KERKELIJK LEVEN
1973-03-30
Petrus heeft het moeilijk gehad met de woorden van Jezus over zijn aanstaande lijden.- Jaargang 17
- nummer 13
Here, zei hij, dat zal u geenszins overkomen.
Dat verhoede God. Het was na Jezus' eerste aankondiging van zijn lijden. We lezen dat in Matth. 16 : 22.
We kunnen ter verontschuldiging van Petrus twee overwegingen aanvoeren. De eerste is dat hij van het lijden de zin niet zag.
Voor hem betekende het een nederlaag voor Jezus zondermeer. Zou Jezus sterven? Maar dan was alles uit; dan zouden zijn vijanden over Hem triumferen. En dat strookt helemaal niet met Petrus' onstuimige natuur. Dat Christus' lijden de weg was tot de verzoening van de zonden, daarvoor had hij geen oog.
Ook zijn liefde tot Jezus laat Petrus hier gelden. Moet Jezus lijden en sterven door de vijandschap van de zijde der oudsten en overpriesters?
Dat verhoede God. Jezus is daar te goed voor Hij heeft beter verdiend.
Spontaan als hij is neemt Petrus de Here Jezus apart en hij gaat Hem bestraffen over zoveel pessimisme en neerslachtigheid …
• Teruggewezen
Het bovenstaande laat ons zien wat voor een vertrouwelijke omgang er· was tussen Jezus en zijn discipelen. Ze sidderen niet voor Hem en blijven niet op een afstand. Petrus kan Hem zelfs apart nemen om Hem te onderhouden over wat hij ziet als onnodige zorg en somberheid.
Alleen maar - ditmaal gaat hij toch wel over de schreef, niet om deze vertrouwelijkheid, maar om wat hij zegt. En hij wordt teruggewezen met een scherpe bestraffing. Jezus noemt hem zelfs Satan, tegenstander van God en een aanstoot. Door zijn optreden tracht hij Jezus tot zonde te verleiden, wil dat zeggen. Tot de zonde van het zich onttrekken aan het ophanden lijden en sterven.
Over Petrus' goede bedoelingen spreekt Jezus niet eens. Wat hij metterdaad zegt en doet, kan eenvoudig weg niet door de beugel en is zonder meer kwaad. Want hij is niet bedacht op de dingen van God maar op die van de mensen.
Hier raakt Jezus de wonde plek in heel Petrus denken.
Alleen in dat van hem?
Met de dingen van God bedoelt Jezus Gods eer en heerlijkheid. Dat zijn naam geëerd wordt en Zijn Rijk komt en Zijn wil geschiedt.
Daarop echter is Petrus' belangstelling niet gericht, maar op de dingen van de mensen: dingen, die de mensen voor zich begeren in hun onverstand en zelfzucht, in hun hangen aan uiterlijke zaken: eer, macht. roem, aardse grootheid. Daartoe behoort het lijden niet.
We zien dat ook in onze tijd: alle lijden wordt verworpen; daar revolteert men tegen in naam van de rechten van de mens. Daarom wil Petrus het lijden van Christus niet, want dat heeft geen plaats in de dingen van de mensen, waarop hij uit is.
• Het "moeten" van Jezus
Om de nadere bedoeling van Jezus' woorden te vatten, moeten we even precies letten op het verband, waarin ze gesproken zijn. Jezus heeft het gehad over zijn komend lijden en sterven in Jeruzalem, en dat als een noodzakelijk gebeuren. Hij "moest" naar Jeruzalem gaan en daar veel lijden en gedood worden, lezen we. Het is hier in Matth. 16 niet de enige plaats waar we dit lezen. We komen die "moeten" telkens tegen in de aankondiging van het lij den en ook nog in Jezus' terugblik er op na zijn opstanding, Luc. 24 : 26.
Dit "moeten" brengt de Here in zijn scherpe afwijzing van Petrus in verband met de "dingen van God". Omdat hij van geen lijdensnoodzaak weten wil bedenkt Petrus immers de dingen van de mènsen, niet die van God.
Het gaat daarom alleen al niet aan met dr Wiersinga in zijn dissertatie en daarna in zijn popularisering en nadere uitwerking ervan (Verzoening als verandering) dit "moeten"
te verklaren uit de wil en de begeerte van de mensen. Het heil - zo formuleert Wiersinga kort en puntig - het heil "moet van God, het kruis niet; dat "moet" van de mensen" (diss. 169). Het is immers hun boosheid, die Jezus naar het kruis drijft.
Maar zo wordt dit "moeten" niet in verband gebracht met "de dingen van God" en daar is het de Heiland om te doen. Jezus legt dit verband rechtstreeks. Omdat het lijden van God moet, daarom wordt de zich tegen dat lijden verzettende Petrus als Satan, tegenstander, teruggewezen: hij bedenkt de dingen van de mensen, niet die van God.
• Wat "moet"?
Gewoonlijk wordt dit moeten van Jezus slechts in verband gebracht met zijn lijden en sterven. Maar in al zijn lijdensaankondigingen spreekt Jezus over het moeten van zijn lijden en sterven én van zijn opstanding. Ook deze laatste ligt onder boog van het "moeten".
Nu, dit is wel zeker: die opstanding hebben zijn vijanden niet gewild. Ze hebben zelfs een steen voor het graf laten wentelen met het Romeinse zegel er op om Jezus' graf maar goed dicht te houden en te verhinderen dat zijn discipelen zijn dode lichaam zouden wegnemen. Ze zouden w niet het verhaal kunnen vertellen dat Hij was opgestaan.
Neen, de opstanding hebben zijn vijanden niet gewild. Het gaat daarom niet aan Jezus' spreken over het "moeten", waaronder Hij tegelijk sterven èn opstanding plaatst, te verklaren uit de mènsen. En exegetisch is het onmogelijk en ongeoorloofd het moeten lijden en sterven uit de mènsen te verklaren en het moeten van de opstanding uit Gòd.
Jezus is bezig' als Hij over dit "moeten" spreekt, te handelen over de dingen van God: over Zijn Naam en heerlijkheid, Zijn recht en liefde. Daarin alleen vindt het "moeten", zoals dat voor Jezus geldt, zijn grond en verklaring.
Zowel dat van zijn lijden en sterven als dat van zijn opstanding uit de doden.
Want het voegde Hem, om wien en door wien alle dingen bestaan, dat hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, den Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken, Hebr. 2: 10. Het voegde, het paste God, het betaamde Hem; 't was passend voor Hem. Want zo alleen kwam het tot de dingen van God: tot zijn eer en grootheid, tot zijn roem en heerlijkheid in het verlossen van de wereld.
• Om zijn rechtvaardigheid te tonen
Men kan geredelijk toestemmen dat de theologische uitwerking van het moeten lijden van Christus meermalen zijn schaduwen heeft gehad, met name wanneer dat in een bepaald juridisch keurslijf werd geperst.
Maar dat mag niet in mindering gebracht op het bijbels spreken over Jezus' lijden als een zoenoffer voor onze zonden, waardoor God de Here zijn rechtvaardigheid toont, zodat Hij zelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is, Rom. 3: 26.
Hier worden door Paulus "de dingen van God" concreet aangewezen. God rechtvaardigt zichzelf tegenover de zonde in zijn goddelijk oordeel over de Gekruiste, maar tegelijk rechtvaardigt Hij degene die uit het geloof in Jezus is, omdat in Christus' lijden de verzoening van hun zonden ligt, de grond voor hun rechtvaardiging, Zo wordt in Christus' lijden Gods Naam geheiligd. Zijn recht en genade blijken in eendracht de zonde te overwinnen. Dat komt in Christus' opstanding aan het licht. Hij wordt opgewekt tot onze rechtvaardiging en in en met Hem zijn wij aan de dood onttrokken, Rom. 4 : 25, 6 : 4, 8-14.
Lijden, dood èn opstanding van Christus staan zo op Gods program tot redding van de werelden tot de verheerlijking van Zijn naam. Daarom spreken de Schriften van het Oude Testament daar reeds van. Christus heeft zijn weg daaruit afgelezen en heeft zich zo aan dit moeten onderworpen. Hij zegt na zijn opstanding tegen de Emmaüsgangers: 0 onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? Luc. 22: 25 en 26.
Zijn "moeten" was een heilig moeten.
Wist ge niet dat Ik moest zijn in de dingen van mijn Vader? Luc. 2: 50.
• De dingen van de mensen en die van God
In het eerste nummer van Vox theologica 1973, een interacademiaal theologisch tijdschrift gewijd aan de theologische studie las ik een bespreking van de bovengenoemde dissertatie van dr Wiersinga over de verzoening.
Ze was van de hand van de hoofdredakteur dr W. A. de Pree te Assen. Niet zonder sympathie met de poging van Wiersinga om nieuwe interpretatiemogelijkheden te maken wordt zijn dissertatie besproken. De Pree spreekt van een nauwkeurige wijze van werken en van een nauwgezet doorgevoerde exegese. We hebben daarvan dan iets gezien.
Maar hij is toch bij het lezen met een probleem blijven zitten en brengt dat als volgt onder woorden: tijdens het lezen van dit boek kwam steeds de vraag bij me op, wie zich in feite nog voor dergelijke gedachten (bedoeld is de kerkelijke verzoeningsleer, G.J.) interesseerd; anders gezegd: "de meeste bewustlevende mensen hadden al lang de hele traditionele verzoeningsleer afgewezen vanwege haar voor onze tijd weinig relevante en zelfs repressieve karakter." Weinig betekenend en zelfs remmend, hinderlijk, nl. voor de vernieuwing van onze samenleving.
Het is bekend dat daar de kerken nog vol zijn waar het evangelie van de verzoening door het bloed van Jezus wordt verkondigd.
De "politieke" prediking slaat niet aan, tenminste bij het grootste deel van het kerkvolk niet. De conclusie uit het spreken van dr De Pree moet wel zijn dat het grootste deel van de mensen, die de kerken vullen, niet behoort tot de bewustlevende mensen. In de vorige eeuw zei men van bepaalde zeide: niet behoort tot het denkend deel der natie.
Proost!
De theologie van de predikanten, die tot dat denkend deel behoorden, is intussen al lang bijgezet in het kerkelijk archief. Dat gaat zo met de theologiën, die weinig anders zijn dan vruchten van het denken van een bepáálde tijd: religieuze vormgeving van een mode-filosofie of heersend levensbesef.
Voor dr De Pree ligt de enige zin van theologie en kerk in het leveren van een wezenlijke bijdrage (!) tot de bevrijding van de mens en de humanisering van het leven. Het slaat tenslotte om het maatschappelijk emancipatie-proces van de mens.
Dat zijn in moderne vorm dan de dingen der mensen!
Wat is het evangelie toch ongelooflijk aktueel.
Het zal goed zijn met ernst de vormgeving van het volmaakt gebed, dat de Here zijn discipelen Zelf geleerd heeft, op ons te laten inwerken. Zo ziet het Onze Vader er uit: twee maal drie beden. De éérste drie hebben betrekking op God: Zijn Naam, Zijn Rijk, Zijn wil. De tweede drie op de mens: zijn brood, zijn rechtvaardiging, zijn heiliging. Wanneer wij God Zijn plaats geven, krijgen wij onze plaats. En daarbij wordt ons brood niet vergeten.