Amerika en Europa: Tweespalt of eendracht?

1973-03-09
  • Jaargang 17
  • nummer 10
"Enthousiasme, vooruitgangsgeloof en onwrikbare overtuiging dat de Amerikaanse remediën overal werken, moeten plaats maken voor begrip van historische lijnen, rangschikking van onze voorkeuren en bovenal voor begrip van de verschillen welke onze voorkeuren kunnen uitwerken". Nuchtere, zo niet ontnuchterende woorden van Henry Kissinger in een van zijn essays over de Amerikaanse buitenlandse politiek.
Hij schreef deze opstellen nog voordat president Nixon hem benoemde tot zijn speciale adviseur voor kwesties betreffende de nationale veiligheid. Reden voor ons om in dit artikel in te gaan op een paar aspekten van de Amerikaanse buitenlandse politiek.

Kennedy en Johnson hadden schone dromen en idealen, maar we moeten inzien dat Amerika niet alles kan, zo wil Kissinger eigenlijk zeggen. In de Amerikaanse geschiedenis is deze spanning tussen idealisme en realisme voortdurend zichtbaar. Ons land moet een voorbeeld zijn in de wereld, zeggen de idealisten. De onafhankelijkheidsverklaring betekende niet alleen vrijheid voor eigen land, maar eveneens een hoopvolle verwachting voor héél de wereld, zo verklaarde eens Abraham Lincoln, een van 's lands grootste zonen, Wie kent niet die plannen van Wilson en Roosevelt, wie kent niet hun dromen van Volkenbond en Verenigde Naties?
Wie heeft geen weet van Amerika's hulp aan Europa na die verschrikkelijke tweede wereldoorlog?

• Nixon

Dan zijn er ook realisten. Bij hen staat het machtsevenwicht centraal. Je kunt weliswaar grootse plannen maken, maar uiteindelijk telt alleen de uitslag. In deze lijn stelt zich blijkbaar president Nixon op, getuige de keuze van zijn medewerkers en' getuige zijn ideeën.
De presidentiële plannen krijgen voor ons vastere vorm als we zijn enkele jaren geleden verschenen beleidsboodschap: "Amerika's buitenlandse politiek voor de zeventiger jaren" onder de loep nemen.
Vergeleken met de onmiddellijke na-oorlogse situatie is er heel wat veranderd, aldus Nixon. West-Europa en Japan hebben zich uit de verwoestingen opgewerkt tot nieuwe krachtcentra in de wereld. Er is niet langer sprake van een eensgezind, gesloten kommunistisch blok, Rusland en China zijn sinds lange tijd geen beste vrienden meer, zo zij dit al ooit geweest zijn. De Sovjet-Unie is militair niet langer inferieur aan de Verenigde Staten. Speelden zon tien tot vijftien jaar geleden de "politieke levensbeschouwingen", de ideologiën nog een zeer sterke roI - denk aan de koude oorlog - nu is dit niet meer in die ma te het geval.
Uit deze overwegingen trekt Nixon enkele konklusies, Een van de belangrijkste luidt: Amerika is bereid vrienden en bondgenoten bij hun ontwikkeling en verdediging bij te staan, maar het zal en kan niet langer meer alle plannen alléén maken, evenmin als het nog alléén voor de verdediging van de vrije landen zorg dragen zal. Zo’n belangrijk beginsel wordt in het politieke leven een doktrine genoemd. De zojuist genoemde uitspraak noemt men dan ook wel: de Nixondoktrine.
We kennen er uit de Amerikaanse geschiedenis nog enkele van: bijvoerbeeld de Truman-doktrine, die zich richtte tegen kommunistische inmenging en op grond waarvan Amerika geldelijke en militaire steun toezegde aan regeringen die om deze reden hulp en bijstand vroegen. De Roosevelt-doktrine beoogde tegen de fascistische vijand een dam op te werpen. Hieraan dankt West-Europa zijn hulp in de tweede wereldoorlog. Kortom: door zulke politieke vuistregels geeft Amerika aan vriend en vijand te kennen wat zijn centrale doelstellingen zijn en welke politieke situaties het wil voorkomen, Omgekeerd kunnen de andere landen ongeveer voorspellen hoe de koers zijn zal en hierop hun beleid afstemmen.
Terug naar de Nixon-doktrine, die in de genoemde beleidsboodschap ook wel geformuleerd wordt als: "vrede eist partnership".
Echte partners, echte deelgenoten dienen lief èn leed met elkaar te delen.
Ten tweede eist vrede ook kracht. Zwakheid onzerzijds zou anderen mogelijk tot gevaarlijke misrekeningen kunnen verleiden.
Zolang anderen onze vitale belangen bedreigen, moeten we sterk zijn.
Tenslotte vereist vrede onderhandelingsbereidheid.
In samenwerking met de bondgenoten, verzekerd van onze kracht, zullen we proberen op allerlei terrein met andere staten overeenstemming te bereiken, konflikten te reguleren en rivaliteiten te overwinnen.
Dit zijn de drie peilers, de drie grondbeginselen van Nixon's buitenlandse politiek.

• Kissinger

We verwisselen weer eens van spoor en gaan op de lijn Kissinger verder, zoals hij deze trok in zijn bundel essays. De internationale wereld heeft behoefte aan een nieuwe orde. De stabiliserende elementen van het internationale systeem van de vorige eeuw: zoals een veelheid van - ook in militair opzicht - grootmachten, een stabiele technologie en grenzen die aanpassing toelieten, kunnen we niet meer herscheppen. Het ordebegrip dat de Verenigde Staten de afgelopen twintig jaar hanteerde bleek onvoldoende, bleek te eenvoudig, Amerika baseerde zijn aktiviteiten op de veronderstelling dat technologie samen met bestuursbekwaamheden de Internationale wereld zou kunnen veranderen en het ging er van uit dat dit binnenlandse wijzigingen in de pas onafhankelijk geworden landen teweeg zou kunnen brengen.
Maar de wereld is te zeer veranderd dat deze opvatting nog sukses zou kunnen hebben.
De tijd dat de twee grootmachten alles voor het zeggen hadden lijkt voorbij. Juist omdat deze twee in militair opzicht de onbetwiste meesters waren, voelden vele andere landen - vooral de pas onafhankelijk geworden staten - zich door de rivaliteit van deze supermachten beschermd. We kunnen het ook anders zeggen: de militaire bipolariteit moedigde aan tot politieke multipolariteit.
Maar er zijn nog meer oude dingen voorbijgegaan.
In heel de geschiedenis werd militaire macht steeds als een zeer hoog ideaal gezien.
Maar wat doe je tegenwoordig nog met militaire vermogens? Hoe zet je dit vermogen om in een effektief militair beleid? Dit is een probleem op zich zelf geworden. Een radiozender kan een doelmatiger pressiemiddel zijn dan een eskader B-52 bommenwerpers!
Vietnam is hier een mooi voorbeeld van. Het bovengenoemde heeft ook verreikende konsekwenties voor het denken over het machtsevenwicht.
Vroeger werd de macht van grote mogendheden vooral bepaald door de hoeveelheid grondgebied waarover men heerste.
Spanje, Nederland en Engeland beschikten toen over werelddelen. Ook dit is verleden tijd. Kissinger noemt als voorbeeld China.
Dit land verwierf met zijn beschikkingsmacht over nukleaire wapenen meer invloed, dan wanneer het geheel Zuidoost-Azië veroverd zou hebben. Op deze wijze komt Kissinger tot de konklusie dat er heel wat veranderen moet in de defensie- en buitenlandse politiek.
Vele van zijn ideeën kan men terug vinden in Nixon's beleidsboodschap.
Bij dit alles hebben we dan nog niet eens Vietnam vermeld. Een zwarte bladzijde in de Amerikaanse historie. Het geloof in de morele superioriteit van zijn samenleving, het zendingsgeloof, de idee van een nationale roeping voor de wereld, dit alles is zwaar geschokt door de Vietnamese kwestie. Daar komt nog bij dat, zolang men in een strijd zegeviert, men zich niet al te erg verdiept in de vraag voor welk doel men eigenlijk strijdt.
Deze vraag komt pas met de nederlaag, met de tegenslagen, Kortom: allerwegen aanleiding tot bezinning over Amerika's wereldrol.
Na bovenstaande overwegingen nu de politieke praktijk in het vizier. Wat zijn de konsekwenties van de eerder vermelde feiten voor de buitenlandse betrekkingen? Wat merkt men in Europa bijvoorbeeld van deze beleidsombuigingen?

• Amerika en Europa

Europa, de vrede van Europa is beslissend voor de wereldvrede, zo lezen wij in de presidentiële beleidsboodschap. Maar ook lezen wij er dat "een meer uitgewogen bondgenootschap en een oprechter deelgenootschap in Amerika's belang zijn." En dat betekent dat de lasten en verantwoordelijkheden langzamerhand aangepast moeten worden. Europa is voor zijn veiligheid uiteindelijk afhankelijk van de Verenigde Staten, dan wordt het hoog tijd dat het daaraan een geldelijke bijdrage gaat geven die evenredig is met zijn ekonomische ontwikkeling. Zie hier een konkrete toepassing van de Nixon-doktrine op Europa.
Amerika heeft momenteel ongeveer driehonderdduizend man aan troepen in Europa.
Zoiets kost natuurlijk kapitalen. In het parlement in Washington gaan al jarenlang stemmen op om een deel van die troepenmacht naar huis te halen. De beroemde senator Mansfield verklaarde eens niet te begrijpen waarom 250 miljoen Europeanen zich niet zouden kunnen verdedigen tegen 200 miljoen Russen die tegelijkertijd met 700 miljoen Chinezen van doen hebben! Die troepen dienen vooral een zinnebeeldig doel het bewijst namelijk de Amerikaanse betrokkenheid bij Europa, Als die waarde dan slechts symbolisch is, kan Europa dan niet met een veel kleiner soldatenaantal toe? Aan dit argument kleeft het bezwaar dat dit nu juist met voldoende zou zijn om het Europese vertrouwen in de Amerikaanse waarborg te handhaven. Dus het aantal doet er beslist wel toe! Dit laatste belemmert een zakelijk onderzoek naar wat werkelijk nodig is. En dat voedt dan weer de Amerikaanse verdenking dat zijn bondgenoten die psychologische faktor misbruiken om zich aan hun eigen defensieopdracht te onttrekken.
Doch zit er op het ogenblik beweging in deze zaak. Elk moment kan tussen enkele landen van de NAVO en van het Warchau Pakt, de kommunistische tegenhanger van de NAVO, een konferentie van start gaan over wederzijdse en evenwichtige troepenvermindering in Centraal Europa. In een volgend artikel meer over deze zaak.

Drs. C. Bremmer studeerde politicologie aan de Vrije Universiteit. Red.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief