MUZIEK IN OUD ISRAËL
1973-04-13
Als u de theologische bronnen afloopt om daar iets over de oudtestamentische muziek op te doen, wordt u waarschijnlijk niet veel wijzer. In het algemeen mag men van hen dan ook geen hoge wijsheid verwachten; ze hebben, onwetend, dikwijls elkaar nagesproken bij gebrek aan betere kennis. Zelfs wanneer.- Jaargang 17
- nummer 15
u een boek nagaat, dat zich speciaal met alle details van de oude tempeldienst bezighoudt, dan vindt u in 175 bladzijden druk slechts vijf hele regels gewijd aan de muziek in oud Israël, welke vijf regels ten onrechte de tempelmuziek als een soort oratorium tekenen. 1) En dat was de O.T. tempelmuziek nu net niet.
Na mijn eigen publicatie over deze stof in 19462) had ik nog geen nadere informatie over dit onderwerp aangetroffen. Behalve de bekende musicoloog Jvr H. v. Lennep, die het vorig jaar overleed na de voltooiing van haar studie over de O.T. muziekinstrumenten.
Naar ik verneem waren de drukproeven juist gereed - vermoedelijk kunnen we haar boek dus spoedig tegemoet zien.
Maar voor hen die met warme belangstelling aan de muziek in oud Israël denken, aan de "instrumenten der muziek Gods", aangemoedigd door de psalmen, geboeid door de archaeologische vondsten, is onlangs een kleine tentoonstelling gehouden. In het Singer-
museum te Laren N.-H. werd drie weken lang door het Muziekmuseum van Haifa een korte maar hevige tentoonstelling georganiseerd: van opgegraven muziekinstrumenten, van vondsten waarop muziekinstrumenten en spelers staan afgebeeld, en van gereconstrueerde muziekinstrumenten. Helaas was ik pas de laatste dag in staat er heen te gaan; mij ontbrak de gelegenheid u hier tijdig op attent te maken.
Ongetwijfeld heeft Abraham uit Mesopotamië een hoeveelheid cultuur meegebracht, toen hij als een "bedorven Syriër" in Kanaän belandde. Daarbij natuurlijk zijn kennis van enkele oude muziekinstrumenten (zoals Laban gebruikte) alsmede hun vervaardiging en gebruik. Zijn achterkleinzoons zijn hiermee vertrouwd geweest. Maar de meeste kennis hebben deze nomaden ongetwijfeld in 480 Egyptische jaren opgedaan: in een land, dat wetenschappelijk en cultureel op hoog peil stond. Terug in het beloofde land moet deze oerkennis uit Chaldea, verrijkt met Egypte's cultuur, aangevuld met wat de zeven heidense volkeren in Kanaän bezaten, nog beïnvloed zijn door de Phoenicische passanten, om het totale instrumentarium op te bouwen, dat in de Bijbel, vooral in de psalmen, zulk een rijke plaats ontvangt. Wanneer de Bijbel spreekt van "instrumenten der muziek Gods" waren dat geen andere instrumenten dan men in het nabije Oosten algemeen aantrof - maar ze werden op een andere manier gebruikt.
Al deze dingen werden bevestigd door de tentoonstelling in Laren, waar een kleine landkaart zelfs de vindplaatsen aangaf. Wilt u er iets meer van weten?
Wanneer u in de Bijbel zoekt naar Gods geboden voor muziekinstrumenten, dan vindt u alleen het bevel aan Mozes om twee zilveren trompetten te maken, Num. 10. Naast die 2 trompetten vindt u al spoedig het gebruik van de ramshoorn genoemd. Andere muziekinstrumenten zijn nimmer ingesteld, al werden ze in de psalmen warm aanbevolen.
Van die trompetten (in het Hebreeuws worden ze vandaag nog chatzotserá genoemd) waren twee modellen aanwezig, de een gereconstrueerd naar een vondst te Jerusalem, de andere naar de trompet; op de Titusboog in Rome. U weet dat Titus in 69-70 n.C. Jerusalem onderwierp? En u weet dat een Romeins veldheer bij zijn thuiskomst een speciale poort kon ontvangen, waarop zijn trofeeën waren afgebeeld? Welnu. voor Titus is een boog opgericht, welke u nog in Rome aantreft; onder de trofeeën bevinden zich de tempelkandelaar en een zilveren trompet.
Deze trompet, op de tentoonstelling gereconstrueerd, was een smalle tube van 130 cm lengte, smal conisch uitlopend. De andere trompet was slechts 68 cm lang, had een breder trechter, en bezat voor in de tube een bol, die vergelijkbaar is met het orgelregister Apfelregal. Deze tweede trompet was een reconstructie van een instrument, afgebeeld op een te Bar Kochba gevonden munt.
Met deze instrumenten was het mogelijk (en de Bijbel geeft dat ook aan) een fanfare te blazen, doordat enkele boventonen binnen het bereik van de blazer kwamen. De statenvertaling sprak van een "gebroken geklank"; wij spreken bij een fanfare nog van een "gebroken accoord". Deze chatzotserá werd alleen door de priesters geblazen; het aantal van twee is in later jaren toegenomen tot 120. Het was een geheiligd instrument, alleen voor de strijd en de eredienst.
Het tweede belangrijke instrument was de ramshoorn, ook wel bazuin genoemd. In het hebreeuws heet hij, vandaag nog, sjofaar.
Daarvan waren diverse goede exemplaren aanwezig: een echte ramshoorn van 39 cm lengte met zilveren mondstuk, te gebruiken op grote verzoendag; een antiloophoorn van 47 cm met gouden mondstuk, voor nieuwjaarsdag; en een antiloophoorn van 80 cm voor synagoge-gebruik. Al deze ramshoorns (sjofarim) waren vroeger volksinstrumenten: ieder kon ze maken. De sjofaar geeft geen muziek - maar een loeiende klank. Denk aan Gideon, toen 30 verschillende hoorns met 30 verschillende toonhoogten, samen een onheilspellend geloei opleverden. De bazuin kunt u het best vergelijken met onze kerkklokken, die zowel kerkelijke als nationale en burgerlijke zaken aankondigen: feestdagen, brand, rouw, kerkdienst. Het is jammer dat de NBG-vertaling, bizonder in Openbaring, de bazuin met de trompet verwisselde.
Een tweede categorie, de meest primitieve, was het best vertegenwoordigd. Dat zijn de ritmische instrumenten, waarmee een dans wordt gemarkeerd - zonder dat je van toon kunt spreken, laat staan van 'n melodie. Er was een grote verzameling ratels aanwezig: kleine stenen potjes, waar een paar steentjes waren ingebracht, die door handbeweging tot ratelen werden gebracht. De vorm kan een spoel zijn of een boei; er was zelfs een gesloten schenkkannetje, met de kop van een geit, aanwezig. De meeste waren van 1000 tot 2000 jaar voor Christus, en gevonden in Bethsémes, Gezer en Egyote. Beseft u dat we spreken over de jaren voor en na de exodus? De meisjes aan de Rode Zee hebben wellicht onder leiding van Mirjam met zulke ratelpotjes gedanst, haar stappend markerend met pittige ritmische geluidjes!
Tot de categorie slaginstrumenten behoren ook de cymbalen, waarmee kleine bronzen platen zijn aangeduid. De zangers gebruikten een paar cymbalen, waarmee ze de inzet en het midden van elke volzin aangaven: de hebreeuwse accenten. Op de tentoonstelling waren er zes van, gevonden te Hazor en Megiddo, daterend uit de 14e eeuw v. Chr. Ze waren niet meer dan 5-11 cm groot. Waren twee cymbalen samen in een metalen beugel opgenomen en in een houten greep geklemd, dan sprak men van klappers (sistrum); er waren twee gave exemplaren aanwezig, uit de romeinse periode.
Heel belangrijk is de categorie “belletjes en granaatappelen", welke bijvoorbeeld aan de zoom van het hogepriesterlijk, kleed hingen en bij het lopen heldere klankjes gaven. Die "granaatappelen" waren geen vruchten maar kleine metalen bolletjes in de vorm van een granaatappel, in welke bol stellig een steentje was opgesloten. Beide, de bronzen belletjes en de "granaatappelen" waren 1-2 cm groot en in reconstructie zowel als in natura aanwezig. U staat er van te kijken, dat men in Mozes' tijd bronzen klokjes kon gieten. Maar dat kon men in Kanaän reeds 3000 jaar voor Christus.
Natuurlijk was ook een reconstructie van de handtrom (de tof) aanwezig, het dansinstrument van Mirjam. Diverse munten en stukken aardewerk uit Davids tijd duiden dansers met een tof aan. Denk maar aan David, die voor de ark danste: de ritmische figuren van deze plechtigheid moeten duidelijk hebben geklonken.
Enkele benen fluitjes die slechts 2 tonen elk konden geven, waren aanwezig: gevonden in Megiddo en TeIl Beit Mirsim. Ze stammen van 1200-4000 v. Chr. Uit Kabara kwam een prehistorische fluit, 15 cm lang, met 4 gaten, die dus 5 tonen moest kunnen leveren.
Vermoedelijk (we konden het niet vaststellen) de 5 tonen, die u op de zwarte toetsen van uw klavier aantreft; dat is namelijk de oud-Egyptische pentatonische reeks, de oudste toonladder. En opmerkelijk: er was ook een uit klei gebakken vogel, die een waterfluitje bleek te zijn. Zo'n leuk stukje speelgoed, waar een gorgelend, jodelend vogelgeluidje mee kan worden gemaakt.
Tot deze familie van blaasinstrumenten behoorden ook enkele dubbelfluiten (de een in reconstructie uit riet gemaakt, de ander als afbeelding op aardewerk aangetroffen) en de pansfluit (syrinx), waarbij een reeks ongelijke fluitjes zijn samengebundeld. Ook nagemaakt naar vondsten in aardewerk of munten.
Tenslotte de snaarinstrumenten, welke de zangmelodie aangaven. Enerzijds de harp en de lier, anderzijds de luit. De harp (nevel) en de lier (kinnor) worden nog al dooreen gehaald.
Beide hebben ze een klankdoos, waarin enkele snaren zijn vastgepend. Beide hebben ze een boog en een dwarsstok. waarop de snaren gestemd kunnen worden. Dat stemmen ging in primitieve stijl: een snaar werd om een stukje leer gewikkeld en krachtig aangedraaid.
Daarbij hoopte de speler, dat het stukje leer wel lang genoeg om de dwarsstok zou vastgeklemd blijven, tot het lied uit was. In een enkel geval (bij het "tiensnarig instrument" uit psalm 92) werd de snaar om een staande pen gewikkeld, die min of meer stevig in de dwarsstok was gestoken; een methode, die vandaag bij viool en cello nog wordt gevolgd. Het aantal snaren varieerde van 3 tot 10; de toonhoogte konden we niet vaststellen.
Het tiensnarige harpje kwam uit Gaza, en dateerde 5 eeuwen voor Christus.
Een prachtige reconstructie van een 6-snarige harp (132-135 v.C) was afkomstig van een munt, gevonden te Bar Kochba.
Aangrijpend is een stuk relief, gevonden in Sanheribs paleis te Ninevé, voorstellende drie Hebreeuwse slaven, elk met een harp. Achter hen staat een Babyloniër met een knoet. Boven hun hoofden zijn zeven bomen aangeduid; ze lijken waarlijk op wilgen. Een bijstaande tekst verwijst naar psalm 137. Het origineel, stammend van705-681 vC, staat in het museum van London. Maar veel ouder dan de ballingschap is een luit, uit de 13e tot 16e eeuw voor Christus; een tokkelinstrument met lange hals, waarop door de vingerstand diverse tonen kunnen worden gehaald uit enkele snaren.
Een landkaartje "'eeft de vindplaatsen aan.
Daarop ziet u, dat dezelfde harp zowel in Jerusalem als in Lachis (Filistea) gevonden werd, zowel in Egypte (Beni Hassan) als in Mesopotamië (Ninevé).
1) W. H. Bouwman "De schaduw der hemelsche dingen".
2) Zangers en Speellieden, p. 46-64