Een menselijk ontwerp
2013-05-18
In dit pinksternummer vindt u een vervolg op een artikel over ministrygebed van ds. Gijs Bronsveld (Opbouw nr. 24, 8 december 2012, in het archief op www.opbouwonline.nl te vinden onder artikelnummer 017781). In twee bijdragen reageren Nic Nijland en ds. Freddy Gerkema op dat artikel. Ds. Bronsveld gaat vervolgens nader op de kritische kanttekeningen van beide scribenten in.- Jaargang 57
- nummer 10
Een menselijk ontwerp Het ministrygebed is alweer geruime tijd geleden vanuit Engeland onder ons geïntroduceerd. De vorm lijkt de behoefte van een groot aantal christenen om dichter bij God te leven te vervullen; zij voelen zich daarin verrijkt. Aan de ervaring van deze gelovigen wil ik niets afdoen. Waar het mij om gaat, is of dit gebedsconcept zoals het wordt neergezet niet eerder een menselijke constructie is dan een bijbels doordachte manier om tot God te naderen.
Een eerst notie die ds. Gijs Bronsveld naar voren brengt, is de overtuiging dat God niet slechts hoort en dat in het ministrygebed het accent ligt op het geloof dat God ons ook zijn presentie hier en nu wil tonen. Uit wat volgt in het artikel ontstaat de indruk dat God zijn presentie ook móet tonen (ik kan me overigens voorstellen dat daar een reactie in zit op perioden en plaatsen van ingezonken christelijk leven). Verwachting wordt als ‘kernwoord’ genoemd en er zijn de voorbeelden die ons willen overtuigen dat het ministrygebed, al zijn er uitzonderingen, woorden en beelden zál opleveren. Echte antwoorden, waar we als bidders en voorgebedene in praktische zin houvast aan hebben. Het zal mede door deze sterke verwachting zijn dat ds. Bronsveld ook waarschuwt voor de mogelijkheid van negatieve uitspraken die niet direct van Gods Geest komen en van de schade die kan ontstaan wanneer woorden onjuist worden doorgegeven.
Het bijbelboek bij uitstek waarin gebeden wordt, is het boek van de Psalmen. Wat daarin opvalt is dat de verwachting van de dichters – ook zij verwachten inderdaad wat van God! – is gebaseerd op vertrouwen. De uitkomst is er nog niet en zij hebben al hun zekerheid, hun vrede en hun blijdschap. Zij weten uit de geschiedenis van zijn openbaring en uit hun eigen leven wie God is, en Hij spreekt hen toe op zijn heilige berg en in zijn heiligdom. Daar raakt ds. Bronsveld aan als hij schrijft: ‘Het kennen van Gods Woord en de vertrouwelijke omgang met Hem biedt een schat om uit te putten.’
Profeteren
De speciale gebedsvorm spreekt de beoefenaars van ministry aan. Zo wordt genoemd dat mensen behoefte kunnen hebben om met anderen te bidden om dat wat ze hebben ontvangen ook persoonlijk te kunnen toepassen.
Of: Gods persoonlijke nabijheid wordt in een setting met twee of drie personen het sterkst ervaren. Daar wil ik niets aan afdoen. Maar het zegt mij niet dat ministry een juiste vorm is.
Wat bij mij al direct een ongemakkelijk gevoel oproept, is dat er een situatie van ‘ongelijkwaardigheid’ aanwezig is. De bidders zijn in staat een persoon ‘bij God te brengen’, wat weerspiegeld wordt in de opstelling en in de gebedsvorm. Als een jonge vrouw ernaar verlangt om meer in contact met God te komen, wordt zij niet vanuit Gods Woord geholpen en ondersteund om tot meer geloofsvertrouwen te komen en zelf te naderen, maar wordt door de bidders geregeld dat zij ‘in Gods aanwezigheid kan vertoeven’ (?). Wordt zo niet aan haar eigen staan en bestaan als mens voor God tekortgedaan?
Over deze vormkwestie schrijft ds.Bronsveld ook: ‘Wij geloven in een sprekende God.’ Zo komt hij bij de nieuwtestamentische profetie. ‘Wie gelooft in de sprekende en handelende God heeft geen reden om aan te nemen dat profetie of ingevingen van Godswege onmogelijk zijn. In het ministrygebed is plaats voor dit spreken van God.’ De profeten zijn hier dan de bidders. Wat opvalt, is dat de activiteiten van bidden en profeteren in deze gebedsformule samengaan. Er is geen sprake van de afstand die nodig is om profetieën kritisch te beoordelen, zoals dat door Paulus wordt gevraagd in 1 Korintiërs 14:29: ‘Laat van hen die profeteren er telkens twee of drie spreken; daarna moeten de anderen het beoordelen.’ Aangezien het hele gebeuren zich binnen het gebedstrio afspeelt, lijkt me dat een ernstig tekort.
Hoe is bovendien vastgesteld dat de bidder profetische gaven heeft en wie mag daarover beslissen? In het artikel wordt niet verteld hoe de aanwijzing van ‘ministers’ tot stand komt. Op de site van New Wine stond voorheen (inmiddels niet meer) een artikel ‘Basisbeginselen Handoplegging & Ministry in praktijk’. Daarin werd de eis gesteld dat de minister de handen opgelegd heeft gekregen, waarbij expliciet is gevraagd om de geestesgaven als toerusting voor het werk. Maar ook staat er: ‘De bovengenoemde gaven en vrucht van de Geest zijn niet absoluut nodig. Ik geloof dat de Heilige Geest ieder geeft wat hij/zij nodig heeft bij het uitvoeren van de “hartenwens” voor een ander!’ (sic).
De twee vragen hierboven – wie is profeet en wie wijst aan – zullen in cursussen ministry zeker aan de orde komen, maar ze zijn voor wie het met het artikel van ds. Bronsveld moet doen hiermee nog niet beantwoord. En de antwoorden zijn toch van belang voor de waardering van de diensten die de ministers verlenen.
Menselijk ontwerp
Ds. Bronsveld geeft toe dat het ministrygebed niet één-op-één in de Bijbel is terug te vinden. De belangrijkste kenmerken van ministry zouden we wel terugvinden in de Bijbel: handoplegging, het verwachten van de Heilige Geest, het geloof dat God ook hier aanwezig is en werkt, het zegenen van elkaar en het doorgeven van woorden van bemoediging. Maar dan is wel de vraag: hoe combineer je deze kenmerken? Het met elkaar verbinden van afzonderlijke bijbelse gegevens leidt niet vanzelfsprekend tot een bijbels resultaat.
Handoplegging komt op twee manieren naar voren. Ten eerste als gebaar bij de vraag om de geestesgaven voor een minister, wat tegelijk zijn aanstelling is. Maar waar vind je in de Bijbel dat bidders zo worden aangesteld?
Of mag het wel ‘naar analogie van’?
Verder: is het juist dat voor de ‘kandidaten’ om de geestesgaven wordt gevráágd? Is het niet eerder zo dat een bepaalde geestesgave bij anderen wordt opgemerkt?
Ten tweede noemt het artikel de handoplegging bij/aanraking van de persoon voor wie gebeden wordt. De Bijbel zou het aangeven als een middel om God dichterbij te brengen.
Maar aan welke bijbelteksten kan dan worden gedacht? De schrijver stelt dat door zintuigelijk contact onderlinge verbondenheid intensiever wordt beleefd. Dat kan. Maar handoplegging/aanraking in de Bijbel dient bij mijn weten een aantal anderedoelen.
Al met al zie ik het ministrygebed als een wel erg menselijk ontwerp. Het artikel van ds. Bronsveld, dat toch wil voorlichten, laat een aantal vragen liggen en veronderstelt te gemakkelijk dat de lezer meegaat in wat voor hemzelf in de Bijbel duidelijk is.
Nic Nijland is lid van de NGK Nijverdal.