Hoe stond het met het "Geestelijke leven"

1973-03-02
  • Jaargang 17
  • nummer 9
In de eerste decenniën van deze eeuw was het "gereformeerde volksdeel", vooral in de kaders van de daardoor in het leven geroepen organisaties, tot grote aktiviteit gekomen en nam het in kracht en invloed steeds toe. De gereformeerden waren onder de hypnose van Kuypers rusteloze aanvallen op zijn tegenstanders militant geworden. De jongeren zongen enthousiast dat zij "in fierheid" de vijand "de handschoen voor de voet" wierpen! Onweerstaanbaar was de gereformeerde volksgroep naar voren gedrongen en veroverde in het publieke leven post na post.
Maar hoe stond het met het leven achter die zichtbare buitenkant?
Wat was achter de indrukwekkende etalage verborgen?
Hoe stond het met het Geestelijke gehalte van het leven?
Anders gezegd: hoe was het gesteld met de vreze des HEEREN, het ootmoedig wandelen met God, het als arme zondaren leven uit Gods genade door een oprecht geloof in Jezus Christus?
Ik wil daarover een aantal uitspraken van tot oordelen bevoegde tijdgenoten uit de Gereformeerde Kerken van die dagen citeren.

Allereerst een woord van Bavinck.
Deze "zoon der Afscheiding" was reeds in het begin van deze eeuw allesbehalve gerust over wat er in dat opzicht onder de gereformeerden viel te bespeuren.
Hij spreekt ergens over een paar Schotse theologen - de Erskines - en zegt dan o.a. dat deze krachtens hun visie op het Verbond op persoonlijke bekering, op persoonlijke verbondssluiting en verbondsvernieuwing aandrongen.
"Lidmaatschap van het volk en van de kerk, het ontvangen van de tekenen en zegelen des verbonds is niet gen oog. Het komt op persoonlijke bekering aan. Het verbond moet waarheid worden in eigen hart en leven". Dat aandringen op persoonlijke bekering gaf z.i. aan de Schotse prediking een religieus karakter en een praktische strekking. "Zij beweegt zich altijd tussen de beide polen van zonde en genade, van wet en evangelie. Ze daalt enerzijds af in de diepten van het menselijk hart, neemt zonder sparen alle bedekselen en voorwendselen weg, waarachter de mens zich voor de heiligheid Gods verbergt, en stelt hem in zijn armoede en ledigheid voor Gods aangezicht ten toon; maar dan komt ze anderzijds ook tot de alzo verslagene van geest met de beloften des Evangelies, plus de rijkdom daarvan uit, beziet ze van alle zijden en past ze toe op alle omstandigheden des levens".
Voor Bavinck is nu het zorgwekkende dat dit alles in de gereformeerde volksgroep zo veelszins ontbrak. Dat men dit alles niet echt kènde.
Men merkte dat vooral ook aan de stichtelijke lectuur, de christelijke romans en verhalen die op de markt werden gebracht. En Bavinck spreekt dan dit scherpe oordeel uit: "De geestelijke zielekennis wordt er in gemist. Het is alsof wij niet meer weten wat zonde en genade, wat schuld en vergeving, wat wedergeboorte en bekering is. In theorie kennen wij ze wel, maar wij kennen ze niet meer in de ontzaglijke realiteit van het leven".

Een andere kritikus van de ontwikkeling van het gereformeerde leven was de in ons vorige artikel genoemde ds H. Hoekstra.
Deze wees er in een rede, gehouden voor de Gereformeerde Jongelingsbond, op, dat de christenen, voor zover de Here dat voor hen in deze wereld beschikt, voor zover God hun "daartoe opening geeft" en voor zover "eens ieders bizondere roeping en opnemingsvermogen reikt en strekt" zich creatuur1ijke gaven als vernuft, uitvindingen, energie, geld, macht, aanzien, wetenschap, kunst mogen toeeigenen.
Maar, zo gaat hij dan verder, “alle schuchterheid van vrome en tedere zielen op dit punt is wel te verstaan en heeft een zeker recht. Er is geen twijfel aan, of ook in onze Christelijke en Gereformeerde kringen openbaart zich reeds de schaduwzijde, die er, vanwege de zonde van ons hart, doorgaans verbonden is aan dit zich eigenen door Gods valk. Zeldzaam is het, dat wij op dat pad niet uitglijden, En hoe het in deze over een halve eeuw met Gods volk in ons land zal staan, kan niemand zeggen, Maar dat de vreze des Heren en het geestelijk leven er niet op vooruit gaat, voelt ieder".
In verband met de strijd welke de gereformeerden zo dapper voerden in kerk, staat en maatschappij wees Hoekstra er op dat die gevoerd moet worden met wapens die overeenkomen met de heiligheid en de waarheid van de zaak. Maar, zo vraagt hij, "zou er in dit opzicht wel niet een kanker bij ons ingeslopen zijn?
Vindt het wel niet enige ingang onder ons, wanneer men met weinig kennis van zaken en weinig degelijkheid een toon aanslaat, alsof men de diepten van hemel en aarde heeft doorgrond?
Draagt het een en ander van het in onze kringen besprokene en geschrevene niet meer het karakter van kwakzalversmarktgeschreeuw, dan van degelijk, wel doordacht en waardig werk?
Neemt onder ons de zucht om reclame te maken, ook voor eigen persoon en belang, door middelen die er op aangelegd zijn om botte duiven te vangen, niet onrustbarend toe? Staat onze Christelijke pers werkelijk hoog en edel? Is ze alleszins betrouwbaar, en gespeend aan het bevorderen van persoonlijke doeleinden? Word; er wel niet lof en blaam uitgedeeld met aanzien des persoons? Is alle konkel- en coteriegeest ons vreemd? En houdt men wel niet zijn hart vast over de oppervlakkigheid, de opgeblazenheid en geestelijke verwildering, die in onze kring wel veroorzaakt is door de politieke tournooien met onze tegenstanders onder klinkend debat?"
Met grote ernst dringt Hoekstra er dan op aan Christus aan te doen om bij zijn licht, met een behoeftig hart, in Hem onze vrede met God vindende, Godvruchtig te wandelen. Zo alleen kunnen wij sterk zijn in de goede strijd.
In welke richting Hoekstra's gedachten gingen bij zijn taxatie van het leven van het gereformeerde volk waarmee hij zich innig verbonden voelde en welke zorg hem daarbij vervulde, blijkt bizonder duidelijk uit een merkwaardige uitspraak die te vinden is in een rede die hij in 1913 in Utrecht hield. Hoekstra sprak deze uit bij de herdenking van het feit dat het daar voor vijf en twintig jaar onder zijn leiding tot "Doleantie"
was gekomen.
Hij zegt daarin namelijk: "Ik zou zo gaarne gezien hebben, dat degenen die geestelijk gevoed waren met Kohlbrügge's werken zich mede hadden laten opnemen in het leven der Gereformeerde Kerken. Dit is slechts sporadisch op enkele plaatsen geschied. Zij zijn ook een stam in Israël. Het ingaan op het Woord Gods, (de vet gezette woorden zijn van Hoekstra!) met ter zijde stelling van alle menselijke gedachten, eigenwilligheden en gevoelsdobberingen, het doen vallen van alle hoogheid des mensen, ook van de gelovige en bekeerde mens, voor de majesteit Gods en de volheid van de genade van Christus, is een element dat ons zeer nodig is. Persoonlijk voel ik aan de geschriften van Calvijn, Kuyper en Kohlbrügge grote verplichting.
Het ware dunkt mij goed, als de laatste ook meer bij onze Geref. Predikanten bekend ware!"

Wat er in het gereformeerde volk leefde trad vooral in hte licht tijdens de eerste wereldoorlog.
Het materialisme - de jacht naar oorlogswinst - nam soms erge vormen aan. Grof egoïsme tierde dikwijls midden in de nood van die dagen.
Van een Schriftuurlijk toetsen van en zich verzetten tegen de gruwel van de oorlog en de daden der oorlogvoerenden was weinig te bespeuren.
In grote meerderheid was het gereformeerde volk pro-duits. En in navolging van Kuyper werd ook het schandelijkste onrecht dat het rijk van Wilhelm II ten opzichte van België bedreef goed gepraat. Van een echt christelijke politiek besef ten opzichte van de buitenlandse verhoudingen en gebeurtenissen was weinig te bespeuren. En wat moest men dan denken van het gehalte der politieke aktiviteit ten opzichte van het eigen volk? Ja, van heel de religieuze, de geestelijke gesteldheid van het gereformeerde volk?
In onlosmakelijk verband met het genoemde stond een zeker pragmatisme, een oppervlakkig practicisme dat al meer het leven wit beginselen verdrong. En de levensstijl werd, mee ten gevolge van de toenemende welvaart, steeds wereldser.

Het was Sikkel die deze onheilspellende gang van zaken doorzag en week in week uit opriep tot bezinning en bekering.
Wij leven in een overgang, zo schreef hij. In een principiële overgang. We zijn al een eind door de wissel heen! En wat is het meest ontroerende daarvan? Neen, dat is niet, "dat velen hieronder nog niet ontroerd zijn, maar slechts loom voortmarcheren achter de trom. Oeh, dát kon wel terecht komen. En juist omdat die bredere schare zó maar mee te nemen is met gladde trommelslagers, is de oude wortel er nog niet uit, al ligt die tnans dor. Het echte vuur smeult hier nog wel onder de as. En als straks de ziel van dit volk zal te grijpen zijn, om naar de betekenis en het gezag van de Christus en van Gods Woord te vragen - dan zal wel van velen de zielekreet zijn: "Voor de Here en voor zijn Woord!" Geen mensendienst, maar waarachtig en geheel dienen van God alleen! - Als dat volk dan maar niet zelf te veel verleefd is, werelds geworden, los van Gods Woord. De valse praktijk en stelling in de heiligmaking werkt zo verfoeilijk" .
Het meest ontroerende van de overgang is voorts "ook niet dat onder hen, die als meer verantwoordelijken en principiëel dieper geleden hier de wacht hebben te betrekken, niet slechts kleinmoedigheid en vrees maar ook aarzeling, twijfeling en verdonkering verzwakkend werken".
Neen, het méést ontroerende in de fatale overgang in het gereformeerde leven is, "dat steeds meerderen, praktisch vooral, voor hun hart, voor hun geweten, voor hun geloof, en zo ook eindelijk voor hun overtuiging, en voor hun willen en bedoelen nu, door de wissel heen zijn. Ze zeggen dan nog zo wat van 'Gemene Gratie'. Maar ze zeggen niet minder duidelijk, dat Gods Woord (als men de Schrift dan zo nog noemen wil) voor voor Gods volk (die goede, oude term) is, namelijk dan voor hun godsdienstigheid, op apart godsdienstig terrein; - maar dat het voor het wereldleven met al wat daartoe behoort geen gezag heeft en daar ook helemaal niet voor is.
Dáár zijn we op algemeen terrein; dáár geldt slechts het algemene; en dáár moet men ook met niets anders komen. Ze zijn door de wissel heen! Alleen: zij moeten als eerlijke mannen de naam van 'Calvinistisch' en 'Gereformeerd' loslaten. "Absalom! mijn zoon Absalom! Absalom! mijn zoon! mijn zoon!"

Een tijd eerder had Sikkel reeds geklaagd: "In kennen, in belijden, in Schriftstudie en in prediken is veelszins een magerheid en armoedigheid gekomen die ontstelt. De klacht groeit almeer dat een echt Gereformeerde zich onder spreken van Gereformeerden hier en daar, particulier en in publiek optreden, ja, ook onder de kansel meer dan bij uitzondering gevoelt als in een vreemde omgeving, in een andere lucht, onder een andere toon en een andere taal, - zo mager, zo arm, zo oppervlakkig, zo anders dan bij het gespierd Calvinisme. Zo anders dan in de heldere, diepe, machtige wateren der Schrift! Zo haast niet onder de greep der apostelen en profeten; onder het getuigenis van de Geest des Heren; onder de Naam van de verhoogde Christus; onder het Woord van de levende God. Van anderen, die een degelijk Gereformeerd leven gekend hebben, wordt geklaagd, dat ze in een omgeving van spelonk-kilheid, 'bij waterig, schier zielloos preken en bidden, onder een toon en spreekinhoud als die we voor 30 en 40 jaar uit de Hervormde kringen ontvloden, slaperig op hun gemak geraakt zijn, - als waren ze dáár thuis, waar de Gereformeerde bazuin stoot opzettelijk wordt vermeden en vervangen door het mondorgeltje, dat niemand roert.
Wij klagen niet aan. Maar wij klagen. Wij klagen uit lijden. Uit veler lijden. Ach - we zijn God zij geloofd! - zo anders opgekomen".
Mochten vele gereformeerden menen dat zij het heerlijk ver hadden gebracht, Sikkel is van een radikaal tegenovergesteld gevoelen, "Nu waren we er, zo meenden velen. Nu waren we veilig en vast op de goede weg. We hadden nu Gereformeerde Kerken en Gereformeerde bediening des Woords, We hadden Christelijke en, - zij het ook met enige weerzin, - Gereformeerde Scholen. We hadden Gereformeerde Gymnasia, een Gereformeerde Theologische School, en zelfs een Gereformeerde Universiteit.
En immers een Calvinistische Partij en Calvinistische politiek? Nu waren we er. Waren we er nu? Of moesten we er nu en zo komen? Was het juist zo gekomen, omdat we er niet waren, omdat we er ver van af waren, en in hope, dat we er nu zó nog eens komen zouden? - Hoe 't zij, we waren er niet en we zijn er niet".
Sikkel zag de toestand waarin de gereformeerde volksgroep verkeerde somber in. "Voor mij staat het vast", zo schreef hij in zijn bewogen brochure 'In heilige Roeping' - "en reeds lange tijd, al wilde men er niet van horen! dat heel ons optreden, onze gemeenschap en ons leven op Gereformeerde grondslag door zeer ernstig gevaar en met ondergang bedreigd wordt
in Kerk en School, in Maatschappij en Staat, principiëel, en daarom ook praktisch. Het leven en daarom de arbeid onder ons, waarachtig en alleen uit het heilig beginsel der waarheid Gods, onverminkt, zoals Calvijn dat grijpen mocht, is in de wortel bij meerderen zwak en verzwakkend, en kwijnend, - in plaats van gloeiend en dieper indringend; terwijl men naar buiten praktisch allerlei uitbreiding en aansluiting zoekt. Daarmee gaat voor mij noodzakelijk het oordeel Gods uit over ontrouw en onwaarachtigheid, - en daarom over dat leven en die werking naar buiten.... Komt er niet door Gods genade machtiger drijving uit de wortel van het onverminkte Gereformeerde beginsel, - en spoedig! - dan dreigt de Universiteit, in wat het hoofddoel is van haar stichting en bestaan, fiasco te maken, - al moge zij naar de gewone maatstaf bij andere Scholen niet achter staan.
Dan zinken de Gereformeerde Kerken van Christus voor volk en wereld aangaat, in oppervlakkig, zichzelf-behagend, blind separatisme weg".

Zo sprak Sikkel. Maar men luisterde niet naar hem.
Zijn weekblad "Hollandia" waarin hij week in week uit zijn profetisch woord naar zijn gereformeerde broeders liet uitgaan verdween omdat het geen voldoende klankbodem meer vond.
In het laatste nummer ervan schreef hij als zijn laatste woord daarin: "In plaats van te mogen roemen op doorgaande Gereformeerde ontwikkeling is, dunkt mij, eerder te klagen over ontwijken of afwijken der Gereformeerde beginselen, voor praktische overwegingen, voor persoonlijk of gemeenschappelijk succes, voor belang van groep of organisatie, of voor neigingen tot meer algemene aansluiting of tot andere beginselen. Wij staan in het teken van de mens, meer dan in het teken van de ere Gods. Ik zal niet verder zeggen, wat ik voor de toekomst vrees. Mijn hart is en blijft trouw aan de Gereformeerde Kerken en aan onze stichtingen en organisaties, - maar allermeest aan God en zijn Woord. Maar in die trouw leeft de kommer.
Het gaat om God, om de Christus en Gods Woord, om de Gereformeerde Belijdenis;'.

Ja, zo sprak Sikkel.
En is het niet, vooral in de laatste jaren, op angstwekkende wijze gebleken dat zijn woorden ten volle profetisch waren?


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief