Avontuur van toetsen en pijpjes
1973-03-09
- Jaargang 17
- nummer 10
Intonazione Intonazione, toon-aanreikertje. Als het goed is ziet u ergens in deze buurt een orgeltje afgebeeld, dat ik heb gemaakt voor een kinderzanggroep.
Van tijd tot tijd doet dat groepje zingend en spelend mee in de erediensten van de gemeente, waar ik deel van uitmaak. Mij werd gevraagd er eens iets over te schrijven voor Opbouw. Ik realiseerde me, dat de lezers van dit blad niet per definitie muziekliefhebbers zijn, laat staan orgelfanatici. Het moest dus wel iets meer worden dat een muzikaal en technisch informatief verhaaltje.
Niet zozeer een verantwoording, maar een inventarisatie, waar nu ook de minder muzikaal-geïnteresseerde lezer misschien iets aan heeft. Maar het betoog moet wel in een aantal delen uiteenvallen. Laat ik het maar een suite noemen.
Preludio
Ieder mens die gelooft en de tijd waarin hij is geplaatst met open ogen en oren beleeft, weet van bergen en dalen, van een plus- en een min-pool, die een nooit tot rust komend spanningsveld produceren, waarin hij zijn weg moet trachten te vinden. Periodiciteit behoort tot het leven. De bijbel, met name een boek als Prediker, leert ons dat als onvermijdelijk te aanvaarden. Ik citeer dr C. Rijnsdorp uit "Wij zijn de vaders" (Kampen, 1972), van wie ik denkelijk veel zal leren.
Ergens in dat boek maakt hij o.m. deze twee kernachtige opmerkingen: dat het geen tijd meer is voor grijsbemoste torens en stille kloosterhoven (al is het misschien goed dat er reservaatsgewijs wat van in stand gehouden wordt) en: dat het geloofsleven anderzijds niet in handelend optreden opgaat.
Daartussen in lees ik - en dat is precies wat ik bedoel - "Maar behalve een chronologische afwisseling is er een blijvende, structurele spanning tussen activiteit en passiviteit in het leven van de kerk en van de individuele gelovige".
Het is nodig dat ik hier even op doorga.
Die structurele, zeg maar ingebakken spanning komt dunkt mij voort uit het feit, dat wij mensen er chronisch moeite mee hebben om enerzijds steeds weer onbevangen te luisteren naar het oude Woord en tegelijkertijd te werken met het nieuwe gereedschap dat de Geest ons nu aanreikt. Misschien zien we toch het Woord en vooral, de daaruit afgeleide - door tijd en omstandigheden bepaalde - documenten als té statisch en de Geest té weinig als dynamisch. Zo zou het kunnen worden verklaard, als wij zelf de polen hebben verwisseld en daarmee in een krachtveld zijn terechtgekomen, waarin we soms meer tijd besteden aan puinruimen dan aan bouwen.
Een verlammende situatie. De Geest waait ondanks alles waarheen Hij wil en ik ben zeker niet de enige die wel eens het gevoel heeft nogal wat windvlagen te missen.
Het is de wereld in de kerk. Dr Rijnsdorp elders: "Onuitroeibaar schijnt de neiging het historisch gewordene te legitimeren."
Terug naar het individu. Gelukkig zijn er, net als in de tijden van het oude en nieuwe testament, nog altijd dichters. Voor mij bestaat dat geluk o.m. hierin, dat ik bij hen in een paar woorden lees, wat ik zelf nauwelijks zou kunnen verwoorden. Alsof het afgesproken werk was lagen er ten tijde van mijn voorbereiding op dit artikel twee bundels van Hans Bouma onder handbereik. En daar stond het! Wat ik in het voorgaande heb aangeduid, werd me in die bundels aangereikt in bewoordingen die elke redenering te boven gaan. Ik citeer eerst uit "Met het geloof op de tong" (Den Haag, 1962), Bouma's Psalm in mimeur:
De Heer is mijn herder,
maar mij ontbreekt veel,
want ik geloof wel in Zijn staf,
maar niet in Zijn kudde,
wel in Zijn stem,
maar niet in het geblaat,
wel als een zwart schaap op een afstand
maar niet van nabij als één op het droge.
Schaap op het droge: het doet denken aan gemummificeerd geloof, op de bank gezet in de loze veronderstelling dat het onaangeroerd wel rente op rente kweekt. Ik kan me in die persoonlijke ontboezeming wel vinden. Er is oudtestamentische proza dat de desillusie van hen, die toen al uitzagen naar "de wederoprichting aller dingen", in krasser termen uitdrukt.
Merkwaardig is dat ik de tegenpool vond in een recenter bundeltje van dezelfde dichter, dat onder de zoveel kritischer klinkende titel "Wennen aan de aarde" is uitgekomen (Kampen, 1967). Van alles wat me daarin trof citeer ik dit:
de zon
in het water
zien schijnen
de hemel
lacht
door z'n tranen heen.
In het eerst-aangehaalde gedicht zat het negatieve venijn in de staart. Maar hier zit het positieve medicijn in de kop. Het lijkt niet meer te zijn dan een inval, een vernuftige woordspeling, Maar die veertien woorden staan op de bodem van de titel: Regenboog.
Dat maakt duidelijk waar het over gaat: het evangelie in een van de beeldrijkste oudtestamentische verkondigingen: Ik ben met u, omcirkeld met alle kleuren van de wereld. Remedie tegen bijziend geworden ogen en verstopt geraakte oren, ook nu.
Improvisatie op een gegeven motief
Wie bereid is zijn persoonlijk functioneren in de gemeente kritisch onder ogen te zien komt uit bij de vraag: wat doé ik? In mijn geval betrof dat niet primair het uitstralen naar buiten, maar het reflecteren naar binnen.
Ik had het tenslotte nauwelijks verder gebracht dan een waardeloze handlanger van de commissie van beheer. Maar er rolde mij onverhoeds een andere taak voor de voeten.
Een bevriende muzikale ouderling, die al erg veel voor de jeugd had gedaan, richtte een kinder-zanggroepje op. Doel: deze 10-15-jarigen de kans geven van tijd tot tijd eens actief betrokken te worden bij het gebeuren in de eredienst. En passant stopte hij er een paar kinderen uit zijn klas bij, die muzikaal wel alles meehadden, maar van huis uit geestelijk nogal ondervoed waren. Met wat blokfluitjes en slaginstrumentjes studeerde hij het ene nieuwe lied na het andere in: berijmde schriftwoorden, evangelie-op-noten, een selecte keuze uit al het materiaal. Als het "cantorijtje" bij bijzondere gelegenheden optrad speelde het met de predikant onder één hoedje en zo ontstonden er diensten, waar zelfs notoire "randgevallen" op afkwamen en waarin het heil in z'n meest elementaire vorm, maar dan ook in alle kleuren van de regenboog, werd verkondigd en bezongen. Dat gaf mij de beslissende impuls. Orgelbouw was al twintig jaar m'n grote liefde en tien jaar daadwerkelijk hobby. Naast m'n eigen orgel had ik ook nog een reeks andere toetsinstrumenten gebouwd. Welnu, kennis, ambitie en ervaring waren in die situatie ondubbelzinnig de "gereedschappen", die mij werden aangereikt.
Twee winters heb ik er me er aan gewijd en sindsdien bepaalt het orgeltje mede de "sound" van het intussen alweer verjongde zanggroepje "Cantiek", nu voor het derde seizoen. En het avontuur houdt niet op, de inspiratie blijft, tot het zingbaar maken van een oude tekst en het speelbaar maken van een oud melodietje toe.
Finale (scherzo voor kenners en Liefhebbers)
Wat maakt het ambacht van muziekinstrumentmaker zo boeiend? Vast staat, dat er technisch en artistiek zoveel voor komt kijken, dat niemand ooit echt volleerd raakt.
Dat is één aspect. Maar niet minder belangrijk is, dat dit ambacht twee "heren" dient.
Elk goed gemaakt instrument streelt niet alleen het oor, maar ook het oog. Zo ergens dan geldt hier: de inhoud bepaalt de vorm.
De geschiedenis van het orgel heeft orgelmakers, orgelbouwers, orgelfabrikanten en orgelmonteurs aan het werk gezien. Gelukkig is de wacht nu weer afgelost door bouwers (met wie ik bedoel vakbekwame ondernemers, die wel de conceptie van hun produkten volledig beheersen, maar het meeste werk door specialisten laten doen) en makers (vaklieden, vergelijkbaar met de vroegere gildemeesters die met meer of minder knechts in principe alles zelf doen).
Zo iemand kunt u worden, als u wilt: orgelmaker( tje), of nog beter: orgeltje-maker.
Dat kleine instrumentje zit n.l. onwaarschijnlijk simpel in elkaar. Ieder, die van latten en triplex een poppenhuis kan maken, kan volgens het procedé van dit ontwerp ook een orgelpijp maken. En wie er 1 kan maken, kan er ook 42 of 54 en veelvouden daarvan maken. Als er een tabel met de essentiële maten voorhanden is (en die is er), is het alleen een kwestie van tijd en geduld. Elk oud harmoniumklavier, dat wurmvrij (te maken) is en met wat nieuw vilt of laken rammelvrij wil worden, is er goed voor. Windlade met cancellen? Zit er niet in, alleen een windkast met ventielen, recht boven de toetsen (dus ook geen wellenbord of wippermechaniek). Magazijnbalg en drukregelaar? Komen er niet aan te pas. Het mini-windmachientje blaast regelrecht van zich af en daar kan zonder meer driestemmig mee worden gespeeld, in de hogere oktaven ook méérstemmig. Toen ik dit eenmaal proefondervindelijk had vastgesteld liep ik twee verplaatsbare vol-professionele orgeltjes tegen het lijf, waarin het precies eender toeging!
In de loop van de jaren heb ik n.a.v. publikaties over mijn instrumenten nogal wat correspondentie ontvangen en daaruit is me gebleken, dat er veel mensen rondlopen met de wens zelf met het bouwen van een orgel( tje) aan de slag te gaan. Maar het probleem is steeds weer, dat ze wel boeken weten waarin staat hoe men een kerkorgel bouwt - en daar hebben ze zo goed als niets aan - en soms ook boeken en brochures over kleine orgels wel kennen, maar dat dáár weer niet in staat hoe men een positief of portatief in de praktijk kan maken.
Toen Gerrit Vellekoop, de nu juist-gepensioneerde directeur van de landelijke Vereniging voor Huismuziek, mijn orgeltje eens zag en hoorde, was hij op slag overtuigd. Het gevolg was dat hij een enthousiast artikeltje in zijn mededelingenblad schreef met foto's erbij en toen kon ik er niet meer onderuit een complete bouwtekening te maken, die inmiddels bij de ware liefhebbers wat men noemt "in het pulletje" is gevallen.
Nog even wat technische bijzonderheden.
Het bouwplan (1 : 1) voorziet in een orgeltje (portatief mogen kenners zeggen) met één stem, een enggedekt 8, omvang G - CS (42 toetsen). Aangegeven is hoe de omvang kan worden vergroot en hoe er met toepassing van dezelfde pijpentabel een open fluitje 2 bij kan worden gemaakt, dat via een simpel te construeren sleepje naar believen kan meedoen of zwijgen. Ik heb die 84 pijpjes (op de allerkleinste na) gemaakt van 4 mm triplex en een "rug" van vurenhout, met labia van bladlood en orgelmetaal. Het geheel heeft aan materiaal nog geen f 300,- gekost. Desgewenst wil ik de tekening leveren voor de destijds voor de leden van "Huismuziek" vastgestelde prijs van f 15,-, inclusief druk- en portokosten. Er zijn er, die hun avontuur van toetsen en pijpjes al met veel voldoening hebben beleefd en zich met hun koninkje der muziekinstrumenten alle prinsen en prelaten te rijk voelen. De aangeboden muzikale handreiking komt het snelst tot stand wanneer het genoemde bedrag wordt overgemaakt op mijn postrekening nr. 19139 *)als er maar bijstaat: bouwplan orgeltje (er is ook nog een bouwplan spinet dat net zo weinig kost, vandaar).
Brieven met vragen worden altijd met genoegen beantwoord, maar die mèt zegel-voorantwoord het eerst.
Van al wat ik ieder die dit heeft gelezen en mezelf toewens tot slot alleen dit: dat het niet zo afloopt als met die organist, waar Hans Bouma ook een raak gedicht aan heeft gewijd. Vrij weergegeven: de man stapelt climax op climax, galoppeert in oktaafsprongen van hoog naar laag, waant zich bijna hemelbestormer, "om tenslotte beneden in de kerk uit de toon te vallen". Zulk talent is een beter doel waard!
*) Jan Burema, Hilversum, oktober 1972 (Bonnikestraat 62).