Opleiding tot de Dienst des Woords
1973-05-18
• Verheugende belangstelling - Jaargang 17
- nummer 20
Wie 't rapport doorleest dat gedateerd febr. 1973 aan de Kerken toegezonden is door de Commissie voor de Opleiding tot de Dienst des Woords - voorzitter prof. C. Veenhof, secr. ds H. Smit van Den Helder - wordt door twee dingen getroffen. Allereerst door de grote zorg, waarmee dit rapport is samengesteld. Deze commissie heeft geen vluchtig werk geleverd, maar zich diepgaand bezonnen over de materie van de opleiding in de situatie, waarin we ons met onze studenten bevinden: een veelszins ingewikkelde, om niet te zeggen verwarde situatie. Het valt zeker niet mee om daarin een weg te wijzen. Maar de commissie is voor deze moeilijke opgave niet teruggedeinsd.
Ze heeft wegen gewezen en oplossingen aan de hand gedaan, waarover men z'n vragen kan hebben en waartegen men zelfs bezwaren kan hebben, maar waarvan men in elk geval zal moeten zeggen dat er brede en diepgaande bezinning aan ten grondslag ligt.
Het tweede, dat treft en een verheugend verschijnsel moet genoemd worden, is dat blijkens dit rapport ook vele kerkeraden zich met deze materie bezig gehouden hebben en hun gedachten, wensen en oplossingen aan de commissie hebben doen toekomen. Daaruit hlijkt de zorg voor bekwame predikanten en goede prediking. De kerkeraden blijken er van overtuigd te zijn dat een behoorlijke opleiding van de aanstaande predikanten een hoogst belangrijke aangelegenheid is, die aller aandacht en bezinning in de huidige omstandigheden vraagt.
Ze betonen daarin een Schriftuurlijke waakzaamheid en zorg, zoals Paulus die vertoonde toen hij Timotheüs opdroeg om wat deze van hem gehoord had toe te vertrouwen aan vertrouwde mensen, die bekwáám zouden zijn om ook anderen te onderrichten.
Die bekwaamheid komt een mens niet aanwaaien. Daar is kennis en oefening voor nodig. Terecht hebben onze kerken in het verleden gesteld dat voor het verkrijgen van die kennis en oefening als regel een behoorlijke theologische opleiding vereist is. Voor middelmatige figuren is dat zeker nodig.
Alleen voor mensen met bizondere begaafdheid openden ze de weg tot de preekstoel op andere wijze: ook zonder die normále studie konden deze toegelaten worden, maar behalve kennis van de grondtalen van de Heilige Schrift vroegen ze van hen toch gelijke kennis als van degenen, die de normale weg hadden afgelopen: kennis dus o.m. van de geloofsleer, van de Schrift en de belijdenis, van de geschiedenis van de kerk en van nog heel wat meer. Degenen, die langs deze weg toegelaten werden, hadden dan ook reeds veel studie achter de rug, zelfstudie, soms met behulp van enkele predikanten. En altijd hebben de kerken er voor gewaakt dat mensen die tot studie en nadenken onbekwaam waren, hoe echt gelovig ze ook waren, toegelaten werden tot het ambt, dat meebrengt anderen te onderwijzen.
Verheugend is het daarom dat blijkens het rapport van de commissie zoveel kerkeraden zich bezig gehouden hebben met de zaak van de opleiding van theologische studenten in onze kerken.
• Een moeilijke situatie
Vermoedelijk zullen er wel leden van onzekerken zijn, die van mening zijn dat de kwestie van de Opleiding toch niet zoveel moeilijkheden behoeft op te leveren.
De samenkomst onzer kerken te Apeldoorn heeft naar de Theologische Hogeschool van de Chr. Geref. Kerken te Apeldoorn gewezen als een goede opleidingsschool tot het ambt van Dienaar des Woords. De conclusie ligt dan toch voor de hand: Laten de studenten daar heen gaan, dan is de zaak toch in orde? Men kan dan hoogstens, om het contact tussen de studenten en eigen kerken te bevorderen, hen laten begeleiden door enkele daartoe geschikte predikanten van onze kerken, die eventueel wat aanvulling in het onderwijs kunnen geven. Is dat niet op een eenvoudige manier te regelen?
De zaak ligt echter niet zo eenvoudig, dat maakt het rapport van de Commissie wel duidelijk Toen "Apeldoorn" krachtens besluit van de Generale Synode der Chr. Geref. Kerken ook studenten buiten eigen kerkgemeenschap opnam, waren verschillende van onze studenten reeds - deels noodgedwongen - ergens anders bezig: in Amsterdam, Utrecht of waar ook. En de studieprograms daar en anderzijds in Apeldoorn zijn zo verschillend dat een overstapje naar Apeldoorn te veel tijdverlies zou opleveren.
Vandaar de noodzaak van begeleiding, allereerst van déze studenten, een begeleiding waarvan het commissie-rapport ons het een en ander meedeelt en waarvoor het wat de toekomst betreft, suggesties geeft en voorstellen doet.
Deze komen neer op een uitbreiding van deze begeleiding, die er niet om liegt.
• Is dit een blijvende situatie?
De vraag, die in het rapport niet wordt gesteld en behandeld, is of we hier te doen hebben met een blijvende situatie of dat de begeleiding van onze studenten, voorzover ze niet in Apeldoorn studeren, een aflopende zaak is, doordat de nieuwe studenten zonder tijdverlies in Apeldoorn kunnen gaan studeren. Natuurlijk zou in dat geval nog wel begeleiding uit eigen kerken gewenst zijn het rapport toont dat op duidelijke wijze aan - maar de zaken zouden in dat geval een stuk eenvoudiger en gemakkelijker liggen.
Naar mijn mening is dit een leemte in het rapport. Het is mogelijk, dat in een vroeger rapport wel eens is geschreven over redenen, die een student kunnen bewegen om ergens anders dan in Apeldoorn te gaan studeren - ik kan dat momenteel niet nagaan - maar het jongste rapport heeft verschillende vroeger gestelde zaken opnieuw onder ogen gezien, het had dat met deze kwestie ook kunnen doen.
Ik denk toch, dat áls we 'n eigen Opleiding hadden, met al de daaraan verbonden kosten en noodzakelijke mankracht. wel niemand er aan zou denken een begeleidingscommissie in het leven te roepen voor die studenten, die met voorbijgang dan van eigen Hogeschool gingen studeren aan een Rijks Universiteit of één van de Amsterdamse Universiteiten.
Dan zou ieder wel zeggen: dat wordt teveel van het goede.
Natuurlijk, onze kerken hebben altijd het beginsel van de Vrije Studie gehuldigd. Ieder mag studeren aan de Universiteit, die hij verkiest, maar dat houdt nog in het geheel niet in, dat de kerken die studie genoegzaam moeten achten om wie haar volbracht heeft, zonder meer te accepteren, Daar was vroeger dan ook een aparte regeling voor getroffen: 'n examen, af te leggen voor professoren van de eigen kerken.
Praktisch Lag het zo, dat vrijwel elke student als hij in Nederland bleef, ging studeren aan het eigen of erkende instituut voor de Opleiding tot de Dienst des Woords.
Ik zie geen reden, waarom dat nu dan anders zou moeten, afgezien van het feit dat dat "professoren van de eigen kerken" vervangen zou moeten worden door iets anders.
En uit principieel en uit vaktechnisch oogpunt is voor onze kerken "Apeldoorn" aangewezen door de commissie en de kerken hebben op het convent in Apeldoorn zich daarachter gesteld.
Moet dan de begeleidingscommissie met alles wat daaraan vastzit, zoals zij de huidige studenten die "overal" studeren, dient, niet een aflopende zaak zijn? Terwijl de begeleiding van hen, die in Apeldoorn studeren, steeds meer de aandacht zal moeten hebben?
We gaan het in elk geval toch niet in de hand werken door de begeleidingscommissie uit te bouwen - iets anders dan nu nog noodzakelijke, voorzieningen te treffen, dat toekomstige studenten in de theologie "overal" gaan studeren met het argument: er is toch een goede begeleidingscommissie en we worden dus wel bijgespijkerd waar dat nodig is? In dat geval zou zij werken tegen de bedoeling van de kerken in.
We dienen ons op dit punt wel goed te bezinnen, voor we verder gaan.
• Afhankelijk van kerkelijke toenadering?
De vraag kan gesteld worden of het in Apeldoorn studeren van onze studenten afhankelijk is van de kerkelijke toenadering? Op zichzelf behoeft dat niet het geval te zijn. Men kan de kwestie van de studie op zichzelf bezien en zich afvragen of de theologische opleiding daar principieel voldoende is en ook Vlak-technisch aan de bij ons geldende eisen voldoet.
Maar zo is de zaak toch wel theoretisch gesteld. In de praktijk zal het wel zo gaan, dat de trek maar Apeldoorn er alleen in komt, wanneer de verhouding tussen de Christ. Geref. Kerken en de onze een zodanige is dat gesproken kan worden van een goede wederzijdse belangstelling, die zich beweegt op de weg. van het naar elkaar toegroeien.
Onzerzijds zal daarom ook op plaatselijk niveau, ja daar allereerst, het contact moeten worden gezocht en zal ook de ontwikkeling naar een gereformeerd kerkverbandelijk leven zich moeten doorzetten. Die ontwikkeling is er gelukkig, maar zij zal zich moeten doorzetten, zullen de contacten met de Chr. Geref. Kerken vrucht dragen, d.w.z. tot wederzijdse acceptatie leiden. Het is uit wat van die zijde gepubliceerd is wel duidelijk dat men dit als een noodzakelijke vereiste ziet voor nader samen gaan.
Nader samengaan - dat is vrij vaag uitgedrukt. Maar wie enige tijd heeft meegeleefd in kerkelijk Nederland weet hoe moeilijk de zaken liggen op het punt van de kerkelijke eenheid. Hij is al blij met het eerste begin: goede verstandhouding en begrip voor elkaar, al zal hij daarbij zeker niet willen blijven staan.
't Is ook daarom te hopen dat de wederzijdse contacten, die er zijn, die goede verstandhouding en dat begrip zullen geven te zien en dat we zo samen vèrder zullen komen. Daarvoor zal wederzijds wijsheid, voorzichtigheid, ootmoed en liefde aan de dag moeten worden gelegd. Wanneer we elkaar de maatstaf van de volmaaktheid aanleggen, dan kunnen we beter ophouden, want die volmaaktheid is noch bij ons noch bij hen. 't Is ook volstrekt onschriftuurlijk dat te doen. Wat van ons persoonlijk geldt, is ook van toepassing op de kerken van Christus; niet dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn. Maar als het goed is, geldt ook het volgende: maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen ben, Fil. 3: 12.
Het is te hopen dat we elkaar zullen herkennen als gereformeerde kerken, kerken van Jezus Christus, die met al haar zwakheden en onvolkomenheden worstelen om te leven naar Zijn Woord, zoals we dat gezamenlijk belijden in en met de reformatorische belijdenis van de kerken der Reformatie in deze landen.
Ook voor de zaak van de Opleiding is dat voor onze kerken van betekenis.
• De begeleiding
Momenteel is de enige begeleider van onze studenten, zo meldt het rapport, drs H. de Jong. We weten hoe hij werkt, beseffen welk een zware last op zijn schouders rust.
Daarom willen we dit artikel over de Opleiding niet afsluiten zonder een woord van warme waardering voor zijn zorg voor onze studenten.