Waar gaat het met ons volk naar toe?
1973-04-06
We beleven dagen van grote politieke spanning.- Jaargang 17
- nummer 14
Er zijn dingen gebeurd, beslissingen gevallen, die van diep ingrijpende betekenis zijn voor ons gehele volksleven.
Wat zal uit de wirwar van de huidige gebeurtenissen te voorschijn komen?
De vraag moet gesteld worden: zal in ons land een parlementaire democratie blijven of zakken we langzaam maar zeker af naar de anarchie, mèt de daaruit onafwendbaar opkomende dictatuur?
En voorts: zal er in ons land plaats blijven voor authentiek christelijke politieke activiteiten?
En, wat nog belangrijker is: zal er in ons volk een "volksdeel" blijven dat het geloof, de moed, de offerbereidheid, de zelfverloochening zal kunnen opbrengen om zo'n christelijke politieke activiteit mogelijk te maken en bij de voortduur te dragen? Of zal het politieke, het staatkundige bedriif al meer beheerst worden door de lege leuzen “conservatief”-
“progressief", aangeheven in de vele, grauwe atmosfeer van de "moderne algemeenheid" - een woord dat als plaatsvervanger optreedt van de versleten term "neutraliteit", overigens met behoud van dezelfde onwaarachtige inhoud?
Voor de kerk, de gelovige, is deze gang van zaken van het hoogste belang.
Niet alleen in dit opzicht, dat zij zonder meer de roeping hebben zich ook intensief bezig te houden met de belangen, het welzijn, de toekomst van het volk waartoe zij behoren en te midden waarvan zij leven. Maar ook in een ander opzicht, dit namelijk, dat de politieke situatie, speciaal ook de aard van de regering, voor hun plaats en werk in het volksleven van grote betekenis zijn. Men vergelijke maar eens met elkaar de positie van de protestantse kerken in Spanje, die van de kerken achter het ijzeren gordijn en die welke leven in de volken die - nog! - op democratische wijze worden bestuurd.
Grote actualiteit hebben deze vragen gekregen door wat er in en rondom de kabinetsformatie is geschied.
Het optreden van het duo Burger-Den Uyl, dat het de "confessionele" partijen onmogelijk maakte regeringsverantwoordelijkheid te dragen, is een gebeurtenis die wel eens van enorme betekenis kan zijn voor de staatkundige, de politieke, ja, de gehele ontwikkeling van het leven van ons volk.
Met deze dingen voor ogen willen we enkele opmerkingen maken over de politieke situatie waarin ons volk nu verkeert.
• devaluatie van de parlementaire democratie
In dit verband moet zeker eerst iets gezegd worden over de steeds voortgaande devaluatie van de parlementaire democratie in ons land. En daarbij moet weer vóór alles gewezen worden op de al meer voortwoekerende inflatie.
Die is immers niet in de eerste plaats een sociaal-economisch, maar bovenal een ethisch probleem. Als een parlement in de bestrijding daarvan faalt is dat daarom een hoogst ernstige zaak.
In verband daarmee wijs ik - even afziende van de ellende die oudere kleine renteniers en niet-waardevast-pensioen-bezitters daarvan ondervinden - alleen hierop: Wie het meest van de inflatie profiteert is "de staat".
In de laatste drie jaar beliep de inflatie immers meer dan 20%. Dat wil o.a. zeggen, dat op de staatsleningen ruim 20% is "afgelost" zonder dat het de "staat" één cent kostte.
Men kan dat, méér naar waarheid, zo omschrijven: de "staat" heeft door middel van de inflatie 20% van het door hem geleende geld van zijn geldschieters gestolen.
Daarbij moet overwogen worden dat de "staat" ook veruit het grootste "bedrijf" in ons land is. Een bedrijf dat bovendien voor de door het geleverde produkten en diensten (gas, water, electriciteit, vervoer, post, enz. enz.) steeds hoger prijzen berekent. Maar tegelijk zorgt de "staat" er voor dat de in zijn dienst staande "werknemers" geen last van de inflatie hebben. Het salaris van zijn employees - het zijn er ruim 600.000 - gaat "trendmatig" omhoog. Mee ten gevolge daarvan nemen de staatsuitgaven, zonder dat van staatswege nieuwe projecten ter hand genomen worden, jaarlijks reeds met honderden miljoenen guldens toe.
Terwijl nu de inflatie voortvreet komen zij die er allereerst voor verantwoordelijk zijn - overheid, werkgevers, werknemers - niet tot de voor de bestrijding daarvan noodzakelijke maatregelen. Allen zijn overtuigd of toch niet echt? - dat de inflatie een ramp is. Maar op de rand van de financieel-economische afgrond waarop ons volk balanceert, vechten de corypheën van de daarbij in eerster instantie betrokken partijen - werkgevers en werknemers - bizonder vinnig voor de belangen van de eigen groep - en de "staat", dat is in concreto: regering en het parlement, kijkt alleen maar toe.
De democratie in ons land is niet alleen daardoor ziek.
De betekenis van de volksvertegenwoordiging neemt ook overigens zienderogen af, en het respect ervan navenant. Dat geschiedt vooral ten gevolge van het optreden van de mensen die de politiek maken. Want steeds meer wordt door hen - soms zelfs in geheim overleg - van te voren bedisseld wat een komende regering moet doen. Die is dan in haar optreden aan handen en voeten gebonden.
Ze verwordt zo tot een soort commissie die een door de gekozen volksvertegenwoordigers - nog vóór dezen tot een wezenlijk parlementair optreden zijn gekomen - opgestelde, zeer gespecificeerde opdracht moet uitvoeren. De parlementarie behandeling van de concrete regeringsactiviteiten verliest zo haar betekenis. Soms wordt ze tot een farce. De pot was al gaar gekookt vóór hij op het parlementaire vuur werd gezet.
En op welk een peil staan de debatten!
Ze zijn veelal of onbegrijpelijk vanwege allerlei specialistenjargon, of ze zijn mat, inhoudloos en stijf van lege gemeenplaatsen.
Een parlementaire redevoering in grootse stijl werd in de laatste jaren nooit gehoord.
In dit verband moet - afgezien van kleine principieel-revolutionaire groeperingen - in de eerste plaats gewezen worden op de P.v.d.A.
Wat deze - althans de meerderheid daarvan - aandurft is voluit on- of liever: antidemocratisch.
Minister Boersma kwalificeerde haar gedrag als "apartheidspolitiek". Het is in wezen het bedrijven van de dictatuur van een partij, een groep. Wordt dat de overgang naar een soort "dictatuur van het proletariaat"?
In ons land kan de democratie alleen funktioneren als niet-revolutionaire partijen tot alzijdige, cordiale samenwerking dat is wat anders dan een fusie of federatie! - bereid zijn op grond van een duidelijk regeringsprogram dat niet in finesses treedt.
Het viel mij bij de bestudering van de werken van Groen van Prinsterer op dat hij en de zijnen altijd tot een vergaande samenwerking met anderen bereid waren, zij ieder kabinet dat op democratische wijze was gevormd en opgetreden loyaal tegemoet traden om daarna de projecten van de regering - na een soms magistraal debat over de ideeën en beginselen die daarvan de principiële achtergrond vormden - uitsluitend op hun zákelijke mérites te beoordelen.
De P.v.d.A. wil alleen samenwerking met die partijen welke háár programma integraal aanvaarden, háár mannen de belangrijkste ministersposten laten bezetten en een tijd lang metterdaad getoond hebben deze serviliteit ten genoege van de P.v.d.A. in praktijk te brengen.
Het is onbegrijpelijk dat de grote massa van ons volk, en vooral de intellectuelen, dit anti-democratische wanbedrijf niet met verontwaardiging afwijzen! De P.v.d.A. is een partij die roept, ja schrééuwt, om "democratisering", om "inspraak" in bedrijven, universiteiten, ja waarin niet al! Maar nu het gaat om de "top" van de parlementaire democratie zet zij twee-derde van het parlement - en dus van het gehele volk - volledig buiten spel en gunt het niet de allergeringste "inspraak"! Het optreden van de P.v.d.A. in deze zaak is door en door huichelachtig.
De parlementaire democratie wordt evenwel ook nog op andere wijze bedreigd.
Ik denk aan de grote vakbonden die steeds meer in politieke pressiegroepen ontaarden.
Zij hebben zich zelfs bij de kabinetsformatie officieel en direct met de gang van zaken bemoeid! Ze bezitten een enorme invloed.
Want partijen en parlementariërs weten dat, als het om het getal gaat, de vakbonden bij de verkiezingen een enorme macht uitoefenen.
En daarnaast vormen de buiten-parlementaire aktiegroepen een ernstige bedreiging voor een gezonde democratie.
De akties daarvan hebben meestal een dubbele bodem. Schijnbaar strijdend voor concrete verlangens op verschillend gebied bedrijven zij vooral, en dat vaak op fanatieke en geraffineerde wijze, een ultra-linkse politieke agitatie. Het is voorts duidelijk geworden dat men daarbij in principe niet terugschrikt voor geweld. Ze oefenen grote invloed uit, vooral op de jongeren. Voorts staan radio en t.v. altijd tot hun beschikking. Ieder optreden van deze aktiegroepen wordt steevast met een sympathieke reportage gehonoreerd.
Ik denk in dit verband aan de, communistisch georiënteerde en geleide, cellen van dienstplichtigen die het leger trachten te demoraliseren en niet terugdeinzen voor sabotage; de bezetting van het Maagdenhuis en de V.U.; het onmogelijk maken van gastcolleges van een Amerikaanse hoogleraar; de noodzaak een erepromotie van een Indonesiër aan de V.U. op stiekeme wijze te doen plaatsvinden; de sabotage van de wet op Ge collegegelden zowel door studenten - ook van de V.U. - als door bestuursinstanties van de universiteiten; de redenen voor de ontslagaanvrage van Prof. Van Baal en het beeld dat hij van het universitaire leven gaf; de systematische indoctrinatie van leerlingen van veel middelbare scholen door revolutionaire leraren: het beruchte "rode boekje voor scholieren" heeft oplagen van vele tienduizenden exemplaren beleefd! In onderscheiden krantenberichten en t.v.-uitzendingen hebben we kunnen zien welke ontstellende toestanden in sommige van die scholen voorkomen.
Sexuele ongebondenheid is één enkel aspect daarvan. De massale, in de grond zielige, maar tegelijk ook onrustbarende anti-Nixondemonstratie van schoolkinderen gaf ook enig idee van wat er in dit opzicht gaande is.
• groeiende normloosheid
Niet minder verontrustend is de toenemende normloosheid die zich ten aanzien van alle mogelijke aspecten van het mensenleven openbaart.
Het sexuele leven wordt gereduceerd tot een animale aangelegenheid; het huwelijk wordt al meer operationeel gemaakt en gedevalueerd tot een opzegbaar accoord; ongelimiteerde abortus wordt gepropageerd en in praktijk gebracht; actieve euthanasie wordt verdedigd; homosexualiteit wordt als een aan heterosexueel gedrag gelijkwaardig verschijnsel gewaardeerd; promiscuïteit aanvaardt en praktiseert men als een normaal menselijk gedrag. Men leze de advertentiepagina's van Vrij Nederland maar eens na!
En tegelijk wordt een materialistische en hedonistische levensopvatting steeds meer algemeen gangbaar. Voor velen is het "panes et circenses" het brood en spelen, het hoogste ideaal. Er wordt, zo zei minister Klompé een tijd geleden, in onze tijd meer dan ooit over gemeenschap en communicatie gesproken, maar tegelijk worden ze minder dan ooit in praktijk gebracht. Uiteraard mag men, dit zeggend geen ogenblik vergeten dat in deze zedelijke neergang van ons volk zich ook prachtige uitingen van humaniteit en naastenliefde openbaren. Maar deze stempelen onze samenleving niet.
Volle aandacht verdient ook het onrustbarende toenemen van de criminaliteit in ons land. Prof. Van Bemmelen gaf onlangs in het Nederlands Juristenblad ontstellende cijfers daarover. In 1963 werden op de 100.000 inwoners niet minder dan 1191 misdrijven geregistreerd.
In 1971 was dat aantal geklommen tot 2221? Daarbij moet bedacht worden dat heel veel misdrijven om allerlei redenen niet bij de politie worden aangegeven. Het aantal veroordelingen wegens overtreding van de opiumwet groeide in dezelfde periode tot een 13-voud. Bijna elke dag vindt een roofoverval plaats. En de veiligheid, speciaal van vrouwen, is in de grote steden vooral 's avonds, zeer dubieus.
Mede-oorzaak van deze steeds toenemende misdadigheid is volgens kenners de grote "humaniteit" van de nederlandse justitie en politie. Ik las onlangs in een interview, dat een hoge politie-autoriteit in Den Haag gaf, dat professionele misdadigers zich af en toe expres door de politie laten inrekenen. Ze willen dan, zo zeggen ze, een poosje met vakantie gaan. In de gevangenis hebben ze het namelijk prima. Ze vinden daar een goed gemeubileerde kamer, voortreffelijk eten, radio en t.v., kranten en lectuur zoals men die wenst, lichamelijke ontspanning, een humane behandeling, soms worden zelfs "dames" te hunner beschikking gesteld - en dat alles gratis! Dezer dazen kon men in de kranten lezen dat Nederland steeds groter aantallen van de internationale beroepsmisdadigers aantrekt vanwege het bizonder conciliante optreden van politie en justitie en het comfortabele gevangenenleven.
• doorwerking van de Revolutie
Dit alles is een duidelijke openbaring van de Revolutie (met een hoofdletter!) die door de ethische theoloog Chantepie de la Sausaye Sr! - eens zó omschreven werd: De Revolutie is "niet zo zeer enige historisch gebeurtenis als veeleer de geest van verwerping van elk gezag (zie 2 Thess. II, 4), die, ten allen tijde bestaande en menigwerf uitbrekende in de franse revolutie van 't laatst der vorige (19de) eeuw met haar gevolgen - hoe deze overigens uit zeer verschillende bestanddelen samengesteld zij - voor 't eerst als een heersend beginsel in de wereldgeschiedenis ds openbaar geworden." 1) Het is de Revolutie die onherroepelijk volgt op de vervanging van het gezag van de Openbaring Gods door de autonomie van de menstelijke) rede. Het is een Revolutie die zich uiteindelijk manifesteert in een totale destructie en ontbinding van het gehele mensenleven in al zijn aspecten en verbanden, d.w.z.: in een radikale anarchie. Een anarchie die op haar beurt weer noodzakelijk, krachtens een onontkoombare dialectiek, omslaat in de andere openbaring van de Revolutie, namelijk de dictatuur. In Frankrijk volgde op de revolutie van 1789 Napoleon: de "revolutietemmer" die tegelijk de "zoon" en de "levensbehouder" van die omwenteling was.ê) En op hem volgde De Gaulle. In Rusland kwam na de revolutie van 1917 eerst Lenin en toen Stalin; in Italië MussoIinie; in Duitsland Hitler: in Spanje Franco; in China Mao Tse Toeng; in Nederland ... ??
Gerretson schreef eens "In de historie heeft Groen van Prinsterer, en hij het éérst en zeker het scherpst, ingezien dat revolutie en dictatuur wetmatig wisseltoestanden zijn.:")
• crisis van het gezag
Het is met het oog op deze, thans meer dan ooit in het leven van de staat en alle andere menselijke verhoudingen voortkankerende, Revolutie een verbijsterend ding dat in onze dagen - uitgerekend door de leidslieden daarvan! - in gereformeerde kringen de theorie opgeld doet dat het gezag niet van God maar van de mensen komt.
Gezag, zo wordt geponeerd, is er alleen als dat wordt erkend en aanvaard. Mensen kunnen macht over hun medemensen bezitten, maar die macht wordt pas dan tot gezag als de mensen die macht erkennen en aanvaarden.
Deze principiële subjectivering van het gezag werd reeds geruime tijd geleden door prof. Van Zuthem in de gereformeerde wereld geïntroduceerd. En onlangs sprak Lanser in een interview hem in dit opzicht na.
Heeft een vader, zo vraagt men dit horend als vanzelf, alleen dàn gezag over zijn kinderen als die dat erkennen en aanvaarden?
Heeft een overheid alleen dan gezag over de "burgers" als deze dat erkennen en aanvaarden?
Dan kan iedere groep onderdanen zich van dat gezag afmaken! Indien ze het niet erkennen en aanvaarden bestaat het immers voor hen niet meer! Geloven mensen die deze theorie propageren nog wat de Heilige Geest in Rom. 13 zegt? Of wordt ook dit Schriftwoord, met vele andere, op de hoop van de "tijdgebonden" en daarom "irrelevante" Schriftwoorden geworpen? Belijden deze gereformeerden nog wel, mèt hun kerk, dat wij allen die over ons gesteld zijn alle eer, liefde en trouw zullen bewijzen omdat het GOD belieft ons door hun hand te regeren? 4) Natuurlijk is buiten discussie dat de onderdanen, de "burgers" in een staat, grote invloed uitoefenen en moeten uitoefenen op de keuze van de overheidspersonen en evenzo dat het volk in zijn wettige vertegenwoordiging grote invloed moet hebben op de bepaling van de concrete inhoud, op de grenzen en op de uitoefening van het overheidsgezag.
Dáárover gaat de vraag niet. Die is deze of wij in het gezag, dat de overheid in concreto volgens de bestaande rechtsorde bezit, te doen hebben met een door God gewilde en gestelde ordening dan wel of het een produkt is van Volkssouvereiniteit.
Volkssouvereiniteit, niet in de zin van een, desnoods tot in het uiterste doorgevoerde, volksregering zoals die b.v. in Zwitserland in praktijk wordt gebracht, maar in deze zin dat er boven de mensen, individueel of collectief, geen enkele transcendente macht bestaat, en de mensen, individueel of collectief, dus ook geen enkele wet of verordening erkenen dan die zij uit eigen machtsvolheid 'aan zichzelf hebben gesteld.
Of, anders gezegd, het gaat om de vraag, wat is waarheid: het bijbelse, anti-Revolutionaire: "er is geen gezag (macht) dan van God" Of de Kantiaanse these: "eine Person ist keinen anderen Gesetzen als denen die sie (entweder allein, oder wenigstens zugleich mit andern) sich selbst giebt, onterworfen".") Een Revolutionaire stelling die Thorbecke eens vertaalde met de lapidaire uitspraak: mensen zijn altijd en in alle verhoudingen tegelijk regeerders èn geregeerden.
Het gaat in deze kwestie om niets minder dan om het fundament, niet alleen van de staatkunde en de politiek, maar van héél het menselijk leven en samenleven!
1) Ernst en Vrede, I, 434. Ik citeer deze woorden van OhantJepiede la Saussaye om daardoor te laten zien dat het adagium Tegen de Revolutie het Evangelie, niet speciaal Groeniaans, Kuyperiaans, antirevolutionair of gereformeerd, maar eenvoudig weg christelijk is. Groen van Prinsterer omschreef de Revolutie (met een hoofdletter) als volgt: "Met Revolutie bedoel ik niet een der menigvuldige gebeurtenissen, waardoor verplaatsing van het openbaar gezag te weeg 'gebracht wordt, niet enkel de omwentelingsstorm, welke in Frankrijk gewoed heeft; maar de omkering van denkwijs en gezindheid, in geheel de Christenheid openbaar.
Met revolutie-begrippen heb ik het oog op de grondstellingen van vrijheid en gelijkheid, volkssouvereiniteit, maatschappelijk verdrag, conventionele (d.i, op willekeurige afspraak berustend, dus niet bij het bestaande aansluitende) herschepping, welke men als de hoekstenen van staatsrecht en staatsgebouw vereert." "De Revolutie is de ontwikkeling van een volslagen scepticisme, waarbij Gods Woord en wet ter zijde gesteld is." (Ongeloof en Revolutie. Nieuwe uitgave, bewerkt door dr H. Smitskarnp", Franeker z.j., 19). "De revolutie-leer is het ongeloof in stelselmatige vorm. Van gevolgtrekking tot gevolgtrekking werd men op de weg der rampzaligheid geleid. Voortsnellen naar de afgrond is niet te beletten, na het verbreken der betrekking, die aan de Hemel verbindt" (id. 131).
2) Groen van Prinsterer schreef met het oog op Bildcrdijks (contra-revolutionaire) verheerlijking van Napoleon in zijn "Ode aan Napoleon" uit 1806, dat deze in Napoleon "de revolutietemmer en niet tevens de zoon en levensbehouder der omwenteling zag." (id. 41)
3) Zie Trouw, 19 mei 1951. Gerretson gaat zo verder: "De omslag van de een in de ander heeft hij (Groen) in de Franse omwenteling historisch bestudeerd en in de Belgische revolutie, gevolgd door de Hollandse autoritaire reactie, die hij in staat, kerk en school heeft bestreden, zelf meebeleefd.
Tegen de autoritaire staat in zijn bonapartische gedaante als volgkwaad van de revolutie richtte zich Groen's Ievensstrijd. En daarin ligt de blijvende actualiteit van zijn werk en van onze (antirevolutionaire Of christelijk-historische) richting; want tegen de autoritaire staat, die zijn almacht stelt in de plaats van Gods souvereiniteit, in zijn moderne Hitleriaanse of Stalinistische verschijningsvormen gaat DE strijd onzer richting ook thans."
4) De allesbehalve Kuyperiaanse of neo-gereformeerde dr J. Koopmans wees er in een bcspreking van Rom. 13 : 1 v. op dat daar met het woord "macht" niet bedoeld is "feitelijke macht" maar "volmacht door God verleend". En dat in dit Schriftgedeelte in ieder geval tweeërlei wordt gezegd. In de eerste plaats dat van "alle ziel" verwacht mag worden dat zij zich aan de overheid onderwerpt: alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinatie Gods wederstaat.
"Men zou dus, wanneer het woord niet zo zwaar was belast inderdaad kunnen zeggen: Paulus is anticrevulutionalr." En in de tweede plaats: "de dragers van het overheidsgezag zijn, als dragers van een goddelijke volmacht, gebonden aan de wil van God, of, duidelijker, aan Gods geboden." Wat zegt de Bijbel, Amsterdam 1941, 26,27.
5) In "Anfangsgründe der Sittenlehre": "een persoon is aan geen andere wetten onderworpen 1:1am. aan die welke hij (Of alleen of ten minste tegelijk met anderen) zichzelf heeft gesteld."