WIE IS VAN HOUT? (2 - slot)
1973-03-02
Nu in de tweede plaats: welke weg ter genezing schrijft Foudraine voor. Het allerbelangrijkste is: te weten dat die idioterie nog zo idioot niet is, maar een zeer menselijke reactie. Op het titelblad staat de spreuk: Two roads diverged in a wood and I .,. I took the one less travelled by and that has made all the difference. (Twee wegen liepen uitéén in een bos: ik nam de minst begane weg: dat is het hele verschil.) Daarom heeft het zin te praten, lief te hebben, de ander te laten voelen dat hij iemand is om lief te hebben.- Jaargang 17
- nummer 9
Het opbouwen van goede menselijke contacten, praten en vasthouden, dat is het eerste.
Het tweede wat hij benadrukt is, dat een mens voor ziekte niet onverantwoordelijk is, maar voor deze afwijking wel. Ook iemand met een konsekwent afwijkend gedrag is een verantwoordelijk mens en moet leren dat te beseffen en verantwoordelijkheid te dragen en niet te vluchten in de veilige "geborgenheid" van zijn patiënt-zijn of "gedragspatroon", niet te vluchten in passiviteit of fantasie.
Hier vooral komt Foudraines kritiek in op de gangbare inrichtingen, hij heeft daar zelf waargenomen hoe het idee dat schizofrenie een ziekte is, de mensen maakte tot onverantwoordelijke mensen die zich heerlijk happy voelden in hun rol als patiënt. Deze inrichtingen en gemeenschappen kunnen gaan functioneren als een warm holletje. In Chestnut Lodge waar hij werkte waren patiënten die er al 25, 18 en 14 jaar waren en die op hun wenken bediend werden, dank zij het feit dat zij zich gek gedroegen!
Foudraine heeft dat ontleed. Hij zegt: ja toen ze kwamen, kwamen ze niet zonder reden, er waren diepe afwijkende verschijnselen, wanen, agressies etc. Maar toen ze er waren vonden ze de bescherming van die plaats zo fijn dat ze zonder veel moeite volhardden in een vast afwijkend gedrag waardoor zij één ding in ieder geval bereikten en dat is dat zij mochten blijven! Geestes-záak zijn wordt dan een rol die zij spelen. Eerste, primaire acute afwijkingen gaan veranderen in 'n secundaire nieuwe permanente afwijkende gedragingen! Lees blz. 442.
Daarom, zo benadrukt Foudraine moet een psychiatrische inrichting met 1 uur praten en voor de rest van de dag liggen en verpleegd worden, veranderen in een "therapeutic community", een heilzame gemeenschap waarin langzaam aan ieder lid verantwoordelijkheden gaat dragen en ook iedereen elkaar helpt. Heel die kloof tussen zgn. zieken en zgn. gezonden moet verdwijnen en ieder lid moet leren zijn eigen verantwoordelijkheid te dragen.
Alleen langs die weg kan het eigen-ik zoals hij noemt verstevigd worden, tot het ook in staat wordt zelf te dragen en de angst voor de buitenwereld te overwinnen!
Deze Therapeutische gemeenschap zou hij liever een levensschool noemen voor mensen met problems in living (problemen hoe ze moeten leven).
Maar, en dat leidt ons tot het derde: zelf heeft Foudraine aan eigen lijf ondervonden hoe ook deze therapeutische gemeenschappen vaak geen echte hulp kunnen bieden en zelfs ook weer veranderen kunnen in een warm holletje.
Dat komt omdat in zo'n gemeenschap het probleem niet kan worden opgelost daar waar het ligt, nl. thuis in het gezin, in het huwelijk, in de werksituatie etc.
Een Therapatische gemeenschap kan de problemen niet oplossen daar waar zij liggen, nl. in die buitenwereld van gezin, staat en maatschappij.
Van hieruit komt Foudraine uit bij wat hij de voorlopige oplossing vindt, namelijk dat de Therapeutische gemeenschappen alléén functioneren als een tijdelijk asyl, een tijdelijk toevluchtsoord, maar dat toch de voornaamste zorg moet liggen gewoon, in de velden waar problemen kunnen rijzen, door in het gezin, en in de fabriek, of in het huwelijk de dingen uit te praten en elkaar te begrijpen en ook voort te helpen. Mensen met bijzondere gaven om dit te doen, - en dat hoeven geen medici te zijn - die zouden wat hij noemt daarbij ambulante hulp 1) moeten verlenen, Overigens, als eenmaal duidelijk is dat het hart van de problemen ligt in een "veld" - in een gezin - in een fabriek - in een maatschappij, dan wordt duidelijk dat diepe oplossingen alleen dáár kunnen komen waar maatschappij en gezin veranderd worden.
Dat is het laatste en het vierde punt: verbeter de maatschappij en het gezin. Dan voorkom je noden! Dat is het eigenlijke punt waar Foudraine uitkomt en Laing op door gaat. (Vgl. de problematiek op de sociale academie "De Horst".) Op dit punt treedt dan ook kritiek in.
We begonnen met: "He is a most peculiar man because he was not friendley and he did not care - is de nood van de 'most peculiar man' wel tot in de diepte gepeild als wij zeggen dat de fout ligt in de gebroken intermenselijke verhouding?
Zit daarachter niet iets nog diepers, nl. een gebroken relatie met God?
Er zijn mensen geweest die door alle mensen verstoten werden, en van wie toch gold: he was friendly and he did care.
Wij kunnen die vraag ook anders stellen: nl. positief: is het werkelijk zodat een mens zijn identiteit leert vinden in de verhouding tot de medemens? Zodat er pas dan een gevoel van eigenwaarde en zelfrespect kán Zijn als medemensen iemand als iemand, die uniek is behandelen?
Daar zit heel veel waars in, maar is het de totale waarheid?
Ligt onze identiteit alléén in de verhouding tot de ander met een kleine letter?
lik wil hier nu eens niet de bijbel citeren, maar twee grote gestalten uit de geschiedenis.
Augustinus zei in zijn "Confessiones": "Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig totdat het rust vindt in U!" En Calvijn begint zijn "Institutie" met te zeggen: "De kennis van God en de kennis van ons-zelf zijn ten nauwste met elkaar verbonden en hangen onderling samen."
Het staat vast dat de mens nooit tot een zuivere kennis van 'zichzelf kan komen tenzij hij eerst Gods aangezicht aanschouwd heeft en van diens aanblik afdaalt tot het beschouwen van zichzelf. Daarom is er maar één die ons werkelijk kan helpen om onze identiteit te vinden - te vinden wie ben ik eigenlijk - en dat is Christus die mij God doet kennen zoals Hij is en van Hem uit ook aan mij de ware kennis geeft van mij-zelf, nl. gevallen Koningskind!
Hoe diep de analyses van Foudraine's boek ook gaan, het gaat nog niet diep genoeg. Want wie de breuk alleen ziet in de intermenselijke verhoudingen, slaat de weg in van een verborgen humanistisch optimisme dat er met gezamenlijke ingezette sociale veranderingen nog heel wat te redden valt. ' De vraag is hier: hoe kun je zonder een absolute norm, zonder een archimedisch punt beoordelen wie er buitensporig gedrag heeft om het grof te zeggen: wie gek is en wie niet.
Als er een formatie vliegtuigen boven ons hoofd vliegt en één vliegtuig vliegt uit de formatie: because he is not friendly and he does not care, wie zal dan beoordelen, zolang wij zelf mee vliegen, of die éne uit de koers vliegt of die hele formatie een verkeerde richting neemt? Kunnen wij, zelf mee vliegend, een criterium daarvoor vinden behalve dit: dat de leefwijze van de meerderheid wel de meest juiste zal zijn ... ?
Wij kunnen pas dan werkelijk fouten aanwijzen, èn in het ene vliegtuig dat afwijkt en in de hele formatie, als wij zelf er buiten staan als er één stilstaand punt is van waar we van buiten af het geheel kunnen overzien, b.v. als we op de grond staan en nu beide richtingen beoordelen.
Die vaste grond is. alleen te vinden in God Zelf en in de structuur die Hij aan de wereld gaf - en in de bedoeling waarmee Hij ons er op init stuurt. De bijbel en de bijbelse normen zijn de stafkaart die wij als piloten voor ons hebben als wij de stuurknuppel hanteren.
Intussen, en dat is het laatste, het is wel zeer verbazend dat in dit boek een deskundig psychiater toch tastend zoekt naar die oplossing voor een gebroken wereld, die de bijbel zelf ons wijst, nl.: die van een gemeente, die inderdaad functioneert, zoals ze bedoelt is, nl. als lichaam van Christus.
De 'therapeutlc community' van Foudraine is de geseculariseerde gemeente.
Foudraine zelf is de geseculariseerde zielzorger. Gemeenten en zielzorgers zonder God! Daarmee confronteert ons dit boek met één van de grootste tekorten in de kerk van vandaag - nl. dat er een schrijnend gebrek is aan echte gemeenschap.
Het werpt ons weer terug op het N.T. om opnieuw te lezen en herlezen wat God daar leert over hoe een gemeente moet zijn. (1 Cor. 12 :) "Zoals een lichaam één is en vele leden heeft, zó ook Christus. In dat lichaam heeft ieder een plaats zoals God die gewild heeft."
Het is onze opdracht om diè plaats zèlf te vinden, geen grotere te willen en geen kleinere en ook om die plaats voor anderen te bereiden, anderen een plaats als lid te bereiden en onder die andere vooral aan die 'most peculiair man'.
1) ambulante hulp: is hulp aan huis.