Nog enkele veranderingen na de Mammoetwet
1973-03-30
In het artikel van vorige week, dat over dit onderwerp ging, werd geschreven over de veranderingen van het basisonderwijs. Tevens kwam de integratie van het basis- en kleuteronderwijs ter sprake.- Jaargang 17
- nummer 13
Deze week wordt aandacht besteed aan de konsekwenties van deze veranderingen voor de opleiding van het onderwijzend personeel. Ook de pedagogische akademie krijgt een andere opzet.
I. Naar een andere Pedagogische Akademie
Zowel de structureel/organisatorische als de pedagogisch/didaktische veranderingen op de basisschool (B.S.) zullen gevolgen hebben voor de Pedagogische Akademie (P.A.), aangezien dit schooltype als voornaamste doel heeft het opleiden van jonge mensen tot onderwijzer op de B.S.
Om te komen tot een geslaagde integratie van B.S. en Kleuteronderwijs zal eerst of tegelijkertijd de KLOS (Kleuterleidsters-opleidingsschool) moeten samensmelten met de P.A. Met opzet druk ik me zo uit, want het is nu al duidelijk: de KLOS wordt de klos. In de meeste, zo niet alle gevallen, zal de KLOS als afzonderlijk schooltype op houden te bestaan en opgaan in een naburige P.A. Dat dit op zichzelf al talloze problemen met zich mee zal brengen, is buiten kijf. Toch is deze samensmelting een onmisbare voorwaarde voor het al of niet slagen van de integratie van het basis- en kleuteronderwijs. De P.A. van de toekomst zal dus mensen op gaan leiden voor het geven van onderwijs aan 4 tot 12 jarigen. Nu brengt men op pedagogisch/ didaktische gronden een scheiding aan tussen het onderwijs aan kinderen van 4-8 (= kleuterschool + klas 1 en 2 van de B.S.) en aan kinderen van 8-12 jaar (= klassen 3-6 van de B.S.). Het is nu de bedoeling dat de studenten aan de P.A. zich tijdens hun studie gaan specialiseren op één van beide leef tijdsgroepen, terwijl voor begaafde studenten waarschijnlijk de mogelijkheid zal worden opengelaten, om beide groepen in hun studie te betrekken.
Er werd (en wordt) van onderwijzers nogal eens gezegd dat ze eigenwijs zijn. Welnu, als dat zo is, dan is dat geen wonder. Immers de onderwijzer werd geacht van alles verstand te hebben: van taal, rekenen, geschiedenis, biologie, tekenen, handenarbeid, gymnastiek; hij moest goed kunnen zingen, vertellen, vaardig zijn met zijn handen, fantasie bezitten, leiding kunnen geven en gaat U maar door. De onderwijzer die van de P.A. kwam, was (en is) een "schaap met vijf poten".
Ook daar wil men nu verandering in brengen en wel door de eerste-jaarsstudent op de P.A., na een oriëntatieperiode, te laten kiezen voor een verdergaande studie in twee zgn. "zaakvakken" (w.o. geschiedenis en natuurkunde b.v. vallen) en twee expressievakken (b.v. tekenen en muziek). Daarnaast zal iedere student de colleges o.a. moeten volgen in Nederlands, rekenen, pedagogiek en algemene didaktiek, psychologie en maatschappijleer.
Naast een evt. specialisatie (4-8 of 8-12 jaar) dus een differentiatie in twee zaak- en twee expressievakken. Wel 'moet in dit verband opgemerkt worden, dat men in het huidige stadium vooralsnog streeft naar een "algemene benoembaarheid", ongeacht specialisatie en differentiatie, wat meteen een volgend probleem in zicht brengt, nl. dat van de her-, na- en bijscholing, maar daarover later.
In het voorgaande hebben we impliciet ook gezien, dat er vroeger te veel en te eenzijdig de nadruk werd gelegd op het intellectualistische leren. In de huidige didaktiek wordt ook en meer aandacht geschonken aan andere vormen van leren, b.v. inzicht bijbrengen, verantwoordelijkheid kunnen dragen, het in groepen kunnen werken, zelfstandig iets oplossen, het samen iets bespreken in een kringgesprek e.d. Vanzelfsprekend wordt daar ook veel aandacht aan geschonken op de P.A. De vaak gehoorde klacht "dat er op de B.S. zo weinig meer geleerd wordt", heeft dus te maken met een eenzijdige opvatting van het begrip "leren". Bovendien, zo wordt gezegd: wat is belangrijker voor een kind op de B.S.? Dat het veel van een bepaald vak leert of dat de interesse gewekt wordt? Bij de beoordeling van dit alles komen we op deze vraag terug.
Een ander vraagstuk waar de B.S. en de P.A. mee te maken hebben is de kwestie of de zgn. vakkenscheiding (geschiedenis-aardrijkskunde-natuurkunde enz.) niet kunstmatig is en doortrokken dient te worden. In dit verband zal de term "Wereldoriëntatie" U niet onbekend in de oren klinken. Daar de meningen onder de diverse deskundigen daarover nog zeer verdeeld zijn, laat ik dit probleem nu maar rusten.
Uit het bovenstaande kunt U, dacht ik, nu wel de conclusie trekken, dat zowel het Kleuter- en Basisonderwijs als de opleidinpen daarvoor fundamentele en diepingrijpende veranderingen te wachten staan.
II. Het vraagstuk van Her- en Bijscholing
Er zal dus een andere B.S. komen. Dat impliceert een andere onderwijzer. Dat brengt met zich mee een andere P.A., wat tot op zekere hoogte ook betekent een andere P.A.-docent. In de eerste plaats zullen er dus cursussen moeten komen, die de huidige P.A.-docenten geschikt maken voor hun nieuwe taak, die o.a. zal bestaan in het her- en bijscholen van de onderwijzers op de huidige B.S. Het zal duidelijk zijn dat er in P.A.-
kringen naar wordt gestreefd, dat dit laatste zal behoren tot hun normale lestaak, m.a.w.
niet bovenop hun normale weektaak zal komen, aangezien deze toch al verzwaard zal worden door het volgen van voor hen bestemde cursussen en het op nieuwe manieren opleiden van hun studenten plus eventuele nascholing.
Wat de bijscholing van de B.S.-onderwijzers betreft, ook daar liggen problemen aangaande tijd, geld en capaciteiten, om nog maar te zwijgen van aanpassings- en leeftijdsmoeilijkheden.
Wat de KLOS aanstaat, doemt nog een andere kwestie op. In de overgangstijd naar een volledig verdwijnen van de KLOS als afzonderlijk schooltype, zal de vooropleiding voor de KLOS aangepast dienen te worden aan die van de P.A. Op dit moment is de MAVO voldoende als KLOS-vooropleiding, terwijl de HAVO die functie vervult bij de P.A. Het programma van de KLOS zal in die overgangstijd ook verzwaard dienen te worden.
Overbodig te zeggen dat ook de huidige docenten aan de KLOS d.m.v. cursussen voorbereid zullen moeten worden op hun nieuwe taak, die in elk geval zal bestaan uit het lesgeven aan studenten die zich hebben gespecialiseerd in de leeftijd van 4-8 i.p.v. 4-5 jaar, terwijl ook de mogelijkheid bestaat, dat ze algemeen benoembaar worden aan de nieuwe P.A., wat weer een verdergaande studie vereist.
Gezien de veelheid en de omvang van deze en andere problemen, wordt er gedacht aan een geleidelijke invoering van een en ander, wat al een hele verbetering zou zijn, vergeleken met de invoering van de Mammoetwet, die allesbehalve geleidelijk is gegaan, hetgeen voor een groot deel de mislukking ervan ook verklaart m.i. Het hele proces zal op zijn minst 10 tot 15 jaar in beslag nemen.
III. Conclusies en beoordeling
Wat moeten we nu van dit alles denken? Zit hier meer achter dan modieuze vernieuwingsdrang?
Is ook dit een uitvloeisel van het "oprukkende marxisme? Het is natuurlijk duidelijk, dat maatschappelijke veranderingen bij dit alles een grote rol spelen. Onze maatschappij is bij uitstek een dynamische. De informatie die wordt aangeboden, is veelomvattend en velerlei. Veel meer dan vroeger weet ook het jonge kind al, wat er in ver verwijderde gebieden op aarde aan de hand is. Wil het kind later als volwassene al wat hem wordt aangeboden kritisch kunnen beoordelen, dan zal het dat vanaf het begin moeten "leren". Wil het later in een steeds sneller veranderende maatschappij niet alle zekerheden verliezen, dan zal het vanaf het begin moeten "leren" flexibel te zijn, immers flexibel kun je alleen zijn, staande op een vaste grond. Om af te kunnen wijken van bepaalde regels, moet je eerst de regels kennen.
Dit brengt met zich mee, dat het kind vanaf het begin moet "leren" verantwoordelijkheden te dragen, samen te werken, maar ook zelfstandig te kunnen zijn enz. Dit alles wordt nu beoogd met de bovengenoemde onderwijsveranderingen.
Vandaar dat men wil uitgaan van het vragende kind, wat iets anders is dan datzelfde kind als norm te stellen.
Uitgaande van de kinderlijke interesse en verwondering zal men het moeten (bege) leiden OP de weg naar de volwassenheid. Dat wij als Christenen daarover moeten meedenken en moeten meestuderen, ons niet afzijdig moeten houden, ook organisatorisch niet, staat voor mij als een paal boven water, anders missen we de boot en wordt ons iets opgedrongen wat we beslist niet hebben willen.
Uit het bovenstaande zal duidelijk geworden zijn, dat ik uit onderwijskundig oogpunt de toekomstige veranderingen toejuich. De problemen zijn groot, de gevaren niet minder, maar er wordt gestudeerd en er wordt gewerkt!
Een van de gevaren wil ik in het kort nog apart behandelen. Er zal op grote schaal heren bijgeschoold moeten worden en het is niet verwonderlijk dat de gedachten gaan in de richting van massale t.v.-cursussen. Hier nu dreigt het gevaar van een eenzijdige aanpak.
Een mogelijke oplossing zou m.i. zijn een combinatie van t.v.-lessen, schriftelijke lessen en mondelinge discussiebiieenkomsten, waardoor alle levens- en wereldbeschouwelijke richtingen althans enigszins tot hun recht komen, terwijl anderzijds de vrijheid van onderwijs, wat de inhoudelijke kant, betreft zo min mogelijk aangetast zal mogen worden. Waakzaamheid is hier geboden, maar niemand - het zij nogmaals gezegd! - is gebaat bij afzijdigheid of een te grote skepsis.
Ook hier geldt: "Weest Nuchter en Waakt".
P.S. Het antwoord op de vraag wat voor het B.S - kind belangrijker is: veel weten van iets of interesse hebben of krijgen in iets, wordt door mij beantwoord met: het laatste.