Begrensde navolging

1973-03-30
  • Jaargang 17
  • nummer 13
Gij kunt Mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen.

Joh. 13:36

De navolging van Christus is vandaag een veel besproken en ook zeer geliefd onderwerp binnen de christelijke gemeente en hier en daar ook wel daarbuiten. Terecht. Wie de Here Jezus liefheeft, her ken t zichzelf helemaal in de man, van wie Mattheüs vertelt, een Schriftgeleerde nog wel, die zo hartelijk zegt: Meester, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat. Wie zichzelf kent in zijn gebrekkig reageren op mensen en situaties, zal vanuit de grond van zijn hart het kinderversje nazeggen: ik wens te zijn als Jezus.
Want dat is toch navolging: denken, wat Hij dacht; zeggen, wat Hij zei; doen wat Hij deed. Niet natuurlijk in een klakkeloze imitatie.
Van Albert Schweitzer gaat het verhaal, dat hij eens ergens een officieel bezoek bracht en daartoe van de trein afgehaald werd door een ontvangst-comité. Op het perron zag Schweitzer een oude dame bezig met een koffer, die boven haar macht ging. Comité of geen comité, hij hielp. Even later liepen de leden van de ontvangstgroep zelf ook links en rechts te helpen op dat perron. Een dergelijke navolging overtuigt niet, ze heeft iets kinderachtigs. Neem de navolging moet mondig zijn, volwassen, niet dat we Christus naäpen - weinig mensen zijn zo onuitstaanbaar als die welke in deze zin op Jezus lijken - maar dat we vanuit zijn Geest denken, spreken en handelen.
Het verlangen naar deze navolging is bijbels.
Jezus Christus zelf roept er toe op. Ik denk nu aan wat Hij gezegd heeft naar aanleiding van de vraag naar het zitten aan zijn rechter- en linkerzeide in zijn koninkrijk: Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen ...
Gelijk de Zoon des mensen - met deze woorden stelt Jezus zich onmiskenbaar ten voorbeeld. Hij daagt ons uit, het achter Hem aan met deze wet van het Koninkrijk te wagen, dwars tegen het in de wereld gangbare in. In de wereld geldt de mening, dat je alleen door te heersen macht kunt uitoefenen, maar Jezus Christus komt met de verborgenheid aan: probeer het eens met dienen. En Hij deed het ons voor.
Een zelfde oproep tot navolging vinden we in de eerste brief van Petrus, waar het gaat over de huisslaven, die onder hun verkeerde meesters een moeilijk leven hadden en ten onrechte leed verdroegen. De apostel troost hen dan, dat het genade bij God is, als ze goed doende lijden, en hij gaat zó verder: want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden, die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; die als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt ...
In deze woorden wordt het lijden des Heren geschilderd in de kleuren van het bekende Jesaja 53, het hoofdstuk van de lijdende knecht des Heren. En deze lijdende Christus wordt ten voorbeeld (het woord staat in de tekst) gesteld aan mensen, die zelf een last van lijden te dragen hebben en daaronder niet altijd duldzaam blijven. Houdt maar vol, zegt Petrus, ziet het lijden maar als een kans om navolgers van Christus te worden.
Uit deze bijbelse aanhalingen blijkt, dat wij met de prediking van Jezus als voorbeeld niet maar aan de rand van de nieuwtestamentische boodschap zitten, maar dat de oproep tot navolging ons naar het centrum van het evangelie leidt, tot waar het gaat over Jezus Christus als de lijdende dienstknecht.
De navolging is echt niet een te verwaarloze bijkomstigheid, zij brengt ons tot in de binnenkamer der Schrift, tot waar de heilige woorden klinken over het lam, dat ter slachting geleid wordt en het schaap, dat stom is voor zijn scheerders.
Maar nu is er toch een grens aan onze navolging gesteld. Als Jezus het heeft over het dienen en als Petrus spreekt over het lijden ach ter Jezus aan, dan loopt de prediking bij beiden uit op een onnavolgbaar plus aan Jezus' kant: "gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen - en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Matth. ·20 : 28). "Die, als Hij gescholden werd, niet terugschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt: - die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout heeft gebracht, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven" (1 Petr. 2: 23,24). Door gedachten-streepjes heb ik willen aangeven, waar' de overgang ligt tussen wat Jezus ons vóór deed en wat Hij voor ons deed. Die streepjes geven de grens der navolging aan.
Voorbij die grens ligt de heilige grond van het plaatsvervangend lijden. Zonder deze binnenste kern zou de oproep tot navolging vreugdeloos en wettisch zijn, onethisch zelfs vanwege de onhaalbaarheid. Maar door het schulduitboetend sterven van onze Heer ligt er een milde glans gespreid over Jezus als voorbeeld: zijn juk is zacht en zijn last is licht. Wie aan de navolging begint, hijgt er dan ook naar, dit laatste geheim te horen.
De vierde evangelist heeft de navolging van Christus en haar grens op zijn fijnzinnige wijze in zijn verhaal opgenomen. Wanneer Simon Petrus aan de vooravond van het grote lijden overmoedig vraagt: Here, waar gaat Gij heen? met de kennelijke bedoeling om Jezus te volgen waar Hij ook maar heen zou gaan, wijst de Meester hem terug: waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen. Dit 'later' is na de opstanding.
In Joh. 21 : 19 lezen we: En dit gezegd hebbende sprak Hij tot hem: volg Mij. Dat is voor Petrus bedoeld. De navolging, waartoe de Meester hem met dit woord opriep, zou voor Petrus zeer ver gaan. Er is in het tekstverband sprake van een gewelddadige martelaarsdood, waarmee hij God verheerlijken zou.
Maar tussen Johannes 13 en 21 ligt het afgeperkte gebied van Jezus' eenzaam lijden voor ons. Toen Petrus deze grens ondanks Jezus' waarschuwing toch overschreed, overschatte hij zichzelf niet alleen, maar kwam hij zelfs tot verloochening van zijn Meester.
Tot verloochening van het meest eigenlijke van zijn Meester.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief