KERKELIJK LEVEN

1973-04-06
  • Jaargang 17
  • nummer 14
• Heden: dag van heil

Tot een van de gegevenheden, waarover wij mensen altijd gedrongen worden na te denken, behoort ook dat van de tijd. Onder christenen is dat ook veelvuldig gebeurd. In vrijwel alle boeken over de christelijke geloofsinhoud, tenzij het monografieën over bepáálde onderwerpen zijn, wordt over de tijd nagedacht, meest in verband met de eeuwigheid.
Verschillende opvattingen worden hierover naar voren gebracht. We kunnen er niet aan denken daarop hier in te gaan en dat is ook niet de bedoeling. Het is goed, dat over de hier rijzende vragen wordt nagedacht. Dat !kan dienen tot een beter verstaan van de Heilige Schrift in haar spreken over ons leven met zijn verantwoordelijkheden in dit ons aardse bestaan en over ons leven in de komende heerlijkheid, door het geloof in Jezus Christus. Een onzuiver, on-bijbels denken over tijd en eeuwigheid kan immers ons het rechte zicht op de bijbelse verkondiging ontnemen of dat in elk geval vertroebelen.
Maar bij al dat nadenken zullen we ons toch door de duidelijkheid van de Schrift moeten laten leiden. Zij geeft nl. wel geen filosofische beschouwing over tijd en eeuwigheid - vandaar dat we er veel over mogen nadenken - maar zegt wel enkele duidelijke dingen, die aan al ons nadenken richting willen geven. Daarbij hebben we goed in het oog te houden dat de Bijbel geen filosofisch, maar een door en door religieus boek is. Ook zijn spreken over de tijd staat in dit raam, het raam van de verhouding van God tot mens; onder het gezichtspunt van wat God gewerkt heeft in de tijd, in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, toen en toen.
Daarom stelt de Heilige Schrift de tijd in het licht van deze heilswerken van God en in verband daarmee in dat van onze verantwoordelijkheid tegenover de verkondiging van dat door God gewerkte heil.
Duidelijk komt dit uit in het Bijbels gebruik van het woord "heden". Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven, zegt Jezus tegen de tollenaar te Jericho, die om Hem te zien in een wilde vijgeboom was geklommen, Luc. 29 : 5.
En wanneer Zacheüs zich aan Jezus gewonnen heeft gegeven, zegt de Heiland: Heden is aan dit huis redding geschonken, vers 9. 't Is een vervolg op de evangelieverkondiging aan de herders van Bethlehem: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David, Luc. 2 : 11.
Door Christus is het "heden" gesteld in het licht van Gods genade en heil. Jesaja heeft daar reeds van geprofeteerd: ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord en ten dage des heils ben Ik u te hulp gekomen; zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is ihet de dag van het heil, Jes. 49 : 8.

• Heden - tijd van verkondiging

Zo breekt sinds de dagen van Johannes de Doper het Koninkrijk van God zich baan en Jezus zendt zijn discipelen uit, om dat Koninkrijk te verkondigen, reeds tijdens zijn leven op aarde. Dan is de prediking nog beperkt tot het Joodse land, maar na zijn opstanding zendt Hij ze als apostelen uit tot alle volken: Gaat dan heen, maakt al de volken tot Mijn discipelen, Matth. 28 : 19.
Sindsdien gaat het evangelie over de gehele wereld als verkondiging van Gods verlossing van de wereld, van de vergeving van de zonden door het bloed van Christus. God heeft aan Paulus en zijn mede-apostelen de bediening van de verzoening gegeven: wij zijn dun gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen we u: laat u met God verzoenen, 2 Cor. 5 : 18, 20. Daarom moet Timotheüs het woord verkondigen, gelegen of ongelegen, letterlijk, op welgelegen of ongelegen tijd, want de tijd wordt nu verkondigingstijd dat geeft hem z'n eigenlijke bestemming.
Eerder kan het einde van onze aardse tijd dan ook niet komen, dan wanneer het evangelie in de gehele wereld gepredikt is. Christus leert ons dat duidelijk in zijn rede over de laatste dingen, Matth. 24: 14.
Christus zendt Zijn Geest tot de Zijnen om hun zijn evangelie te doen verkondigen. Zij spreken, maar het is de Geest, die door hen het evangelie uitdraagt over de gehele wereld, om haar te overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel, Joh. 10 : 8.

• Heden - tijd van geloof

Daarom is het "heden" ook de tijd van het geloof. De prediking roept tot het geloof op.
De Geest van Christus wil door haar het geloof werken in de harten van zondaren en hen zo tot Christus brengen. Maar door de verkondiging, op welke wijze die ook plaats vindt. En door die verkondiging roept Hij op tot bekering en aanvaarding van het heil, dat Christus heeft gewerkt. 't Gaat nooit buiten de verantwoordelijkheid van de aangesproken mens om.
Door zijn ongeloof zal hem het heil ontgaan, zoals dat het geval was met het ongelovige volk Israël tijdens de woestijntocht.
Zij konden in de rust van het beloofde land niet ingaan door hun ongeloof, zegt de schrijver van de brief aan de Hebreeën, 3: 19. Op aangrijpende wijze tekent hij ons de straf op dat ongeloof. Ze verbitterden God en hun lijken lagen daarom in de woestijn, vers 16 en 17.
Met ernst waarschuwt hij zijn lezers om niet in datzelfde ongeloof te vervallen. Want er is een rust, die wacht. Daarom stelt God weer een dag vast, heden, als Hij door David na zo lange tijd spreekt: Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, 4 : 7. Indringend schrijft hij: Laten wij er dus ernst mee maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dat voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen, vs 11.

Het heden is de tijd om te geloven!
Die tijd moeten we niet laten voorbij gaan, want het is den mensen beschikt éénmaal te sterven, en daarna het oordeel, Hebr. 19 : 27.
Het héden is de tijd van de beslissing.
Nergens in heel de Bijbel wordt iets afgedaan van het beslissingskarakter van deze onze aardse tijd; van dit heden, waarin God zijn heil in Christus gaf en doet verkondigen.
God laat dit "heden" nog voortduren, omdat Hij niet wil dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen, 2 Petr. 3 : 9. Op allerlei manier dringt de Bijbel dit beslissende karakter van de tijd bij ons aan.

• Als Christus weerkomt

Er is daarom geen reden om de mogelijkheid aan te nemen dat nog tijdens het eindgericht de keus voor het leven openstaat.
Prof. dr K. J. Popma stelt die mogelijkheid " in zijn laatst verschenen boek "Evangelie en geschiedenis"; voorzien van een "misschien": Misschien mogen wij aannemen ... " Dit misschien vindt geen grond in het evangelie, kan alleen voortkomen uit menselijke overwegingen als: velen zijn niet juist ingelicht over het evangelie. Mogelijk krijgen zij nog een kans, vindt Popma. Mogelijk ook velen van hen, die de wil van hun Heer hebben gekend en niet hebben gedaan; om behouden te worden "als door vuur heen", pag. 187.
Deze en dergelijke speculaties - want meer zijn het niet en ze verwijderen zich van de Schrift - doen gemakkelijk aan de ernst van het "heden" af, omdat ze het beslissend karakter ervan verzwakken. Een groter kwaad kunnen we de prediking wel niet aandoen.
't Is hier soortgelijk als met de leer van het vagevuur, dat zou reinigen van de overgebleven zonden, en daarom voor de zielen nodig om de hemel binnen te kunnen gaan.
Zelfs in Roomse kring is daar aanvankelijk tegen geprotesteerd omdat door deze leer de roeping tot heiliging in dit leven gemakkelijk kon worden verzwakt. Immers, ná het sterven zou er nog een mogelijkheid tot reiniging zijn, een láátste fase. 1) De ernst van de huidige fase, van de tijd van het aardse leven wordt zo gerelativeerd.
Hetzelfde valt te zeggen van Popma's spreken over de mogelijkheid van een keus ten leven tijdens de voltrekking van het eindgericht. Het kan ook de ijver van de kerk verslappen om het zuivere evangelie te verkondigen, ook aan hen, die "foutief ingelicht worden", om die uitdrukking even over te nemen; en aan hen, die de weg niet geweten hebben en met weinige slagen zullen geslagen worden, waarvan Popma maakt: ze zullen een berisping krijgen eer ze ingaan in het feest van hun Heer! pag. 186.

• Het oordeel

Boven geschetste mening van prof. Popma houdt volgens hem in dat het aantal van hen, die tot het verblijf in de buitenste duisternis veroordeeld zullen worden, betrekkelijk klein zal blijken te zijn, pag. 186.
Ook hiermee begeven we ons op het terrein van de speculatie, van een 'theologisch denken dat - afgezien van zijn niet in Schrift gegrond zijn - zich vervreemdt van de bijbelse manier van spreken over deze dingen. De Heilige Schrift spreekt over het eeuwige oordeel altijd in het raam van vermaning en waarschuwing. Daarop heeft prof.
Berkouwer terecht gewezen, al moet men geen tegenstelling maken tussen oriëntering en verontrusting, want van de laatste kan zonder de eerste geen sprak ziin.2) De oriëntering, de informatie staat in het raam van de prediking, van de waarschuwing.
Prof. Popma wil aan de ernst van de hek niet tekort doen. Vergeten we de realiteit van de hel, dan verkeren we religieus in een dodelijke situatie, schrijft hij terecht, pag. 195.
Maar of de verveling in de plaats van het eeuwig oordeel nu het eigenlijke ervan is, dàt staat nog te bezien. Het woord is te psychologisch, te weinig religieus gestempeld.
Daarom kan het het eigenlijke van de eeuwige pijn niet aangeven.
We moeten hier trouwens maar uiterst sober zijn in ons sr-reken. De HERE is mijn licht en heil, Ps. 27 : 1 - de hel is de plaats van de buitenste duisternis. Er is geen levensgemeenschap met Hèm! Wel oordeel.
Daarom is er in de Schrift sprake van de "schrik des Heren", waarop Popma terecht de aandacht vestigt, pag. 194.
De Nieuwe Vertaling heeft deze uitdrukking niet meer in 2 Cor. 5 : 11. Daarin lezen we: Daar wij dan weten, hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen.
Maar de bedoeling blijft gelijk. Christus is als de komende wereldrechter te ontzien, te vrezen, want Hij zal oordelen naar wat wij in ons aardse leven gedaan hebben, 't zij goed, 't zij kwaad, vers 10. Hij zal de zonde en boosheid oordelen - daarom wordt Paulus bewogen om de mensen de enige redding te verkondigen. Want alleen die verkondiging kan in het heden van de genade (2 Cor. 6 : 2) hen redden. De nieuwe tijd is de tijd van de beslissing.


1) Zie Dr G. C. Berkouwer, Dogmatische studiën, de zonde,II pag. 341.
2) Dr G. C. Berkouwer, Dogmatische studiën, De wederkomst van Christus Il, pag. 229.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief