Eenheid en/of Veelheid
1973-03-30
Er is in het leven van de kerk, als ze ten minste horen wil naar wat het Evangelie over haar aard en opdracht openbaart, altijd een grote spanning. Een spanning die er altijd blijven zal in "deze bedeling".- Jaargang 17
- nummer 13
De kerk is namelijk volgens de Schrift de gemeenschap van mensen die waarachtig in Jezus Christus geloven als de Zoon van God en de Verlosser der wereld. Anders gezegd: van alle mensen die door het geloof in Christus zijn ingelijfd, zo zijn lichaam vormen en daarom ook begeren te leven naar zijn wil.
Hieruit vloeit onverbiddelijk voort dat de kerk een dubbele taak heeft. Vooreerst deze dat ze, binnen de grenzen van haar opdracht, en naar haar beste vermogen, er voor moet zorgen dat ook metterdaad in haar gemeenschap en in de wereld het éne Evangelie van Jezus Christus wordt gepredikt. En dat alléén zij, die werkelijk geloven in Christus als hun Verlosser en nu ook leven naar zijn wil, in haar gemeenschap zijn en worden opgenomen.
Deze tweeërlei opdracht is niet eenvoudig.
Of, beter gezegd: ze is uiterst moeilijk. De voornaamste vragen die daarbij rijzen zijn in concreto : Wanneer kán en móet en mág men zeggen dat het éne Evangelie niet meer gepredikt wordt? En: wanneer kán en móet en mág men zeggen dat iemand geen waar gelovige is?
In de grote protestantse kerken van Europa is het praktisch meestal zo dat men eenvoudig door de predikanten zelf laat uitmaken of wat ze preken nog Evangelie is. Formeel of feitelijk is daarbij van enige norm van enige binding geen sprake meer. In Zwitserland hebben de protestantse kerken formeel de belijdenis afgeschaft. In de meeste andere is dat feitelijk het geval.
In onze Ned Herv. Kerk zijn b.v. geestverwante predikanten van wijlen ds Van Lunzen, de man die in Jezus volstrekt niets méér zag dan een ideaal mens en in het christen-zijn volstrekt niets ánders dan het volgen van diens voorbeeld - èn b.v, de geestverwante collega's van ds Dorsman van Staphorst, ambtsbroeders. En ze zitten, als 't zo gevalt, als gelijkberechtigde vertegenwoordigers van de kerk naast elkaar in één kerkelijke vergadering om gezamenlijk de kerk te regeren en te leiden.
Dit wat de predikanten betreft.
Ten aanzien van de kerkleden geldt ongeveer hetzelfde. Lid van de kerk blijft wie zèlf lid wil blijven. Uitgeworpen wordt er niet één. En lid wordt evenzo zonder meer wie zèlf lid wil worden.
Op deze wijze heeft men de moeilijkheden die de vervulling van de genoemde tweeërlei opdracht met zich meebrengt in een bepaald opzicht overwonnen.
Maar het gevolg van deze wijze van doen is steeds: Of een permanente spanning tussen de "richtingen", de "modaliteiten", de partijen" in de kerk. Of - een algemene onverschilligheid ten aanzien van wat mede-ambtsdragers preken en leren!
Bij velen leeft in zo'n situatie nog wel vaak het besef dat men met deze wijze van doen op onverantwoorde wijze Gods water over Gods akker laat lopen!
"links"
Volgens de door haar officieel aanvaarde en schriftelijk gefixeerde kerkelijke normen moet in de Geref. Kerken nog steeds worden toegezien op de "zuiverheid van de prediking" en evenzo op "de leer en het leven" der kerkleden.
Maar daarin is momenteel een felle discussie gaande en daardoor een ernstige spanning ontstaan over de vraag of deze "zuiverheid in de prediking" in de huidige situatie op ernstige wijze feitelijk, werkelijk in geding is.
Er zijn wat deze kwestie betreft duidelijk drie stromingen te onderscheiden.
Er is een stroming - men zou haar de "linkervleugel"
kunnen noemen - die het met de "aardverschuiving" die in het theologische, confessionele en religieuze leven van de Geref. Kerken plaats vindt van harte eens is.
Of, beter gezegd, die deze aardverschuiving heeft veroorzaakt en van harte bevordert.
In vorige nummers hebben we reeds op enkele facetten van deze "nieuwe" of "kritische" theologie gewezen. We kunnen haar misschien het best 210 typeren: In de reformatorische theologie ging men zonder meer uit van de onfeilbare, gezaghebbende boodschap van de Heilige Schrift, om in het licht daarvan mens en wereld te zien en te beoordelen en de weg door dit leven te vinden en te gaan. In de "nieuwe theologie" gaat men omgekeerd uit van bepaalde, gang-bare opvattingen van mens en maatschappij om die met daarvoor geschikt geachte motieven uit de bijbelse boodschap te steunen, te verdedigen en te propageren.
Van deze stroming zijn leidende figuren Kuitert, Augustijn, Wiersinga, Rothuizen en vele andere prominenten in de gereformeerde wereld. Ze hebben een veelgelezen orgaan in het radikaal "Linkse" maandblad "Voorlopig". En wat veel meer zegt: ze hebben de machtige steun van "Trouw" - speciaal van de kerkredactie daarvan - van "Achter het Nieuws" van de N.C.R.V., van het Ikor en wat het allerbelangrijkste is: van de leiding van de alomvattende jeugdbeweging in de Geref. Kerken, het zogenaamde L.C.G.J., het Landelijk Centrum voor Geref. Jeugd vorming.
Hoe dit mogelijk werd is mij niet duidelijk, maar feit is dat de exponenten van de "linker vleugel" van de Geref. Kerken krachtige steun ontvangen van de grote "christelijke" massa-media. Deze zijn bezig op een uiterst bekwame en effectieve manier de leden van de Geref. Kerken "om te turnen".
En - dat met enorm succes! Het eerste is wel dit dat de grote massa het "nieuwe" niet meer "vreemd" vindt, er als van zelf mee "vertrouwd" raakt en zich er niet meer tegen verzet.
Dit is reeds een enorm winstpunt voor de "linkervleugel".
Maar, wat vooral voor de toekomst van beslissende betekenis is, de jeugd wordt door haar organisaties en organen tot vurige verdedigers van de "nieuwe theologie", en al wat daarmee samenhangt, gemaakt. Ze hebben nu reeds bewerkt - en dat is een zichtbaar en indrukwekkend symptoom van de ingetreden verandering - dat de P.P.R. met haar illusionistische politieke ideeën onder de gereformeerde jongeren méér aanhang heeft dan de A.R.P.
Voor deze stroming bestaat er in de Geref. Kerken geen probleem ten aanzien van de "zuiverheid van de prediking". Zij gaat er van uit dat er in de kerk een "pluraliteit" in het belijden moet zijn en daarom ook 'n "polyinterpretabiliteit", een veelkleurige interpretatie, van de belijdenis. Ze is er voorts van overtuigd dat de reeds eeuwen gangbare opvatting van de belijdenis oud en der verdwijning nabij is. Ietwat meewarig kijkt ze neer op wie daaraan nog vasthouden.
"rechts"
De rechtervleugel van de Geref. Kerken wordt gevormd door de Z.g. "Verontrusten" - een naam die dezen zelf niet bizonder waarderen.
Deze "Verontrusten" waren in twee verenigingen georganiseerd.
Vooreerst in die, welke het blad "Waarheid en Eenheid" uitgeeft. Deze vereniging werd opgericht door mensen die wel ernstig bezwaard waren over de leeruitspraken van 1944 en de daarop gevolgde schorsing van de proff. Schilder en Greijdanus c.s., maar die zich toch niet bij de "vrijgemaakte" Geref. Kerken wilden aansluiten. Zij bleven streven naar het terzijde stellen van de genoemde synodale uitspraken en de opheffing van de schorsingen. Het eerste is geschied, het laatste niet.
Steeds meer werd in de loop van de tijd "Waarheid en Eenheid", in verband met de naar zijn overtuiging fatale ontwikkeling in de Geref. Kerken, het orgaan van de mensen die met grote bezorgdheid de verschillende uitingen van de "nieuwe theologie" gadesloegen.
Enkele jaren geleden werd bovendien een speciale vereniging van "Verontrusten" opgericht met de naam "Schrift en Belijdenis".
Deze vereniging is onlangs gefuseerd met de persvereniging "Waarheid en Eenheid". Op 24 maart hielden ze samen een Landelijke samenkomst waar gesproken werd over het thema: Hoe nu verder? Het verslag ervan zullen velen reeds hebben gelezen als ze dit artikel onder ogen krijgen.
De "Verontrusten" hebben jaren- en jarenlang hun bezwaarschriften over wat in de kerken voorviel naar de generale synoden gestuurd. Maar steeds ontvingen ze naar hun oordeel .een teleurstellend antwoord op hun vraag om een eerlijke en Loyale handhaving van de belijdenis.
Na de laatstgenoemde synode, die hen weer diep teleurstelde, besloten de Verontrusten andere wegen in te slaan. Met het zenden van bezwaarschriften houden ze op. Die werken naar hun overtuiging, gezien het verleden, niets meer uit.
Nu zullen ze op plaatsen waar naar hun oordeel het Evangelie niet meer naar de Schrift verkondigd wordt "alternatieve kerkdiensten" organiseren. In Utrecht is dat reeds gebeurd. Hetzelfde zal men ook doen ten opzichte van catechisaties. Verder werd er een nieuwe Predikantenvereniging opgericht die, evenals de andere instituten eh activiteiten van de Verontrusten, de bewaring van het gereformeerd karakter van de Geref. Kerken tot doel heeft. Er is voorts door hen een werkgroep "Jeugdzaken" in het leven geroepen.
Ook het werk onder de studenten wordt aangepakt. Wat de politiek betreft staat men sympathiek tegenover de rechter A.R.-jeugd zoals die zich in het orgaan "Bezinning" uitspreekt en zich daaromheen concentreert. Zij die niet antirevolutionair willen blijven worden verwezen naar het N(ationaal) E(vangelisch) V(erband).
Reeds eerder hebben de "Verontrusten" een alternatieve predikantenopleiding in het leven geroepen die veel actieve belangstelling trekt.
"midden"
Tussen "links" en "rechts" bevindt zich het "midden".
Dit heeft niet zulke scherpe contouren als "rechts" en "links". En evenmin organen die duidelijk en consequent propageren wat men in positief en negatief opzicht beoogt.
Een exponent van dit "midden" is het "Confessioneel Beraad" dat reeds enkele malen van zich deed spreken. Maar dat Beraad" is geen organisatie met leden, een bestuur, een orgaan etc. Men zou het een "beweging" kunnen noemen. Mannen als ds M. P. van Dijk, drs Vlaardingerbroek, ds Overduin, ds L. H. Kwast, dr Wentsel, zijn er belangrijke figuren in. Wat hun "ligging" betreft kan men er ook wel de proff. Herman Ridderbos en Runia toe rekenen. Al weigeren dezen beslist zich in een bepaalde groep te laten indelen! Feit is evenwel dat prof. Herman Ridderbos de meest indringende kritiek op de verzoeningstheorie van dr Wiersinga heeft geleverd en prof. Runia nadrukkelijk fundamentele concepties van Kuitert bestreed en bestrijdt.
De mensen die zich verwant voelen aan wat het Confessioneel Beraad nastreeft zullen zich, dunkt mij, wel bizonder aangesproken voelen door de geschriften die in de reeks "Theologie en Gemeente" verschijnen.
Deze reeks die bij Kok in Kampen uitkomt, bedoelt "in de toenemende onzekerheid inzake vragen van geloof en leven en in de daarbij optredende spanningen en polarisatieverschijnselen binnen de kerk, enige algemeen verstaanbare, positieve leiding te geven.
De redactie zoekt deze leiding in de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in de verbondenheid aan het belijden van de kerk, zoals dit gestalte kreeg in de reformatorische belijdenisgeschriften", De redactie wordt gevormd door ds M. P. van Dijk, dr C. Graafland (een "Gereformeerdebonder"), dr Herman Ridderbos: dr G. de Ru (een "Confessioneel") en dr B. Wentsel. 1) Zoals men merkt zijn in de redaktie een paar nuances van de "Gereformeerde Gezindte" buiten de Geref. Kerken vertegenwoordigd.
Het jongste nieuws omtrent het "Confessioneel Beraad" is dat het ook een meer vaste organisatorische gestalte wil aannemen. Het zal namelijk een "Stichting" in het leven roepen.
En - wat typerend is voor de verhoudingen in de Geref. Kerken - in "Waarheid en Eenheid" worden predikanten, ambtsdragers en gemeenteleden opgewekt zich als sympathisanten daarvan bij het adres van de Stichting - ds M. P. van Dijk te Nunspeet - te melden.
naar een kruispunt?
In de persorganen van de Geref. Kerken is in reaktie op de daarin opgetreden "nuances" en "tegenstellingen" nu een felle polemiek ontstaan die culmineert in de vraag hoever een geref. kerk in de huidige situatie gaan mag en moet, in het verdragen van de door alle betrokkenen geconstateerde, en als zodanig erkende afwijkingen van de belijdenis, welke daarin door velen verdedigd en gepropageerd worden.
De "Verontrusten" zeggen: Zo kan het niet langer! Wij accepteren, noodgedwongen, de situatie zoals die werkelijk is. Of men het erkent of niet. betreurt of niet, de Geref. Kerken zijn metterdaad, net als de Ned. Herv. Kerk, 'n "modaliteiten-", 'n "richtingen-kerk" geworden. En uitgaande van die feitelijkheid gaan we nu handelen. We richten waar dat vanwege het trouw willen blijven aan de confessie noodzakelijk is, noodgemeenten op, organiseren "alternatieve kerkdiensten", geven eigen catechisaties enz.
De proff. Ridderbos en Runia keren zich scherp tegen deze plannen. Ze achten die in strijd met de kerkorde en de "kerkelijke spelregels". Ongetwijfeld delen ze in vele opzichten de bezwaren van de "Verontrusten", maar ze wijzen de weg die deze nu willen inslaan beslist af. Zij willen de van ouds bekende "kerkelijke weg" blijven bewandelen.
Tegenover de bezwaren van Ridderbos en Runia wijzen de "Verontrusten" er op, dat juist de mannen van "links" met allerlei "alternatieve" kerkelijke experimenten reeds vóór jaren begonnen zijn! Men heeft het in Geref. Kerken kunnen beleven dat in een Zondagmorgendienst werd meegedeeld dat er 's middags geen "eigen" dienst zou worden gehouden, maar de broeders en zusters opgewekt werden naar een "oecumenische kerkdienst" te gaan in de Rooms-Katholieke Kerk. Er werden kerkdiensten gehouden waarin mannen als prof. Steenkamp en de P.P.R.-man Dolf Coppens "voorgingen". Geref. predikanten en Rooms-Katholieke geestelijken leidden samen 'n "eucharistieviering" voor "gelovigen" uit alle mogelijke kerken in een R.K.-kerk! En wat presteren de "studentenpastores" niet op het punt van "experimentele kerkdiensten"?
Een nuchter oordeel over de gang van zaken in zijn kerken geeft ds E. H. Kwast in de Friesche Kerkbode. Hij wees daarin op het oordeel van Herman Ridderbos over wat er in de kerken plaats vindt. Deze schreef namelijk: "Dat hetzelfde evangelie beide ("vleugels" in de Geref. Kerken - C.V.) nog op een of andere wijze samenbindt, moet uit de aard der liefde worden aangenomen, maar is op geen enkele wijze meer te bespeuren.
Men moet hier ook niet denken in termen van voor- en achterhoede of van een in verschillend tempo zich in dezelfde richting begeven.
Neen, men trekt doelbewust elk een kant op, de een meer uitdagend en kwetsend, de ander meer weeklagend en zalvend, maar van enig begrip voor of meedogen met hetgeen de anderen beweegt, is geen sprake meer."
Ds Kwast op deze woorden reagerend, zegt dan dat de gevolg en van deze gang van zaken in de Geref. Kerken zich in plannen van de "Verontrusten" reeds hebben aangediend.
"En op dit punt is mijn vraag of déze ontwikkeling niet al jaren geleden voorspeld had kunnen worden. Aan de éne zijde van de Gereformeerde Kerken veroorloven zich verschillende kerkleden - hoogleraren en docenten, maar ook predikanten en andere ambtsdragers - opmerkelijke vrijheden. Zij gaan met wat de belijdenis aan geestelijke eenheid tot uitdrukking brengt en met de kerkorde, op een bizonder soepele wijze om.
Synodale beslissingen en uitspraken leggen ze in eigen zin uit of veronachtzamen ze zelfs."
Ds Kwast stelt dan enkele puntige vragen, die voluit retorisch zijn. Het antwoord ligt er in! Hij vraagt namelijk: "Kan dan iemand het in alle oprechtheid de verontruste gereformeerde kwalijk nemen als ook zij zich doen horen en een "Naar uwe tenten, 0 Israël!" aanheffen? Is het beleid van de laatste generale synoden niet in verregaande mate bepaald door een verdraagzaamheid die in het gereformeerde verleden eenvoudig ondenkbaar zou zijn geweest?
Moest het voor buitenstaanders niet de schijn hebben dat deze synoden vooral geen brokken wilden maken? En konden de ingewikkelde synodale volzinnen waarmee noodverband na noodverband werd aangelegd, de confessionele crisis, waarin de Gereformeerde Kerken verkeren, nog aan het oog onttrekken?
Of de kerken het willen of niet, het uur van de ontknoping komt snel dichterbij, Ik geef prof. Runia grif toe dat de plannen van de verontruste gereformeerden met artikelen van de kerkorde en algemeen kerkelijke bepalingen op gespannen voet verkeren. Maar ik zie niet in dat een synode het zich zou kunnen permitteren in 1973 naar de verontrusten de zaak op scherp te stellen, nadat ze in 1972 en daarvóór naar de andere zijde de éne na de àndere kerkelijke mijn heeft ontscherpt."
De kerken bewegen zich voort op een weg die onvermijdelijk naar een kruispunt leidt.
En dat kruispunt ziet er naar de overtuiging van ds Kwast zo uit: "Of de Gereformeerde Kerken houden de koers van de laatste tien jaren aan en verdragen de tenuitvoerlegging van de plannen van "Schrift en Getuigenis" .... Of ze slaan een weg in waarbij ze haar confessioneel-gereformeerde karakter weer ernstiger gaan nemen en haar leden daaraan metterdaad. binden.
Doen ze het éérste, dan zal op synodaal èn op plaatselijk niveau een vergelijk tussen de Gereformeerde Kerken en haar verontruste leden gevonden moeten worden. Met prof. Runia ben ik het hartelijk eens dat zulk een vergelijk alsdan hoog nodig is om alle mogelijke conflicten te voorkomen. Maar tegelijk zouden de Gereformeerde Kerken dan openlijk erkennen modaliteitenkerk te zijn: een dubbelgangster van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Maar kiezen ze op het kruispunt de àndere weg - en ik behoef nauwelijks te schrijven dat daarnaar mijn voorkeur uitgaat - dan zullen de Gereformeerde Kerken eindelijk de moed moeten opbrengen zichzelf te zijn en - met alle begrip voor leden die haar op een ander spoor willen brengen - daarvoor te staan!
Of binnen de kerken voor de laatste keuze nog de geestelijke kracht opgebracht kan worden, is weer een ander verhaal. Maar wie het lot van die kerken aan het hart gaat, kan zich niet indenken dat onze huidige kerkelijke samenleving nog veel langer tegen haar koorts opgewassen zal blijven."
"zingen we nog hetzelfde lied?"
Een vurig voorstander van de "pluraliteit" van het belijden en zo van de kerk is prof. Rothuizen. Hij spreekt nog liever van "pluriforme eenheid". Hij waardeert die zeer positief.
Ze is z.i. een zegen voor de kerk.
In een reaktie op wat prof. Runia in het "Centraal Weekblad" over de spanningen in de Geref. Kerken opmerkte, schreef Rothuizen daarin een vurige verdediging van deze "pluriforme eenheid".
Runia erkent t.o. zijn collega volmondig dat er in de kerk een zekere pluriformiteit"
mag en zelfs moet zijn. En ook dat er in meer dan één opzicht nog van een "eenheid" onder de broeders kan gesproken worden. Namelijk in het christen-zijn en in het nog altijd gebonden zijn aan de gereformeerde traditie.
Maar, zo zegt Runia dan, men moet de bestaande verschillen niet onderschatten. "Ik wil niet onnodig pessimistisch zijn, maar geloof toch zonder overdrijving te mogen zeggen, dat de krachten die momenteel onder ons aan het werk zijn eerder middelpuntvliedend dan middelpunt-zoekend zijn. Een van de meest ingrijpende verschillen is m.i. de wijze waarop we de bijbel lezen. Als ik b.v. naast elkaar zet, wat dr Wiersinga in zijn dissertatie en ook in zijn laatste publikatie over de bijbelse leer der verzoening zegt èn wat prof. Herman Ridderbos in zijn deeltje in de serie 'Theologie en Gemeente' ('Zijn wij op de verkeerde weg?' Een bijbelse studie over de verzoening) geschreven heeft, dan is hier ongetwijfeld een stuk pluraliteit, maar ik zou het niet meer 'pluriforme eenheid' durven noemen.
Het probleem waar de Geref. Kerken mee worstelen is dat de "geestelijke verbondenheid" tussen de kerkleden niet meer ervaren wordt. Prof. Rothuizen schrijft: "Het lijkt me niet meer mogelijk om Kuitert en de zijnen (de man staat bepaald niet alleen) en de zgn. verontrusten op één "theologische noemer te brengen." Daarin heeft hij gelijk zegt Runia.
Maar kan men de openbaar geworden verschillen tot "theologische" verschillen beperken?
Is de belijdenis, het belijden der kerk niet veeleer in geding? De belijdenis is de bindende faktor in de kerk. Moet die althans zijn. In de belijdenis heeft de kerk geprobeerd uit te spreken wat ze van het evangelie verstaan heeft. De belijdenis is "de lofzang, waarin de kerk haar geloof in God en in wat Hij in Christus gedaan heeft uitzingt."
En dat lied moet door de gemeente gezamenlijk gezongen worden. Door allen en door allen van harte.
Maar, zo gaat Runia dan verder, "de vraag waar velen vandaag mee zitten is: Zingen we nog wel samen dit lied? Of beginnen we zo langzamerhand verschillende versjes te zingen?
Natuurlijk kan men zeggen: Laat toch ieder vogeltje zingen zoals het gebekt is!
Daar heb ik op zich zelf geen bezwaar tegen.
Als het dan toch uiteindelijk maar hetzelfde versje is!
Hetzelfde geldt van de pluriformiteit in de theologie. Ook hier zie ik geen enkele reden waarom we het allemaal op dezelfde wijze zouden moeten zeggen. Maar - moeten we uiteindelijk toch niet 'hetzelfde' zeggen, tenminste als het om de centrale, fundamentele aspekten van het christelijk geloof gaat?
Prof. Rothuizen wijst op het feit, dat er in de bijbel toch ook de nodige verschillen zijn.
Inderdaad. Maar al deze verschillen zijn uiteindelijk altijd variaties op hetzelfde thema!
De bijbelschrijvers leggen de accenten telkens weer anders (dat hangt samen met de omstandigheden, maar ook met de persoonlijkheid), maar vormen samen een machtig symfonieorkest, waarin elk instrument er toe bijdraagt om de rijkdom van de heilssymfonie te vertolken."
Dit was een poging een situatietekening te geven van wat er in de Geref. Kerken gaande is.
Ik heb geprobeerd het zo objectief mogelijk te doen.
Waar mijn hart naar uitgaat zal uit wat ik schreef toch te merken zijn. Ik troost me met een van Groen van Prinsterer's boeiende en diepzinnige paradoxen: "Onpartijdig kan alleen hij zijn die partij kiest."
Kampen.
1) In deze reeks verscheen o.a. de bekende studie van prof. Herman Ridderbos "Zijn wij op de verkeerde weg", een kritische bespreking van Wiersinga's verzoeningstheorie.