Boekbespreking
1973-03-30
- Jaargang 17
- nummer 13
Prof. dr K. J. Pompa - Evangelie en geschiedenis.
Uitgave van Buijten en Schipperheijn, Amsterdam, 1972.
Als 20ste deel van de serie Christelijk Perspectief kwam dit geschrift van prof. Popma van de pers. De auteur schrijft op de van hem bekende wijze over de geschiedenis als heilmakingsgeschiedenis, nl. voor wat de tijd tussen de moeder belofte en het eindgericht betreft.
Popma neemt aan dat er tussen Gen. 1 : 1 en Gen. 1 : 2 een kloof heeft bestaan. Toen trad de chaos op, met beroep op Jes. 45: 186, die door God niet direkt ongedaan werd gemaakt.
Daartoe volgt God een historische weg. Over die historie en de strijd daarin tussen God (Christus) en de demonische machten geeft Popma zijn diepzinnige, flitsende beschouwingen in verschillende hoofdstukken.
Na de inleiding komt een beoordeling van de geschiedenis, waarin verschillende figuren uit de oude kerk met hun oordeel over de geschiedenis kort de revue passeren. Dan volgt III de articulatie; IV de eenheid der geschiedenis en V geschiedenis als overwinning. Het geheel is vrucht van bijbelstudie, nadenken over de geschiedenis met de Schrift in de hand, wat niet wil zeggen dat men elke opmerking zal onderschrijven: de anonieme christen in de kring van de chassidim, 93; de tekening van het Judaïsme, dat zou pretenderen zelf de wet te hebben voortgebracht, 95; om maar iets te noemen.
G. Janssen
Dr B. Wentsel: De koers van de kerk in een horizontalistisch tijdperk 11.
Uitg. J. H. Kok B.V. Kampen 1972. 100 blz. Prijs f 7,90.
Dit is het vierde deel van de serie "Theologie en gemeente". Het is wel bekend, dat de medewerkers aan deze serie in hun opvattingen ongeveer overeenstemmen met het zg. "Confessioneel Beraad" in de gereformeerde kerken (syn.), Men heeft ernstige bezwaren tegen de zg. nieuwe theologie,weet die ook goed te formuleren, maar men wil op het beslissende ogenblik de consequenties niet aanvaarden. Men toont zich dan weer erg beducht voor de zg. polarisatie. Daarom is var; dit confessioneel beraad helaas weinig te verwachten voor het concreet herstel van de kern.
Zo menen we al tegelijk de kracht en de zwakheid van deze boekjes, ook van het werk van dr Wentsel, getekend te hebben.
Dit boek is een vervolg op deel I en telt zes hoofdstukken (van 9-14). Achtereenvolgens worden behandeld de plaats van Christus bij de schepping, de volgorde schepping. – zondeval/verlossing, het anonyme christendom, de zaligheid door Christus alleen, de opstanding en hemelvaart en de verzoening.
Het zijn allemaal zeer actuele kwesties, en zij hebben in de kerken, waarvan dr Wentsel lid is, zeer veel beroering gebracht (en daar niet alleen).
Vooral ook over de historische zondeval en de verzoening is hevig gediscussieerd, Maar alle kwesties zijn van grote betekenis. Het één hangt trouwens onlosmakelijk met het ander samen.
Vooral het eerste hoofdstuk: "Schiep God de wereld in en om Christus?" is van betekenis.
Terecht wijst de schrijver de opvatting van Karl Barth en van veel (oudere en) nieuwere r.k, theologen van de hand. Barth stelde, zoals bekend is, dat de innerlijke grond van de schepping het verbond is. Alles is volgens hem geschapen in, om en door Jezus Christus.
Daartegenover stelt Wentsel o.i. terecht, dat we schepping en genade niet mogen verwisselen, of in elkaar doen overvloeien (blz. 14). Met een beroep op Joh. 1, Coloss. 1 en Hebr. 1 zegt Wentsel, dat het verlossingswerk berust op het scheppingswerk, en niet omgekeerd, En Wentsel heeft m.i. gelijk. Toch had hij naar mijn mening wel wat meer nadruk mogen leggen op het feit, dat God zich al dadelijk bij de schepping in gunst tot de mens wendde. De mens verbeurde weliswaar deze gunst, maar God nam de afgebroken draad weer op. Hij herstelde de gemeenschap.
Christus betaalde onze schuld. De genade die wij nu ontvangen is verbeurde gunst.
In de dertiger jaren van deze eeuw heeft met name ds G. S. de Graaf deze gedachten ontwikkeld, b.v, in een artikel in Philosophia Reformata, 1e jaarg. (1936) pag. 17 vvo Het artikel had tot titel: "De genade Gods en de structuur der ganse schepping".
Het verschil tussen De Graaf en de nieuwere theologen is, dat eerstgenoemde een historische zondeval aanneemt, en ook dat de genade na de zondeval niet aan alle mensen ten goede komt, terwijl de beschouwingen van Barth en ook die van de nieuwere r.k. en reformatorische theologen een universalistische strekking hebben.
Maar heel juist is het als De Graaf schrijft: "De verbondsgemeenschap tussen God en mens, was voor God het hoogste, wat Hij bewerken wilde. Daartoe schiep Hij de ganse wereld. Immers het eeuwige Woord, dat die gemeenschap bewerkstelligen zou, liet Hij de ganse wereld voortbrengen. De genade of gunst is dan niet iets, dat bij een deel van het geschapene bijkomt, maar ze is het hoofdthema van Gods schepping. Zo was het vóór de zondeval, zo is het nu ook na de zondeval. Het Woord van Gods verbondsgemeenschap komt niet bij het Woord, waardoor Hij schiep, maar zijn scheppend Woord is er om het Woord zijner gunstige gemeenschap" a. art. pag. 26). Van belang is ook wat De Graaf schrijft op blz. 27: "Dat Hij het eeuwige Woord is, duidt aan de taak, die Hij op zich genomen heeft, de roeping, die Hij vervult, een roeping, die Hij voor de zondeval vervulde, en die Hij ook na de zondeval op andere wijze voortzette" .
Het komt ons voor, dat de teksten in Joh. 1, Efez. 1, Coloss. 1 e.a., op welke de nieuwe theologen zich telkens beroepen, als ze Christus een plaats bij het scheppingswerk toekennen, hier goed verwerkt zijn.
In de nieuwe theologie heeft men schepping en verlossing inderdaad verward, verwisseld, en in elkaar doen overvloeien (zie Wentsel pag. 14).
Maar Wentsel zet zich wat te eenzijdig tegen dit alles af. Bij de uitleg van De Graaf komen Joh. 1, Efez. en Colloss. 1, Openb. 3: 14 e.a. meer tot hun recht dan bij de gebruikelijke exegese, waarop de schrijver misschien al te veel terugvalt.
Maar geheel vallen wij hem bij, wanneer hij zegt, dat de komst van Christus in het vlees niet in verband moet worden gebracht met de schepping (een oude dwaling, die o.a. bij de ethischen terugkeerde) maar met de zonde (zie pag. 13). Het is goed met De Graaf te onderscheiden tussen de gunst door het eeuwige Woord, en de genade (schuldvergevingsgunst) na de val, door de Zoon (het vleesgeworden Woord). Bij Barth e.a. valt dit verschil tussen het Woord voor en na de vleeswording weg.
Maar bij Wentsel wordt toch niet voldoende gezien, dat het één lijn is. God schept de mens naar zijn beeld en herschept hem ook weer. Als de verlossing niet ten onrechte herschepping heet, is er een nauwer verband tussen schepping en verlossing, dan we uit dit boekje zouden opmaken.
Maar, en hier is een groot manco van de nieuwe theologie - de verlossing geldt niet de hele mensheid, maar alleen de uitverkorenen, en de verlossing is hier op aarde nog maar zeer ten dele en de verlossing zal niet komen binnen deze horizon, noch de vormen van een aards rijk (zie b.v. 11 Petr. 3 : 10).
Hoewel over dit alles nog heel veel te zeggen zou zijn, moeten we het voor dit hoofdstuk hierbij laten.
In een volgend hoofdstuk gaat Wentsel in op de volgorde schepping-zondeval-verlossing. We weten dat velen, o.a. Kuitert, deze volgorde verwerpen en van een zondeval als historisch incident niet willen weten.
De laatste synode der Gereformeerde Kerken te Lunteren sprak in november 1972 uit, dat de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders als een gebeuren in Genesis is geopenbaard.
Dit is een onduidelijke en dubbelzinnige uitspraak, (daarin heeft Kuitert volkomen gelijk). Alleen heeft Kuitert het naar de zin van de synode wat te vroeg gezegd.
Wentsel maakt in dit verband juiste opmerkingen over het gezag van de Heilige Schrift, die duidelijk de historiciteit van de eerste mens en zijn val in zonde leert.
Het is ook verkwikkend te merken, dat Wentsel de erfzonde in de klassieke vorm handhaaft.
En het is een goede zaak als Wentsel er op wijst, dat Berkouwer fout is gegaan, toen hij alle vragen naar de oorsprong van de zonde als ongeoorloofd afwees.
Toch maakt Wentsel o.i. ook weer te veel relativerende opmerkingen. B.V. wanneer hij op blz. 33 zegt, dat het een reële vraagstelling is van Kuitert, Rothuizen e.a. die menen dat het kennisniveau van Paulus maar beperkt was. En op blz. 34 lezen we: "Overigens blijft het een moeilijk vraagstuk hoe zulk een ingrijpend dogma (de erfschuld) eigenlijk maar op één tekst rust (Rom. 5: 12-21). Die ene tekst staat o.i. echter niet apart, maar neemt een sleutelpositie in de verlossingsleer in.
In hoofdstuk 11 horen we van anonyme genade en anonym christendom. Hier komen we weer de namen van Ralhner, Hoekendijk en Kuitert tegen. Terecht oordeelt Wentsel, dat de geloofsomschrijving bij deze drie te schraal is en dat bij de laatste twee het horizontale heil als sjaloom onvoldoende wordt onderscheiden van het heil als zalige en exclusieve gemeenschap met God (pag. 53).
We zijn dankbaar dat Wentsel vasthoudt aan de realiteit van opstanding en hemelvaart. Hij uit in dit verband bezwaren tegen b.v. G. Bornkamm en B. van Iersel (zie pag. 63 vv). Maar hij had ook Kuitert en Augustijn moeten noemen.
Want ook dezen stellen het heilsfeit van de opstanding van Christus op zijn minst disputabel. 1) Dit is alles veel dichterbij dan de schrijver het ons wil doen voorkomen.
Heel duidelijk is Wentsel weer, wanneer hij Wiersinga's verzoeningsleer verwerpt. Zoals ook Herman Ridderbos het deed in zijn voortreffelijk werk "Zijn wij op de verkeerde weg?" in dezelfde serie.
Toch oordeelt Wentsel niet steeds radicaal genoeg, b.v. wanneer hij vindt, dat zij die het plaatsvervangend lijden en de overdracht van schuld loochenen het fundament van onze zekerheid en zaligheid slechts ten halve ondergraven (pag. 85). Wentsel wijst er in dit verband op, dat Christus in de beschouwingen van Wiersinga wel ons effectieve verandering heeft verworven.
Dan blijft er volgens hem nog een zwak fundament over.
Wanneer men echter het plaatsvervangend werk van Christus ontkent, kan er geen vernieuwend werk plaats hebben. De heiligmaking kan alleen voortvloeien uit en volgen op de rechtvaardiging om niet. Is er geen rechtvaardiging op grond van het plaatsvervangend werk van Christus, dan ook geen levens vernieuwing, en dan valt het gehele fundament weg en niet het halve, zoals Wentsel suggereert.
In dit verband hebben wij ook bezwaar tegen een uitspraak op blz. 86: "De innerlijke gemeenschap tussen de gelovigen moet zo intens en volkomen zijn, dat onderlinge spanningen tengevolge van meningsverschillen of dwalingen op een duidelijk-zichtbare harmonie worden opgelost".
Er kunnen uiteraard meningsverschillen zijn, waarin we elkaar moeten verdragen. Maar de schrijver is te generaliserend: we kunnen niet elke dwaling tolereren.
De kerk heeft Arius en Pelagius, en ook anderen veroordeeld, deze dwalingen werden niet in een duidelijk-zichtbare harmonie opgelost.
Het werk van Wentsel is in menig opzicht heel waardevol. Duidelijk worden de gevaren van het horizontalisme aangewezen. We krijgen in kort bestek goede informatie over veel theologen, die horizontalistisch denken.
Maar de schrijver is niet radicaal genoeg in het trekken van conclusies. Hij wil uiteindelijk te veel alles bijeenhouden, en zo ijzer en leem vermengen.
Met deze reserve kunnen wij de twee delen van het boek van Wentsel hartelijk aanbevelen.
M. J. ARNTZEN
1) Dit alles is nader uitgewerkt in en over enige tijd verschijnend boekje van mijn hand "Ootmoed of hoogmoed", zie ook W. H. Velema: "Aangepaste theologie", blz. 80, 81