Zomergeloof
1973-04-13
Bestaat er een zomergeloof?- Jaargang 17
- nummer 15
Maar ons geloof is toch niet afhankelijk van jaargetijden en weersomstandigheden?
Natuurlijk ondergaan wij wel de invloed van de weersomstandigheden.
Onze stemmingen worden er mede door beïnvloed. Depressies hebben vaak uitwerking op onze gemoedstoestand.
Maar ons geloof moet toch iets onveranderlijks zijn, dat niettegenstaande alle afwisseling onwrikbaar blijft. Men kan zijn geloof toch niet voor een tijdje aan de kant schuiven en zonder geloof met vacantie gaan?
Maar laten wij het zomergeloof eens van een andere kant bekijken.
Tijdens de zomervacantie kunnen we vrijer leven.
We kunnen opstaan en ontbijten, wanneer we er zin in hebben.
Tijden zijn niet belangrijk. Scholen, kantoren en fabrieken rekenen niet met ons. Het fornuis en de wasmachine worden niet gebruikt.
Deze zomertijd geeft ons o.m. de kans terug te keren tot wat Jezus wil, nl. ons niet bezorgd maken.
Dat betekent niet een zich neerleggen bij het onvermijdelijke. Het is meer. Het betekent, dat wij een vertrouwd schema van denken en doen verlaten en een nieuwe levensvorm vinden.
Niet alleen maar vrij worden van wat ons het hele jaar dagelijks bezig houdt, maar voor alles van ons zelf vrij worden.
En ons daarom ook distanciëren van het geloof, dat wij een heel jaar meegedragen hebben.
Ik bedoel niet: wie met zomervacantie gaat, moet zijn geloof aan de kapstok hangen. Ik bedoel: hij moet ook zijn geloof ontspanning gunnen.
Een zomergeloof. Daarbij wil Christus ons helpen: kijk eens naar de leliën van het veld (Matth. 6: 28). Voor dit kijken geeft de zomer ons gelegenheid.
Laten we ons echter niet vergissen. Deze leliën van het veld zijn niet de mooie bloemen, die wij ons voorstellen.
Ze belichamen een stukje ongecultiveerde natuur. Het gaat hier om onbelangrijke, kleine bloemen, die, helemaal niet opvallen, een soort camille, die op duizendschoon lijkt.
Niets bijzonders. En van deze onopvallende bloempjes zegt de Here: kijk er naar; in al hun nietigheid van Salomo.
Daarop moet Hij ons al opmerkzaam maken.
Want ons ontgaat het hoe langer hoe meer. Waarom? Omdat wij alles door de bril van het egoïsme bekijken. Wij vinden goed wat waardevol is. Wij vinden mooi, wat ons tot nut strekt. En zo beoordelen wij ook de natuur.
Op de eerste bladzijden van de Bijbel staat, dat de mens eerst de dingen op zichzelf bekeek.
Hij vond er namen voor. Hij kon ze mooi vinden, niet, omdat ze hem tot nut waren maar eenvoudig omdat ze in de tuin van, Gods schepping hun plaats hadden.
Later toen ze Samen de appel bekeken, bedachten de mensen, dat deze ook goed kon zijn om te eten.
En dan beginnen ze, zoals wij nu, de natuur naar zich toe te trekken. Daarmee is de lange historie van de grijpende handen begonnen.
Het beeld van de schepping wordt verwrongen door egoïsme en begeerte.
Bekijk, zegt Jezus, omdat ere in de praktijk uw geloof zo hebt laten ontaarden, die simpele bloempjes, die eigenlijk niets bijzonders hebben, waarvan niemand enig voordeel heeft waarom niemand zich bekommert.
Door welke zorg worden zij omgeven? Men kan niet eens zeggen, dat die bloempjes het verdienden. Ze doen er niets voor. Ze werken niet zoals de mannen en ze spinnen niet zoals de vrouwen.
Een lang leven is hen niet beschoren. Ze zijn als het gras, dat vandaag in de wei staat en morgen al in de oven geworpen wordt.
Maar Salomo in al zijn pracht was niet zo mooi gekleed als één van deze bloemen.
Het zomer geloof is een geloof, dat kijkt naar het groeien van de veldbloempjes. Het is geen geloof aan de natuur. Veel te gemakkelijk zegt men dat bewondering van de natuur tot geloof in God kan leiden. Daardoor maakt de Bijbel echter verschil tussen de natuur en God, tussen schepping en Schepper.
Wanneer Jezus naar de veldbloempjes wijst die daar staan te bloeien, vraagt hij geen geloof wegens die wondermooie natuur. De bloempjes zijn een hulpmiddel, een gelijkenis: als God hen zo mooi kleedt, zal God u dan niet veel mooier kleden?
Hij wil, dat wij, doordat wij kijken naar de bloempjes van het veld ons bevrijden van onze krampachtige bezorgdheid, die weliswaar in onze christelijke theorie niet voorkomt, maar die in onze zogenaamde christelijke levenspraktijk en grote rol speelt. - eten, drinken, zich kleden - van heel die economische krampachtigheid van het dagelijks leven, die meent, dat men geen moment mag inslapen, omdat anders allerlei mogelijke voordelen onze neus voorbijgaan, omdat anders onze wereld omvalt.
Christus plaatst dit economisch geloof in het hoofdstuk van de twee heren: "niemand kan twee heren dienen".
En juist daarmee zijn we bezig met onze bezorgdheid. Als onze dagen hierdoor beheerst worden vallen ze uit hun samenhang met het christelijk geloof.
De psalmist zegt. één dag in uw voorhoven is beter dan duizend elders. Maar onze bezorgdheid voert ons naar die duizend elders.
Elders heeft geen naam. Het bevindt zich buiten de bescherming, die God ons biedt.
Het heeft zich aan Hem onttrokken. Hier valt niets te combineren. De tegenstellingen zijn te groot.
Er moet gekozen worden tussen de lieflijke woningen en de armzalige hutten, tussen binnen en buiten, tussen het zomergeloof, waarin men zeker kan wonen en het herfstachtig bijgeloof, waar de wind door alle spleten huilt.
Ook onze "naïeve" bezorgdheid staat in het hoofdstuk van de angst. Bezorgdheid komt voort uit angst en het is een eigenschap van angst, dat ze duizend vragen oproept: Wat zal ik eten? Wat zal ik drinken? Waarmee zal ik mij kleden? Welke positie zal ik hebben?
Welke aandelen zal ik kopen? Hoe zal ik geluk verkrijgen?
Wat zal van mijn kinderen worden? Wat doe ik vandaag en wat maak ik morgen?
Dat zijn allemaal zaken, die de heidenen zich afvragen, zegt Jezus, die van één dag in de voorhoven Gods niets begrijpen en daarom in de duizend dagen elders verdrinken.
Kijk naar de veldbloempjes. Het zomergeloof.
De zonnige boodschap van God, die zegt: Wanneer u Hem toebehoort, bent u als zijn kinderen geborgen. Vanaf uw doop weet u wat deze geborgenheid betekent: Christus is voor u gestorven en opgestaan. Zulke kinderen Gods behoeven zich niet bezorgd te maken als mensen, die geen kinderen Gods zijn.
En wie het niet meer weet. zie naar de bloemen. Ze zijn niet eens kinderen Gods en hoe onbezorgd leven zij.
Het leven van hem, die deze gelijkenis in de wind slaat, zal niet veel aan God hebben.
Bij alle zorgen zal hij weinig tijd, geld en belangstelling meer hebben voor Zijn Rijk.
Men kan niet combineren: zoals een heiden zich voortdurend bezorgd maken over eten, drinken en zich kleden en dus een andere heer dienen - een aanvullend geloof in een andere heer, die dit alles mogelijk zal maken - en tegelijk een onbezorgd leven als een kind van de Vader, die immers weet, dat wij dat allemaal nodig hebben en er ook voor zorgen zal, dat wij het krijgen, als wij slechts in zijn voorhof, in zijn nabijheid blijven en spelen met de dingen, die hij ons gegeven heeft.
Wie echter in dit zomergeloof het echte leven, het echte eten en drinken weergevonden heeft - brood en wijn aan Zijn tafel en het dien van Zijn wil - die smaakt ook al het andere eten en drinken veel beter.
Dat is het geheim van de kinderen Gods, waarvan de kleingelovigen niet veel en de heidenen helemaal niets begrijpen.
De kleingelovigen van deze tijd: mensen, die twee heren dienen, die proberen van beide partijen gebruik te maken, omdat ze het niet wagen heel hun leven op de kaart van God te zetten, en die zich steeds minder laten zien in -Gods voorhof.
De moderne heidenen: mensen, die zich voortdurend bezorgd maken - en nog meer en nooit genoeg - en die nooit meer in Zijn voorhof komen. Zij zeggen: de kerk, wat heb ik daaraan? Want het gaat om het voordeel.
Maar de kinderen Gods, die zoeken hier en van hieruit Zijn Rijk en Zijn gerechtigheid voor de mensen.
En voor het overige: Geen zorgen, Want morgen zien we verder. Let toch op de veldbloempjes.
Bovenstaand artikel is een vrije weergave van een preek van ds. J. C. Remijn, in het nederlands gehouden in de kerk van Unterseen (Zwitserland) op 9 juli 1972.