Zijn arbeiderskinderen dommer dan andere kinderen?

1973-03-09
  • Jaargang 17
  • nummer 10
In een voorafgaand artikel zagen we dat uit een onderzoek van enkele jaren geleden blijkt dat arbeiderskinderen naar verhouding minder geschikt zijn voor het voortgezet onderwijs dan kinderen uit andere milieus. De vraag is dan hoe dat komt en of dat te verhelpen is.
De belangrijkste oorzaak van deze achterstand is wel de kortsluiting tussen het milieu enerzijds en de eisen die de school aan de kinderen stelt, anderzijds. De waarden en houdingen die het arbeiderskind van huis uit meekrijgt en zich eigen maakt, zijn blijkbaar niet dezelfde als die het onderwijs veronderstelt.
De ouders of de buurt staan vaak negatief tegenover het onderwijs en het kind krijgt dan niet voldoende stimulans om zich te ontplooien, b.v. omdat er helemaal geen boeken in huis zijn. Ook de taal, die de kinderen thuis leren, verschilt van die van school: het is als het ware een ander dialect, waardoor het arbeiderskind de taal van de onderwijzer niet voldoende begrijpt of althans niet in die taal kan antwoorden. En omdat verwacht wordt dat het kind zich aanpast aan de school en niet omgekeerd, is het schoolsucces soms gering. Veel kinderen verlaten vanwege deze ongunstige achtergronden het onderwijs dan ook zo spoedig mogelijk.

De volgende vraag is: wat valt er te doen aan deze kortsluiting tussen school en milieu?
Belangrijke maatregelen, die er in de zestiger jaren genomen zijn, betreffen het opstellen van zogenaamde compensatieprogramma's, die de achterstand van het arbeiderskind moeten opheffen. Dergelijke compensatieprogramma's zijn o.a. opgesteld in Amerika, Engeland en ook Nederland (Enschede, Amsterdam en Rotterdam, het zogenaamde Grandiaproject).
Die programma's beogen zowel het kind als het milieu waarin het wordt opgevoed, zo de beïnvloeden, dat de kortsluiting tussen school en milieu verdwijnt. Onderdelen van zo'n programma zijn: buurtwerk, huisbezoek aan de gezinnen en individuele hulp aan het kind. Een belangrijk en vooral de aandacht trekkend onderdeel is taalcompensatie dat tot doel heeft de vaardigheid van de kinderen om de taal van de school te hanteren en te vergroten.
Bij die taalcompensatie zat er echter een belangrijk addertje onder het gras. Aanvankelijk ging men er namelijk van uit, dat arbeiderskinderen een gebrekkige taal vaardigheid hebben en dat ze daarom ook gebrekkig denken. Als men dus de taalvaardigheid zou kunnen vergroten, zou ook het denkvermogen zich ontwikkelen. Op de grondslag van deze gedachte zijn toen in Amerika de taalcompensatieprogramma's opgesteld, vooral voor de negerkinderen uit de armoedige wijken van de grote steden.
Na enige jaren bleek echter, dat die taalcompensatieprogramma's vrijwel geen succes hadden. Eén van de opstellers ervan, de psycholoog Jensen, trok daaruit de conclusie dat dit gebrek aan taal- en denkvermogen grotendeels verklaard moet worden uit erfelijke factoren in plaats van uit de sociale achtergronden.
Er valt volgens hem aan de arbeiderskinderen.
die het op school niet redden, niet zoveel te verbeteren, omdat ze nu eenmaal door hun erfelijke aanleg benadeeld zijn. En aangezien in Amerika arbeiderskinderen meestal negerkinderen zijn, impliceert dit dat de gemiddelde neger door erfelijke factoren minder intelligent is dan de gemiddelde blanke.
Nu is het inderdaad zo, dat intelligentie te maken heeft met erfelijke factoren. Maar de vraag is nu juist: hoe belangrijk is die erfelijke factor? Verklaart die 80% van het verschil in intelligentie, zoals Jensen stelt, of zijn ook de milieu-invloeden erg belangrijk?
En is er dus vrijwel niets te doen aan die problemen van arbeiderskinderen?
Iemand die terecht in verzet kwam tegen deze taalcompensatieprogramma's en de conclusies die Jensen trok uit het mislukken ervan, is de Amerikaanse taalsocioloog Labov.
Hij laat zien dat de negerkinderen, waar Jensen het over heeft, hun taal uitstekend beheersen. Maar het probleem is dat hun taal niet het standaard-Engels is, maar het neger-Engels, dat we als een dialect van het Engels kunnen beschouwen. Labov wijst er op dat de opstellers van taalcompensatieprogramma's uitgingen van de gedachte dat die kinderen nauwelijks kunnen spreken. Maar in feite waren de onderzoekmethoden fout. Men vergat dat die kinderen gewoon dichtklappen tegenover blanke volwassenen, die een ander dialect (het standaard-Engels) spreken. Bovendien hebben ze geleerd, dat alles wat ze zeggen, tegen hen gebruikt kan worden. Deze kinderen werden ook vragen gesteld als: Wat is dit?, waarbij b.v. een auto werd aangewezen, waardoor ze gingen twijfelen aan het verstand van de onderzoekers: wisten die dat niet eens?
Labov pakte de zaak heel anders aan. Hij deed onderzoekingen in de negerwijk van New York met een onderzoeksteam bestaande uit mensen, die in die buurt geboren waren en dus het plaatselijk dialect en de plaatselijke gewoonten en cultuur kennen. Het lukte deze onderzoekers uitstekend, de kinderen aan het praten te krijgen door zich te gedragen als één van hen en eerst het vertrouwen van de kinderen te winnen. Ze bleken over een uitstekende taalvaardigheid te beschikken. Maar het probleem is dat het een taalvaardigheid is, die zo op school niet kunnen gebruiken.
Bovendien toonde Labov aan, dat de kinderen waar het om gaat, uitstekend kunnen denken. Hij analyseerde daartoe o.a. twee gesprekken over het bestaan van God, één met een jongen uit de middenstand en één met een jongen uit de arbeidersklasse. De laatstgenoemde jongen blijkt zijn redenering minstens even logisch op te bouwen.
De conclusie uit dit alles is, dat die Amerikaanse negerkinderen uitstekend kunnen spreken en denken maar een taal spreken die verschilt van die van school. Ze moeten a.h.w. een tweede taal leren als ze naar school gaan. Maar dan moeten ze eerst gemotiveerd worden om die taal te leren en zelf het belang ervan inzien. Daar ligt het grootste pedagogisch probleem. Vergelijkbare problemen doen zich voor op sommige scholen in o.a. Amsterdam.
Het is van groot belang dat men in het onderwijs ervan doordrongen is dat het spreken vim een ander dialect dan het Algemeen Beschaafd Nederlands niet duidt op een onderontwikkeld taal- en denkvermogen. De houding van de onderwijzer t.o.v. het kind is nl. medebepalend voor het schoolsucces van het kind. Dit blijkt uit een onderzoek van Rosenthal en Jacobson. Ze namen een intelligentietest af en zeiden vervolgens tegen de onderwijzers, dat ,ze van een aantal kinderen Uit de klas - die ze willekeurig kozen - veel plezier zouden beleven, omdat die de hoogste intelligentie hadden. Dat was echter niet waar en de intelligentietest werd dus gedeeltelijk als misleidingstruc gebruikt. Na een poosje bleek dat de door hen willekeurig aangewezen kinderen inderdaad de beste resultaten behaalden. Dit wordt als volgt verklaard: Wanneer een als intelligent bestempeld kind een slecht resultaat behaalt, zal de onderwijzer redeneren: ik heb het zeker nog niet goed uitgelegd, of: de stof is erg moeilijk.
Maar als het kind als dom bekend staat, zal hij de oorzaak van de slechte resultaten bij het kind zoeken en niet bij zichzelf of de aard van de stof. De gedachte dat arbeiderskinderen dom zijn, wordt op die manier een zichzelf vervullende profetie en die gedachte is dus zeer gevaarlijk.
Over het effect van compensatieprogramma's in het algemeen (buurtwerk, gezinsbeinvloeding e.d.) is nog weinig bekend, omdat het langlopende projecten zijn. Het Grandiar project in Rotterdam b.v. duurt tien jaar.
Conclusies op dit punt kunnen dus nog niet worden getrokken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief