De dichter en zijn twijfel

1973-02-23
  • Jaargang 17
  • nummer 8

De dichter Louis de Bourbon was, toen de duitse troepen ons land binnenvielen, 29 jaar oud en burgemeester van het in Brabant, aan het smalle riviertje de Raam, gelegen dorpje Escharen.
Hij, de afstammeling van het franse koningshuis, was begaafd met een natuurlijk gezagsoverwicht dat hij tegenover de aanrukkende troepen terdege deed gelden. Met zijn ambtsketen om de hals ging hij voor de ingang van het dorp staan en verwees de soldaten naar een zijweg die om het dorp heenvoerde. Men zegt dat de invallers hem gehoorzaamden en het dorp met rust lieten.
Enige tijd later wordt hij benoemd tot burgemeester van Oss. Als echter op 23 mei 1943 van hem wordt geëist arbeidskrachten te requireren voor werk in een duits kamp, weigert hij dat.
In een toespraak tot de hoofdambtenaren van de gemeente zegt hij: "Nu men mij wil dwingen, de arrestatie van onschuldige arbeiders en andere personen in deze gemeente te doen plaats hebben op mijn gezag, heb ik gemeend niet anders te kunnen doen dan mijn plaats te verlaten om elke medewerking aan onrecht mijnerzijds onmogelijk te maken."
Vanwege deze houding moet hij onderduiken en komt hij terecht in de verzetsbeweging. Als het, bij een bepaalde ondergrondse aktiviteit, tot een treffen komt met een groep S.S.-ers, schiet hij er één meer.
Had hij dat niet gedaan, dan had de ander hem uit de weg geruimd.
Deze vreselijke gebeurtenis heeft hij vastgelegd in het gedicht dat hieronder volgt.

DODEN

I Er zijn doden die zelfs de woudwolf niet lust zwaarddragers in hun ebbenhouten karkas;
maar ook naamloze doden, zacht als kaarsen van was:
wie eerst ontstak ze, vóór ze werden geblust?

Il Twee zijn er, twee doden die zwaar op mijn leven wegen, wier schim mij soms wekt in de nacht;
één van beiden heeft mij te levenseten gegeven
toen ik geborgen lag onder haar hart.

De ander die wilde mij doodseten geven
loodzwaar woog het lood in de loodrechte wond,
maar ik heb hem de aarde te eten gegeven
dauw laafde zijn stervende mond.

III Wij hebben voor hem een graf gegraven
in Ravenstein aan de waterkant;
want dat wilde ik niet, dat hij een aas werd der raven zonder steen in mijn goed brabants land.

Hij schoot en ik schoot, en ik schoot hem ten grave,
ik schoot lood dat schoot loodrecht door zijn mond,
wij kwamen uit Lith en zij kwamen uit Grave
waar de smalle Raam in de Maas uitmondt.

Maar een lid-teken draag ik sinds Lith in mijn handen teken dat vrijheid elke dwang overwint
bonam pugnam pugnavi ... maar ook die wond blijft branden zolang de wereld den vrede niet vindt.

IV Hij rust, ruste zacht langs de Maas, die ik doodde,
mij zweept de twijfel bij dag en bij nacht;
want mij wordt geen rust, wordt geen laafnis geboden omdat ik een hart draag hier binnen, een hart.

En gedachtig het vijfde van Jahwe's geboden
bezie ik peinzend mijn vreedzame hand:
in haar palm staat gegrift: eens, éénmaal zult gij doden langs de Maas aan de brabantse kant.

Wanneer het U gaat zoals het mij ging, toen ik de eerste keer dit aangrijpende gedicht las, hebt U niet direkt lust om verder te lezen. Het zegt- immers alles wat er gezegd moet worden en het doet dat zoals alleen een groot kunstenaar dat kan.
Maar het is nu eenmaal zó dat minnaars van het schone, of dat nu bloemen, muziekstukken, schilderijen of gedichten zijn, elkaar graag laten delen in hun bewondering ..
Daarom graag nog even Uw aandacht.
Om te beginnen, de titel. Die heeft een dubbele zin. Doden is immers een werkwoord en een meervoudig zelfstandig naamwoord. Beide betekenissen gelden hier. Er is sprake van het doden en er wordt over gestorvenen gesproken.
Het eerste vers is een inleiding. Er zijn er onder de gestorvenen die je maar het liefst snel vergeet. Zwaarddragers. Ze doen bij de herinnering nog pijn. Maar er zijn ook gestorvenen, die geen naam hebben gemaakt en die je toch zo graag nog eens zien zou. Ze zijn als een stuk zachtheid, dat je kwijt bent.
De dichter denkt aan haar, die hem te levenseten gegeven heeft. Zijn moeder. Hij denkt ook aan die zwaarddrager, die S.S.-man.
Had hij hem eigenlijk wel mogen doden? Er staat toch maar in de wet van de Heere: Gij zult niet doden. Het zesde gebod, in de R.K. vertaling, het vijfde. De dichter is van aard helemaal geen man om tot zoiets te komen. Hij wilde juist geen onrecht doen. Bonam pugnam pugnavi, ... ik heb de goede strijd gestreden ... maar juist dat heeft hem in die situatie gebracht. Het is ook niet meer ongedaan te maken.
En het valt ook niet meer te vergeten. 't Gebeurde immers in zijn goed brabants land, het land waar hij woont en werkt, In Escharen, dat aan de smalle rivier de Raam ligt, is alles begonnen.
En vlak bij Oss, in Ravenstein, aan de brabantse kant van de Maas valt het schot en is de dode begraven. Het lid-teken blijft branden: Als hij zijn hand bekijkt weet hij het: die hand schoot.
Die "vreedzame" hand, noemt hij haar. Daardoor voel je de spijt van deze mens. En de vraag; waarmee hij is blijven rondlopen: Waarom, waarom moest dat mij overkomen?
De laatste regel zegt iets over de oplossing die de dichter gevonden heeft: 't Stond gegrift in mijn handpalm.
Wat heeft deze gebeurtenis hem aangegrepen. Het schreit uit elke versregel.
In de laatste maanden van de bezetting komt daar nog de angstige spanning bij over het welzijn van zijn vrouwen zijn kinderen.
In het eerste nummer van het literaire maandblad "Ten Beste" vertelt Wouter Lutkie hoe hij, direkt na de bevrijding, hem aantrof. "Ik word bij de burgemeester binnengeleid, Louis de Bourbon. Arme kerel.
Wat is hij onrustig, verstrooid, nerveus. Hij verkeert in angst omtrent het lot van zijn gezin. Vorige week heeft hij getracht een koerier erheen te zenden, deze is niet teruggekomen. Hij lijkt een gebroken man."
Gelukkig is hij spoedig met vrouwen kroost verenigd en doet hij zijn werk weer. Echter niet lang.
Op 26 mei 1946 legt hij een verklaring af waarin hij o.m. zegt: "Ik ben tot de overtuiging gekomen, dat volharding op de weg der ambtelijke carrière betekenen zou een steeds verder afwijken van de kern van mijn persoonlijkheid".
Hij is, net als de dichter Ed. Hoornik, niet meer losgekomen van het kwellende gevoel een toeval1ig overlevende te zijn uit de tweede wereldoorlog.
Ook zijn geloof, hij was streng rooms-katholiek, heeft een verandering ondergaan.

In zijn boekje "Samenspraak met Arthur" vertelt een vader zijn zoon het één en ander over het familiegeheim: "Wij beiden behoren tot die kleine schare van ongelukkigen of, zo je wilt van uitverkorenen die ergens vóór dit leven het bloeien hebben gezien van de grote droom en nimmer kunnen genezen van die herinnering." Maar Arthur vraagt: "De weinigen, wier droom boven dit leven staat, kunnen zij het geluk niet vinden in den opgang naar God?"
Er was tussen hen een Lange, drukkende stilte. Dan begon de vader weer te s:preken en hij herhaalde dat woord als om de beklemming ervan te bezweren: "God, ik aarzel over Hem te spreken. Wat weten wij van Hem? Maar als Hij het beginsel is van alle leven, dan is Hij ook het beginsel van den nooddruft dier weinigen. En als in ieder mens ook een vonk leeft van Zijn wezen, dan brandt in hen een vlam die hen voortjaagt door het leven naar een geluk, dat niet van deze wereld is. Dan Arthur, gaat hun opgang tot God dezelfde schroeiende weg als dat onstilbaar verlangen, waarover wij hebben gesproken."
In wat hier wordt gezegd klinkt nog de twijfel, hoor je de zoeker nog.
In een later geschreven gedicht "Ad Finem" (Tot het einde) dat hij opdraagt "Aan mijn erfgenaam" is hij veel positiever in het afwijzen van het geloof. Het eindigt:

Neem je een vrouw en laat 't vriezen ... dooien
sluit de gordijnen rond je eigen lot,
geniet je jeugd en wees je eigen god,
en laat de doden zorgen voor de doden.

Ik denk dat dit advies aan zijn erfgenaam alleen maar bewijst dat hij nog lang niet los is van zijn vroegere overtuiging. Juist zij die niet leven kunnen zonder de liefde van God in hun leven, en in het leven van anderen te zien, juist diegenen die zich stuk lopen op de gebrokenheid, reageren zo fel.




Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief