De vrijheid in Christus (2)
1973-03-09
Het is met de christelijke vrijheid heel anders gesteld dan met vrijheid naar wereldse opvatting. Volgens de laatste houdt vrijheid in de beschikking hebben over je zelf. Niemands onderdaan zijn. Daarin werkt het Griekse ideaal van de vrijheid, zowel in politieke als wereldbeschouwelijke zin opgevat, door. Maar met de christelijke vrijheid staat het radikaal anders. Ze is vrijheid van zonde, wet en dood, doordat we niet meer over onszelf beschikken willen, maar ons aan Jezus Christus overgegeven hebben en in het geloof Hem als onze Heer hebben aanvaard.- Jaargang 17
- nummer 10
Dit werkt zich nu uit naar tweeërlei kant.
Enerzijds brengt dit mee een hardnekkig verwerpen van alles, wat die gebondenheid aan Christus schaadt of in gevaar zou kunnen brengen. Een streng vasthouden dus aan de vrijheid in religieuze zin, met strijd tegen alles, wat zich zou willen indringen tussen Christus en ons. We zien dat aan de apostel Paulus. Hij verwerpt met kracht en een voor hem ongemene felheid de binding aan de wetten van Mozes als een religieuze aangelegenheid.
Wil een Jood zich laten besnijden om Jood te blijven, lid van het Joodse volk, het is hem goed. Besneden te zijn of niet besneden te zijn, dat laat hem onverschillig.
Want besneden te zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wèl het onderhouden van Gods geboden, 1 Cor. 7 : 19.
Maar wanneer de besnijdenis geëist wordt als een stuk van 's mensen godsdienst, als een stuk van de weg der zaligheid, dan verzet Paulus zich tot het uiterste, want dan komt de christelijke vrijheid als vrijheid van de wet, van de verplichting tot zelfverlossing in geding. Daarvoor heeft hij zelfs de eenheid der kerk op het spel gezet, toen hij weigerde Titus te laten besnijden en dat met het oog op de binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden en zo ons tot slavernij te brengen.
We zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan, opdat de waarheid van het evangelie ook verder bij u zou blijven, Gal. 2: 3-6.
Aan de andere kant is Paulus in het staan in de christelijke vrijheid ver van alle krampachtigheid; inderdaad werkelijk vrij. Hij schrijft aan de Corinthiërs: hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen, 1 Cor. 9: 19. Zo is hij den Joden geworden als een Jood (in het zich houden aan Joodse wetten) om Joden te winnen, vers 20.
Het eten van vlees, dat in Corinthe allemaal aan de afgoden gewijd was, is voor Paulus geen probleem. Wat wij eten, zal ons niet bij God brengen; eten wij niet, wij zijn er niet minder om, eten wij wèl, wij zijn er niet meer om, 1 Cor. 8: 8. Er waren echter in Corinthe zwakke broeders, die in hun geweten nog niet los van de afgod waren en meenden, dat het eten van vlees hen met de afgoden in verbinding bracht, vers 7. Ze voelden zich dan schuldig en kwamen zo tot twijfel aan hun aandeel in Christus. Als mijn vlees eten een zwakke broeder daartoe brengen zou, dan wil ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, schrijft Paulus, vers 13. Daar is in 'heel zijn optreden voor wat de christelijke vrijheid betreft, dus geen enkele krampachtigheid: als het geloof in Christus maar niet in geding is!
Daarin toont hij zich een goede leerling van de Meester zelf. Eens kwamen de ontvangers van het hoofdgeld 00 Petrus toe en vroegen ze hem: Hoe zit dat toch? Betaalt uw Meester het hoofdgeld niet? Dat hoofdgeld was de tempelbelasting, die door elke Israëliet vanaf z'n 19de jaar moest worden betaald.
Jezus ontkent dat Hij verplicht zou zijn dit hoofdgeld te betalen. Hij is immers Zóón van God en zelfs aardse koningen heffen geen belasting van hun zonen. Jezus is dus vrij van deze belasting. Maar Hij gebruikt die vrijheid niet. Als Hij erop stond, zouden de inners van deze belasting uit misverstand en onkunde kunnen menen dat Hij de tempel minachtte. Daarom laat Hij Petrus via een door een wonder verkregen zilverstuk het hoofdgeld betalen, Matth. 17 : 24-27.
In de Bijbel komt de christelijke vrijheid niet voor als een gegeven, waarmee de christen zichzelf dient en siert. Hij weet zich daarmee dienstbaar aan de Here en de broederschap.
Vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid, schrijft Paulus aan de Romeinen, Rom. 6 : 18.
Dat is de reden dat alle krampachtigheid in het bewaren van die vrijheid ontbreekt. In die vrijheid levend kan men in de gemeente elkaar een heel eind tegemoet komen, zonder angst z'n rechten en bevoegdheden te verliezen; zonder angst z'n vrijheid te verspelen.
Want die vrijheid stelt ons juist in de gelegenheid, geeft ons màcht elkaar te dienen en zelfs van eigen rechten om wille van de ander geen gebruik te maken. Wie niet werkelijk door Christus is vrijgemaakt, is nog een gebondene, een gevangene... van zichzelf, van zijn zelfhandhaving. Hij zal de ander niet tegemoet kunnen komen, integendeel hij zal onwrikbaar staan op wat hij zijn rechten acht, zijn "vrijheid". Dat kan voortkomen uit eerzucht, uit angst, uit gevoel van minderwaardigheid, dat hem prikkelt tot zelfhandhaving, maar het is allemaal gebrek aan vrijheid in Christus. Hij gaat dan over de verkregen vrijheid beschikken als een eigen bezit.
In hun kerkordelijk leven hebben de kerken van de Reformatie zich aan elkaar verbonden in deze christelijke vrijheid. In de Roomse Kerk hadden ze geleerd dat daarop een aanslag kan worden gepleegd, ja, dat de gelovigen daarvan kunnen worden beroofd in een proces van afval en valse leer met daardoor een eigenwillige kerkelijke organisatie.
Daartegen hebben ze zich verzet in art. 32 van hun Nederlandse Geloofsbelijdenis. Ook in het eerste artikel van de Emdense Kerkorde, op de eerste synode van de Nederlandse kerken. Ze wezen daarin alle heerschappij van kerken en van ambtsdragers over elkaar af.
Maar hoezeer ze de kerkelijke tyrannie afwezen, ze hebben staande in hun christelijke vrijheid de geloofsband erkend in een kerkverband om elkaar te dienen en te helpen en samen vast te houden aan de zuivere leer van Christus, aan de Waarheid, die vrijmaakt, Joh. 8: 32. Dat kerkverband werd geregeld !in een Kerkorde, waarin de dingen, die de consciëntie aangaan met Gods Woord bevestigd moesten worden, maar van de regelingen, die de orde der kerk betroffen of middelmatig waren, zeiden ze op de vraag van "die van Keulen", dat deze tot zulk een noodzakelijkheid niet gedreven moesten worden. 1) Zo wisten ze van de mondigheid van de Nieuwtestamentische gemeente en van hun christelijke vrijheid, bevrijd als ze waren van alle Roomse wetticisme. Ze hebben het Evangelie niet opgevat als een nieuwe wet, die weer net als in het Oude Testament de gelovigen onmondig kon houden door tot in details toe alles vast te leggen in geboden en voorschriften. Daarom hebben ze óók niet een kerkorde gemaakt die maar enigszins geleek op het Roomse kerkelijke wetboek met z'n onvoorstelbare hoeveelheid van kerkelijke wetten, maar alleen geregeld wat voor die tijd noodzakelijk leek om de eendracht te voeden en te onderhouden: een monument van de christelijke vrijheid in de geloofsbinding aan elkaar. En uitdrukkelijk spraken ze in het laatste artikel van de kerkorde uit: deze artikelen, de wettelijke en behoorlijke orde der kerken betreffende, zijn alzo met gemeen akkoord gesteld, dat ze, zo de nuttigheid der kerken het eist, veranderd, vermeerderd en verminderd mogen en behóren te worden. Dat was staan in de Nieuwtestamentische vrijheid en mondigheid, echter zonder te vervallen in willekeur. Daarom vervolgt dit artikel dat geen kerk dit zou mogen doen op eigen houtje, maar dat het alleen gezamenlijk zou dienen te gebeuren in een synodale vergadering.
Het heeft niet aan de kerkorde gelegen dat later meerdere vergaderingen zich een macht hebben aangematigd die hun niet toekwam en dat er zo tyrannie ontstond, iets waarop ds Vonk in zijn toelichting op art. 32 N.G.B. heeft gewezen. Daardoor werd inderdaad de schone afspraak bij het vrijwillig aangaan van onderlinge verbandsoefening in 1571 maar al te droef vergeten, pag. 181 en werd "het tegendeel bereikt van wat de kerken bedoeld hebben toen zij in de 16e eeuw vrij en zelfstandig met elkaar 't accoord aangingen naar zulke regels te leven."
Maar dit is geen instantie tegen kerk verband en kerkorde. De zonde in de harten kan 'alles bederven en in zijn tegendeel verkeren wat in zichzelf goed en nuttig is. God heeft de Overheid gegeven om te staan in Zijn dienst, ten goede van de onderdanen, Rom. 13 : 4. Menigmaal is de Overheid tyranniek opgetreden, heeft zij de goeden onderdrukt, de bozen vrij spel gegeven. Maar daarom wij st een christen de Overheid als zodanig niet af en kiest hij niet voor de anarchie, de regeringloosheid en de ordeloosheid.
We zijn tot vrijheid geroepen. Gal. 5 : 13.
Die roep komt tot ons in het Evangelie van het Nieuwe Verbond, niet des letter, maar des Geestes, 2 Cor. 3: 6. De Here nu is de Geest en waar de Geest des Heren is, is vrijheid, vers 17. Dat moeten we goed verstaan.
Waar de Geest wijkt, daar kan zondige tyrannie de kop op steken en komt de vrijheid in gedrang, met of zonder kerkorde. In een plaatselijke gemeente èn in het samenleven van de kerken. Een synode, een congres, een convent, het kan allemaal even tyranniek zijn, als de Geest des Heren niet de harten vervult. Waar de Geest des Heren echter is, daar is de ware vrijheid, een vrijheid, die we niet proberen uit te buiten voor onszèlf, maar waarin we elkáár dienen door de liefde, Gal. 5: 13.
1) Acta particularia, Cap. I, 2, in F. L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synode der zestiende eeuw.