Paulus' brief aan de Galaten
1973-05-18
2: 5-14 - Jaargang 17
- nummer 20
Waarheid van het Evangelie
Paulus vermeldt in het voorgaande dat Titus, hoewel hij een Griek was, niet gedwongen werd zich te laten besnijden, zèlfs in Jeruzalem niet.
En dat doet hij niet, opdat de waarheid van het Evangelie ook verder bij U zou blijven.
Dezelfde uitdrukking komt voor in 2 : 14.
Dat betekent meer dan dat het Evangelie waar is. Met één woord heb ik het vorige keer weergegeven: betrouwbaarheid. Maar er is mee van te zeggen. Greijdanus verklaart wellicht het puntigst door te zeggen" wanneer we zouden vertalen: het ware Evangelie, zou dit te zwak zijn. Bedoeld. is datgene wat het Evangelie tot Evangelie maakt, het eigenlijke wezen van het Evangelie." Wat het Evangelie tot de blijde boodschap maakt is dat Jezus Christus de vloek voor ons heeft gedragen (3 : 13) en dat daar niets aan toegevoegd mag worden om behouden te worden.
Want dan zouden we geen volkomen Zaligmaker hebben. Hij heeft alles volbracht.
Titus en Timotheüs
Van hieruit is ook te begrijpen, waarom Titus niet besneden werd en Timotheüs wel. In Hand. 16 : 1-3 staat dat Paulus Timotheüs besneed ter wille van de Joden in die plaatsen. Waarom Titus niet ter wille van de Joden en Timotheüs wel. Om het antwoord op die vraag te vinden is het goed te bedenken dat Timotheüs een gelovige Joodse moeder had. Verder: met Timotheüs stond Paulus in de zendingssituatie, ook tegenover de zwakken, die wisten dat hij een Joodse moeder had. Met Titus stond Paulus in de gemeente van Jeruzalem tegenover de "sterken", de steunpilaren. Paulus handelt dus niet in de zin' van "hier sta ik, ik kan ook anders" (Asmussen).
Hij is de Joden een Jood en de Grieken een Griek en hij is echt geduldig en weet met zwakken rekening te houden, maar niet als het gaat om de waarheid van het Evangelie, tegenover valse broeders. Hij ging naar Jeruzalem om de eenheid van de gemeente, maar daarom ook om de eenheid van de apostolaat en laat aan deze gemeenten in Galatië weten dat er geen verschil is tussen de "twaalven" en Paulus als "dertiende".
Het is goed in dit verband te spreken over "christelijke tolerantie".
Taakverdeling
Wel wordt er een taakverdeling afgesproken. Maar niet ten koste van de waarheid van het Evangelie.
De steunpilaren, Jacobus, de broer van de Here Jezus, Petrus en Johannes, gaven blijk van hun instemming met Paulus' prediking door hem en Barnabas de broederhand te geven. Paulus en Barnabas met hun helpers kunnen doorgaan met hun prediking. Ze zullen van de kant van Jeruzalem geen moeite ondervinden.
Er wordt maar één voorwaarde gesteld: aan de armen van Jeruzalem moeten ze blijven gedenken.
Dat betekent natuurlijk niet alleen: denken aan, maar ook zorgen voor.
Petrus en Barnabas
Paulus vertelt dan van een geschil dat er geweest is tussen hem aan de ene kant en Petrus en Barnabas aan de andere kant, in de gemeente van Antiochië. Het was een gemeente waar Joden en heidenen samen leefden, ook samen aten.
Misschien wordt hier ook de ene Avondmaalstafel bedoeld, maar het is niet noodzakelijk daaraan alleen te denken. Joden en heidenen, besnedenen en onbesnedenen mochten samen eten. Vóór het volbrachte werk van Christus zou dat niet gekund hebben. Een Jood moest zich onthouden van bepaalde spijzen. Het is goed hierbij Hand. 10 te lezen. Daar zegt Petrus tegen Cornelius: "Gij weet hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood". Maar juist aan Petrus was door het visioen van het laken, gevuld met reine en onreine dieren duidelijk gemaakt, dat hij heidenen niet langer onrein mocht noemen. Petrus wist dat aan de afzondering een einde was gekomen (Ef. 2 : 14-22). Zo heeft Petrus dan ook aanvankelijk geleefd.
Hij at samen met heidenen. Dat verandert als er "sommigen uit de kring van Jacobus gekomen waren".
Dan houdt hij daarmee op.
Het is niet noodzakelijk dat op rekening van Jacobus te schrijven.
Zie Hand. 15. Maar in Jeruzalem had zich het "probleem" niet' voor gedaan. Dat was een gemeente die bestond uit besnedenen. Daar heeft men kennelijk ook meer moeite gehad om afscheid te nemen van de Oudtestamentische bedeling. En zij nemen het Petrus kwalijk dat hij het wèl gedaan heeft. Petrus houdt uit vrees voor de Joden op te eten met de heidenen. Zijn voorbeeld werkt aanstekelijk. Zelfs Barnabas liet zich meeslepen. U hoort Paulus' verbazing.
Openlijk
Dan komt Paulus er in het geweer.
In een discussie tussen pater Van Kilsdonk en kardinaal Alfrink bestond verschil van mening over dat "openlijk" in verzet komen van Paulus tegenover Petrus. Dat is niet zo verwonderlijk. Want hier gaat het inderdaad over de "onfeilbaarheid": Deze publieke bestraffing van Petrus door Paulus is verwonderlijk actueel. Luther vond dat al. En het blijft tot vandaag actueel.
We hebben hier te maken met een vierde verloochening van Petrus (J. O. Mulder). Want door te doen alsof het van belang is wel "kosjer" te eten, brengt Petrus de waarheid van het Evangelie in gevaar.
En juist van Petrus en Barnabas had Paulus anders mogen verwachten. Petrus die zo duidelijk van de Heer Zelf de opdracht had gekregen dat hij de heidenen niet langer als onrein mocht beschouwen.
Petrus brengt nu door zijn daden de waarheid van het Evangelie in gevaar. Niet door woorden, maar door daden. Wat hij doet noemt Paulus huichelarij.
Hij gebruikt het woord hypocriet.
Want ze wisten wel beter. Petrus, de rotsman, is spoedig uit het veld geslagen. Want ook hij is geen rots in zich zelf. Alleen maar als hij blijft bij de belijdenis: Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God. Er is alleen behoud in Hem.
2: 15-21
De hoofdzaak
Er valt te strijden over de vraag of wat Paulus in het gedeelte dat begint met vers 15 nog verder gaat met wat hij openlijk tegen Petrus gezegd heeft of dat hij zich nu weer regelrecht richt tegen de gemeenten in Galatië. Vers 15 pleit m.i. voor het eerste. Maar de tweede mening heeft evenveel recht. Misschien is de aantekening bij de Willibrord-vertaling wel juist. "In deze passage, waarvan men het begin nog kan beschouwen als gericht tot Petrus in Antiochië gaat Paulus geleidelijk over tot een uiteenzetting van de heilsboodschap, zoals hij die aan de heidenen verkondigde." Inderdaad staat in dit gedeelte de kern van de boodschap, de kern van het Evangelie. We worden behouden uit genade zonder werken der wet.
Geen prestatie van de mens erbij.
Hier staat eigenlijk hetzelfde als in Rom. 1 : 16, 17. Er is geen onderscheid tussen besnedenen en onbesnedenen, wat betreft de weg tot behoud. Zou er sprake zijn van een vrijspraak op grond van werken der wet, dan wordt de genade van haar kracht beroofd.
Geboren .Joden hebben wel voorrechten (Rom. 9 : 1-4).
Zondaars uit de heidenen. Daarmee wordt niet bedoeld- dat joden geen zondaren zijn, maar dat zij de wet des HEREN niet kenden en niet onderhielden.
Maar beide groepen moeten en kunnen alleen op dezelfde wijze behouden worden. Alles wat Christus heeft gedaan, heeft Hij in onze plaats gedaan. Zo door op Hem te vertrouwen worden we vrijgesproken van schuld en straf.