ERFENIS DELEN
1973-03-02
Wat zijn daar toch veel uitdrukkingen in omloop, die een erfenis aanduiden.- Jaargang 17
- nummer 9
Bij regenweer zeggen we: goed weer om een erfenis te delen. Wanneer iemand beweert een ander goed te kennen, is er altijd wel iemand die vraagt: heb je al eens een erfenis met hem gedeeld?
Want goed kennen doe je iemand pas, als je met hem een erfenis hebt gedeeld!
En, als er gekibbeld wordt om aardse goederen, luidt de slotclausule: die het langst leeft erft alles. Ook in de Bijbel komen woorden als erfelijk bezitten, delen, erfdeel, erfenis, erfgenaam, honderden malen voor.
Meester, vroeg eens iemand aan de Heiland, zeg mijn broer dat hij met mij de erfenis moet delen. En daar hebt u het probleem. Voorgelegd aan een objectieve, gezaghebbende buitenstaander, een arbiter zogezegd. Want wanneer belangen van nabestaanden met elkaar in strijd komen, zoeken alle partijen naar een bevoegde uitspraak.
Hoewel van ouds af regels hebben bestaan voor de rechtmatige verdeling van nalatenschappen, zijn die regels, en hun meervoudige exegesen, altijd oorzaak geweest van conflicten. Of eigenlijk: door die regels werden de formules voor familieruzies gevonden.
Want ook ruzies verlopen meestal volgens spelregels. De begerigheid is er ook zonder nalatenschappen wel maar bij het openvallen van een erfenis (dat is: bij het dichtvallen van geliefde ogen) kristalliseren zich die begeerten vaak tot egelstellingen, die levenslang overeind worden gehouden.
Wanneer u wel eens met geldzaken, met familieboedels en met executele (dat is de afwikkeling van een erfenis) te maken hebt, glijden de voorbeelden u uit de mouw. Zelfs bij best bekend staande families kan op weinig hartverheffende wijze worden gevochten.
Terwijl omgekeerd bij onontwikkelde zielen de verdeling van een erfenis soms door het domste familielid mag worden geregeld.
Er was eens een erfenis in Zwitserland te delen. Ieder van de kinderen kreeg een goed stuk land. Alleen een ellendig stuk land, bezaaid met rotsblokken, bleef over. Dat wilde niemand hebben. Mijn zegsman, een arme schoolmeester, besloot dat hij en zijn vrouw dit stuk dan maar als souvenir moesten aanvaarden: één moest toch de minste zijn, dacht hij. Maar enkele jaren later had een nieuwe krachtcentrale uitgerekend dat slechte stuk land nodig voor het aanleggen van een stuwmeer. De schoolmeester kon elke prijs bedingen en was in één dag rijker dan al zijn familieleden, En ziedaar. Al zijn familieleden verzamelden zich in zijn huiskamer en zeiden: je wilt toch niet op je eentje zo'n enorm voordeel uit de ouderlijke erfenis vasthouden? Eerlijk delen hoor! - Hij vertelde het mij, ongeamuseerd, als een stukje levenservaring. Ik vroeg hem ongelovig: maar u hebt die meevaller toch niet met hen gedeeld, wel? - Och wat moet je, zei mijn gastheer, of had u levenslang ruzie met uw familie willen hebben?
Het kan ook anders, gelukkig. Mij kwam een geval ter ore, waar familieleden bij de verdeling algemeen zorg hadden om de afwezige zuster: dat die niet tekort zou komen. Zo iets is hartverwarmend. Maar het is een blijde uitzondering op een droeve regel: dat ieder zichzelf het naast is; en dat dit met de thermometer van het geld te meten is. Meestal zegt men: die er niet is wordt niet geteld.
En een excuteur-testamentair die, zelf medeerfgenaam zijnde, alle anderen voorrang gaf teneinde niet de schijn te wekken dat hij van zijn positie misbruik zou maken, werd door die anderen vanzelfsprekend in de achterbak gezet: hij mocht alles regelen - de anderen mochten alles kiezen.
Dat herinnert u aan die Perzische vorst, wiens land onder twee zoons moest worden verdeeld. Kent u het verhaal? Hij regelde zijn nalatenschap als volgt. De oudste zoon kreeg het recht, alles in twee porties te delen.
De jongste zoon kreeg het recht van de eerste keus. Voelt u hem?
En daarmee komt de hoofdgedachte voor dit artikel: wilt u dat uw kinderen elkaar niet levenslang nijdig aanzien, zorg dan dat uw stoffelijke goederen tijdig verdeeld zijn. In overleg met hen, voorzover mogelijk. Wie bij zijn leven iets wegschenkt, krijgt tenminste dankjewel te horen. Is de erfenis eenmaal opengevallen, dan is de reactie meestal: is er niet meer?
De enige wijze, waarop men na zijn dood nog rechtens iets kan regelen is in een testament.
Dat is een uiterste wilsbeschikking, door een notaris opgemaakt, niet tegen het burgerlijk wetboek ingaande en ingeschreven in het centrale testamentenregister. Weliswaar bestaat naast het testament nog de mogelijkheid van een zogenaamd codicil - een eigenhandig geschreven en ondertekend stuk, waarbij slechts enkele ondergeschikte zaken kunnen worden geregeld - maar het testament is de belangrijkste vorm van "spreken na zijn dood". Geen enkele bewering als "dat was mij beloofd!", of: "dat had ik destijds zelf geschonken", heeft enige zeggingskracht; tenzij de andere erfgenamen er allen mee accoord gaan. Onnodig te zeggen, dat ieder het recht heeft van tijd tot tijd zijn testament te herroepen en te veranderen.
Dat tijdige verdelen. Het is niet zo, dat men "zich moet uitkleden voordat men naar bed gaat" - zoals de term 'luidt voor iemand, die alles weggeeft en zijn einde in armoede tegemoet gaat. Die verdeling kan ook zo geregeld worden, dat .iedere betrokkene ermee accoord gaat, maar dat er pas uitvoering aan wordt gegeven na het overlijden van de erflater.
Dat voorkomt veel tragisch toneelspel. Er zijn rijke erftantes geweest, die haar laatste jaren verwend werden door liefhebbende neven en nichtjes, allemaal even dol op haar.
Zo lang tante goed bij haar positieven is, doorziet ze dit spel wel - al profiteert ze er geamuseerd van. Maar omgekeerd zijn er ook rijke erflaters geweest, die met een luchtige verwijzing naar een geheim testament alle potentiële erfgenamen voor zich lieten draven; waarbij de laatsten de truc niet doorzagen!
Ik heb een vriendelijke heer gekend, die levenslang een aangetrouwde tante had gehuisvest.
Toen zijn eerste vrouw helaas overleden was en de goede man tevens meende van tante af te zijn - bleek tante nog een andere nicht te hebben; en neef hertrouwde met deze nicht-plus-tante. Vóór tante overleed liet ze haar neef (het was hartje oorlogstijd) een trommel met gouden tientjes in de tuin begraven. Haar spaarpotje - voor neef bedoeld. En neef vond, dat hem dat ook wel toekwam. Maar toen tante enkele maanden later plotseling overleden was ... kwam neef radeloos bij me: de trommel met gouden tientjes was weg!
Toen heb ik hem geadviseerd: ga eens zoeken in de tuin op al die plaatsjes, die vanaf haar zitje bij het raam in het oog vallen. Ze heeft wellicht de eerste keer alleen maar de trommel laten begraven, om te zien hoe je dat doet. Daarna nam ze het zekere voor het onzekere: ze heeft de trommel opgegraven en een nieuw plaatsje gegeven, - Neef hield het hoofd koel, ging voor het raam zitten, vond enkele geschikte plekjes en groef de trommel met goud op. Een verhaal voor een boek. Maar aangezien het echt gebeurd is, mag het deze keer in uw weekblad.
Een Joodse notaris vertelde me, dat hij schatrijk geworden was, doordat al zijn familieleden dn de oorlog waren omgebracht. Met alle deernis voor zijn verliezen schemerde mijn respect voor zijn vermogen toch ongemerkt door. Hij scheen het te zien en zei: you cannot take it with you, je kunt het niet meenemen. Het doodshemd heeft geen zakken, zegt de volksmond. We bezitten alles maar tijdelijk.
Daar zit nog Iets in: dat wij maar rentmeesters zijn. In het oudtestamentische grondrecht was men slechts vruchtgebruiker: men erfde de opbrengsten van een land, maar het eigendom bleef aan de Heere. Dat herinnert me aan een Friese notaris. Zijn familie bezat geweldig veel antiek Fries zilver, compleet met wapens, monogrammen en herinneringen.
Om nu te voorkomen, dat dit familiebezit bij verdeling aanleiding tot familieveten zou geven, en tevens om te voorkomen dat een verarmd familielid zijn portie zilver te gelde zou maken - bedacht die notaris een slim plan. Hij bracht alle zilver samen in een stichting, een zogenaamd "leen". Volgens het stichtingsstatuut kregen bepaalde erfgenamen bepaalde delen van het familiezilver levenslang in bruikleen. De eigendom bleef aan de stichting, het leen. Er kwam geen ruzie van. Er werd nooit successiebelasting betaald. En er werd op niemands dood gewacht.
Misschien is het goed, in deze welvaartstijd, dat we leren te bezitten als niet-bezittende.
Dat we rentmeesters zijn van Gods goederen.
Van Hem is het zilver, van Hem is het goud, mitsgaders het vee op duizend bergen.
En dat we tijdig onze kinderen de spelregels van het rentmeesterschap leren; zo nodig met hulp van een tijdig opgemaakt testament.