarvan is er de zogenaamde brugklas-periode. Alle leerlingen van het voortgezet onderwijs (behalve het geroepsonderwijs) krijgen in het eerste jaar in principe hetzelfde onderwijs. Dit wordt bovendien ondersteund door studielessen, waarin de leerling individuele hulp kan krijgen, in vakken waar hij het moeilijk mee heeft of wat betreft de studietechniek.
Pas na een jaar vindt de determinatie plaats, d.w.z.: het bepalen welk onderwijstype het meest geschikt is voor een bepaalde leerling. De determinatie wordt dus een jaar uitgesteld vergeleken met vroeger, waar dit aan het eind van de basisschool-periode plaats vond. Latere determinatie is bedoeld om elk kind de juiste opleiding en een grotere kans op succes te geven. Een logisch gevolg hiervan is het ontstaan van scholengemeenschappen, waarbinnen de verschillende schooltypen geherbergd zijn.
Ook hier zijn echter weer een aantal beperkende factoren. In de eerste plaats vindt er vrijwel altijd direct een scheiding plaats tussen leerlingen voor beroeps- en andere vormen van voortgezet onderwijs. In de tweede plaats hebben sommige scholengemeenschappen slechts een beperkt aantal schooltypen.
Als een leerling op zo'n scholengemeenschap terecht komt, zal hij niet gemakkelijk alsnog naar Atheneum of Gymnasium gaan. Tenslotte:" deelt men op sommige scholen de brugklassen in in goede en minder goede, zodat er in de praktijk b.v. MAVObrugklassen tegenover HAVO-brugklassen ontstaan.
Omdat men nog niet tevreden was over het tijdstip van determinatie is, na de invoering van de mammoetwet, het idee van de zogenaamde middenschool geopperd. Dat is een school met een nog langere brugperiode, het liefst van drie jaar. In die periode zitten de leerlingen die voor de verschillende schooltypes bestemd zijn (ook voor het beroepsonderwijs) door elkaar in de verschillende klassen. De eerste middenschool is dit jaar gestart in de nieuwste stadswijk van Amsterdam, de Bijlmermeer. In Engeland, dat in het algemeen een voorloper is op het gebied van de onderwijsvernieuwing, heeft men al jaren dit schooltype onder de naam 'comprehensive school'. Maar niet iedereen is er daar even gelukkig mee. Zo schijnen veel leraren aan die comprehensive schools, waar het onderwijs gratis is, hun eigen kinderen naar particuliere scholen te sturen, waar ze zelf de onderwijskosten moeten betalen.
Een andere maatregel om zoveel mogelijk de individuele ontplooiing te bevorderen, is ingevoerd in Amerika en Zweden: het geprofileerde eindexamen. Men kan dan het ene vak doen op MAVO-niveau, het andere op HAVO-niveau enz., zodat niet het voor een leerling het moeilijkste vak bepalend is voor het schooltype dat hij kan volgen.
Al deze maatregelen zijn bedoeld om een leerling maximale kansen te geven, als hij eenmaal in het voortgezet onderwijs is terecht gekomen. Maar helpt het ook echt?
Daarover is nog maar weinig bekend. In de eerste plaats veroorzaken bovengenoemde beperkende factoren dat de idealen van de Mammoetwet nog lang niet zijn bereikt. Bovendien hebben de leraren op dit moment nog grote moeite met het geven van een juiste functie aan de brugklas, omdat deze klassen doorgaans te groot zijn en de leraren geen goede selectiemethoden ter beschikking hebben.
Dit blijkt uit een rapport van drs De Koning van het Research Instituut voor Toegepaste Psychologie (Trouw, 2 dec. j.l.). Dit rapport vermeldt ook dat uit buitenlandse onderzoekingen wel blijkt dat een ongeselecteerde brugklas geen nadelen heeft voor de hoogstbegaafden maar wel voordelen voor de laagstbegaafden.
Tenslotte moet als remmende factor in de onderwijsvernieuwing genoemd worden, dat met de inhoudelijke vernieuwing van het onderwijs binnen het kader van de mammoetwet nog maar een begin gemaakt is. Er moeten betere, meer samenhangende leerpakketten voor de verschillende vakken komen.
Daartoe zijn Commissies Modernisering Leerplan voor de verschillende vakken ingesteld.
Daarnaast is men nog bezig met de vraag hoe een centraal orgaan voor de leerplanontwikkeling ingesteld moet worden.
De idealen van de mammoetwet zijn dus nog lang niet bereikt, zowel door gebrek aan geld en mankracht, als door gebrek aan inhoudelijke vernieuwing en het daarvoor noodzakelijke wetenschappelijke onderzoek.
Literatuur: M. F. A. Brok, Wat moet ik met de mammoet?
Utrecht/Antwerpen, 1967.