KERKELIJK LEVEN
1973-03-23
Het is weer de tijd dat in veel kerken de openbare belijdenis van het geloof in het zicht komt. De zogenaamde belijdeniscatechisaties worden weer gehouden. Veelal met Pasen vindt de openbare belijdenis plaats. In sommige kerken wat later, op Pinksteren. Bij voorkeur echter op een feestdag. Omdat het een feestelijke gebeurtenis is?- Jaargang 17
- nummer 12
Oudtijds was deze belijdenis minder verbonden met een van de christelijke feesten, maar vond zij plaats in verband met de a.s. viering van het Heilig Avondmaal. Dat was een betere gewoonte. Want de openbare belijdenis van het geloof is naar gereformeerde opvatting niet een zelfstandige aangelegenheid, die ook van de viering van het Avondmaal kan losgedacht worden, b.v. een soort aanvulling van de heilige Doop, maar de weg tot deelname aan het Avondmaal.
We vinden over deze openbare belijdenis reeds vroeg gesproken. Calvijn heeft haar voor de kinderen van de gemeente gewild, Inst. IV, XIX, 13, zoals trouwens ook voor de gehele burgerij in de vorm van instemming met de belijdenis. Calvijn wil deze openbare belijdenis van de kinderen na catechetisch onderwijs in de plaats van het door hem verfoeide vormsel uit het Pausdom.
De Kerkorde van de Kurpfalz van 1563 wil van de jonge leden van de gemeente in navolging van Calvijn ook een openbare belijdenis van hun geloof, voordat ze voor de eerste maal aan de viering van het Heilig Avondmaal deelnemen, want van kindercommunie, zoals men die tegenwoordig voorstaat, wilden de gereformeerde kerken niet weten. De argumenten, die zij daartegen aanvoerden, zijn dezelfde als die in ons blad van 9 maart door prof. Veenhof kort en bondig naar voren zijn gebracht.
Om ons nu tot de Nederlandse kerken te beperken, het Convent van Wesel, 1568, dat geen officiële kerkvergadering was, maar toch een officieuse kerkorde opstelde, spreekt nadrukkelijk over de belijdenis van het geloof als noodzakelijk voor de toelating tot des Heren H. Avondmaal, in direkt verband met de onderwerping aan de kerkelijke tucht. Wanneer dit mensen van buiten de kerk zijn, behoeft het onderzoek "om vele oorzaken" niet in het openbaar te geschieden, maar als het "Jongelingen" betreft, "die in de Catechismus uytgeleert zyn" dan moet dat maar voor de volle gemeente plaats vinden en zulks acht dagen voor de viering van het Avondmaal.
Art. XI van hoofdstuk VI besluit aldus: "En die voldoende onderzocht zijn, 't zij jongelingen, 't zij volwassen, zullen zich de dag voor de bediening van het Avondmaal stellen voor de gemeente; én men zal hun voorhouden de voornaamste hoofdstukken van het geloof, om daarop hun toestemming te geven; en zij zullen zich tegelijk onderwerpen aan de Kerkelijke tucht; en men zal hun naam inschrijven in het Lidmatenboek; en dit aan de gemeente bekend gemaakt zijnde, indien geen beletsel voorkomt, dan de andere dag tot het H. Avondmaal toelaten."
Deze wijze van handelen vertoont sterke gelijkenis met De Christelicke Ordinanciën der Nederlantscher Ghemeinten te Londen, zoals die in 1557 verschenen van de hand van Maarten Microu, die van 1549-1553 te Londen vertoefde en daar predikant is geweest.
Ook daarin treft ons de verbinding van de openbare belijdenis en het zich onderwerpen aan de kerkelijke tucht. Op de achtergrond daarvan staat de gedachte, dat de gemeente heeft te waken voor de heiligheid van de tafel des Heren. Daarom wilde men van een open avondmaalstafel niet weten. Geen kindercommunie en geen open avondmaalstafel - deze twee dingen treffen ons als wij de geschiedenis van de avondmaalsviering in de reformatorische kerken nagaan.
Het is met de oude kerkordes van de gereformeerde kerken in Nederland eigenaardig gesteld. Ze zijn niet de neerslag van een systematisch-theologisch denken, al valt er wel enig systeem in te bespeuren, soms later aangebracht! Bepaalde artikelen keren, soms enigszins veranderd, steeds terug. Maar verschillende artikelen zijn gemaakt naar aanleiding van ingekomen vragen en blijven dan in de regel een plaats in de volgende kerkordes behouden, zij het niet altijd ongewijzigd.
Het is uiterst moeilijk de geschiedenis van alle artikelen precies te beschrijven. Zo heeft de Synode van Embden, 1572, niets over de openbare belijdenis in haar kerkorde, maar die van Dordrecht, 1574, wel weer. Zij spreekt over het ontvangen en de examinatie van hen, "die zich tot de gemeente begeven", dat is in concreto die toegang vragen tot de avondmaalsgemeenschap der kerk. Deze kerkorde wil dat de belijdenis van het geloof openlijk zal plaats vinden (art. LXX). Het mag met een eenvoudig ja-woord, "in deze jonkheydt der Kerken". (art. LXXII). De volgende kerkorde, die van Dordt 1578, is op ons punt praktisch gelijk aan die van 1578.
Zij spreekt van het "in de Gemeente ontfangen worden".
In 1581 komt de formulering tot stand, die sindsdien zo gebleven is: Men zal niemand tot het Avondmaal des Heren toelaten, dan die naar de gewoonte van de kerk, bi; welke hij zich voegt, belijdenis der gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebben getuigenis van een vrome wandel, zonder welke ook degenen die uit andere kerken komen, niet toegelaten zullen worden.
Het woord "gereformeerde" heeft hier nog niet de technisch-historische zin, die het in onze oren heeft, maar nog de oorspronkelijke betekenis van hersteld, gereformeerd.
Dat blijkt uit de Latijnse tekst, die spreekt van de pura seu reformata religio, d.i. de zuivere of ge-reformeerde religie, Dus het wàre geloof.
In dit ene artikel is nu alles opgenomen over de belijdenis van het geloof. Van een belijdenis van kinderen der gemeente wordt niet meer afzonderlijk gesproken, zoals vroeger wel gebeurde, Dit is nu een typische eigenaardigheid van de kerkordes van die tijd. Ze streven niet naar volledigheid en systematische volkomenheid.
Dat niet alleen degenen, die zich van buiten tot de kerk voegden, hun geloof hadden te belijden, om toegang tot het Avondmaal te ontvangen, maar ook de eigen kinderen van de gemeente zelf, stond bij allen vast. Bij de Gereformeerden dan, want er waren in die tijd ook anderen, die een lossere wijze van handelen wensten, omdat zij niet een kerk wilden, die zich streng aan de confessie bond. Dit geldt met name de "politieken", de mensen, die beïnvloed waren door de geest van Erasmus en Coornherdt.
Dit blijkt wel uit de ontworpen, maar gelukkig nooit blijvend ingevoerde Staat-kerkordes.
Daartegen verzet zich met name het zo juist geciteerde artikel, nummer 61 van onze kerkorde.
Blijkbaar, omdat zo de fronten lagen, beperkte men zich tot het zo geformuleerde artikel, en vond men het niet noodzakelijk nog afzonderlijk over de geloofsbelijdenis der kinderen te spreken. Het beginsel was immers duidelijk uitgesproken: alleen belijdenis van de ware religie geeft recht op toelating tot het Avondmaal. Dat sloot ook vanzelf de opgroeiende kinderen van de gemeente in.
Men moet hier niet te logicistisch en wettisch redeneren en zeggen: Maar die voegen zich niet bij de kerk, die behoren er reeds bij. Het gaat hier om het beginsel: geloofsbelijdenis is noodzakelijk om aan het Avondmaal deel te nemen.
Trouwens, zich voegen bij de kerk, of zich tot de gemeente begeven, waarmee steeds de plaatselijke kerk bedoeld werd, is in concreto het Avondmaal meevieren, want daarop was de geloofsbelijdenis gericht. Daarvan mocht ze nooit worden losgemaakt. Die twee vloeien als het ware in elkaar over: zich tot de gemeente begeven, zich bij de gemeente voegen èn Avondmaal met haar vieren. Alleen als we dat bedenken, wordt ons het op het eerste horen vreemde zeggen van: zich tot de gemeente Gods "eerstmael begeven", zoals we dat tegenkomen in een vraag op de Synode van Dordrecht 1574. (Zie Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synode der zestiende eeuw, pag. 300) doorzichtig.
Dit is niet een hier verdwaald spraakgebruik, dat men elders niet tegen komt. 't Is meer dan eenmaal ook te vinden in de genoemde Kerkelijke ordinanciën van Maarten Micron. Hij spreekt op pag. 83 van de uitgave van dr W. F. Dankbaar over dIegenen "Die haer eerstmael tot onser gemeenten willen voeghen ende beg-heren ten gebruycke des Nachts-maels toegelaten te wesen".
In de Reformatorische tijd maakte men Kerk en Avondmaal niet van elkaar los, maar stelde men die twee in direkt verband met elkaar, zoals ook Christus en de Kerk.
Avondmaal vieren werd niet beschouwd als een puur persoonlijke zaak, hoezeer voor de rèchte viering op persoonlijk, doorleefd geloof werd aangedrongen.
In de Gereformeerde Kerken is art. 61 K.O. dan ook altijd zo verstaan, dat ook de kinderen er bij inbegrepen werden gedacht, d.w.z. het hier uitgedrukte beginsel gold ook voor hèn. In de verklaring van dit artikel werd zelfs speciaal gehandeld over de roeping van de opgroeiende kinderen om belijdenis van het geloof te doen met het oog op de viering van het Heilig Avondmaal. Of je nu Rutgers leest in de niet uitgegeven college-dictaten, of Bouwman in zijn Gereformeerd Kerkrecht of Janssen in zijn Korte Verklaring van de Kerkenordening, ze trekken in dit opzicht alle een en dezelfde lijn.
Houden zo!