Kinderen
2013-06-01
Als ik zondagmorgens in de kerkzaal zit en al die gezinnen met kleine en grotere kinderen komen binnen, dan denk ik wel eens: Wat is daar thuis allemaal aan voorafgegaan? Moesten jullie je haasten om op tijd klaar te zijn? Iedereen gewassen, gevoed en in de kleren? Kreeg je je grotere kinderen mee of ging daar nog een discussie aan vooraf? Ik kan me alle scenario’s voorstellen, en ik ben blij dat ik nu geen kinderen meer hoef op te voeden. Maar soms zou ik nog wel eens zo’n kinderhoofd tegen me aan willen voelen, en een fluisterend ‘mam, hebbu nog een pepermuntje?’ willen horen. Ik kijk nu maar naar de kinderen van anderen en geniet ervan als ze lekker meezingen.- Jaargang 57
- nummer 11
Rond 4 en 5 mei werd er een documentaire uitgezonden over de Joodse familie Birnbaum. Zes kinderen hadden ze. In de oorlog, in Westerbork en later in een Duits concentratiekamp, zorgden ze behalve voor hun eigen kinderen ook nog voor een groot aantal weeskinderen. Na de oorlog, die ze overleefden, ontfermden ze zich opnieuw over kinderen die zonder hun ouders uit de kampen terugkeerden. De eigen kinderen van het echtpaar Birnbaum, die wonder boven wonder allemaal nog in leven waren, vertelden erover in die documentaire. Wat is het mooi als je zo veel liefde kunt geven aan kinderen die niet van jou zijn. Hoe groot moet je hart zijn als je geen onderscheid maakt tussen je eigen kinderen en pleegkinderen. Zo waren vader en moeder Birnbaum. Mensen met de gave van ontferming. Want kinderen van een ander, dat voelt toch anders. Ook al zijn het neefjes of nichtjes, vriendjes of vriendinnetjes van je eigen kinderen. Je kunt van je eigen kind verdragen wat je bij een ander kind irriteert. Een brutale uitspraak van je eigen kind is nooit zo erg als de grote mond van die van je broer. Het zoontje van je zuster is een ettertje. Maar dat je eigen kind op die leeftijd ook zo was, ben je vergeten. Het aardige van grootouderschap is dat je zonder onderscheid van al je kleinkinderen houdt, terwijl ze toch maar voor de helft uit jouw kinderen voortkomen. Je houdt van ze zoals ze zijn: lief, aanhankelijk, stout, vervelend, irritant. Kleine zondaartjes, maar soms ook kleine engelen.
Een vriendin die al jaren alleen is, zat op een ochtend aan een tafeltje in het restaurant van V&D. Het was er druk. Een klein meisje danste om de tafels. De ouders, druk in gesprek, lieten het gaan. Ze ergerde zich een beetje, maar ach, het was zo’n vrolijk, blij meisje, dat plak je niet zo lang op haar stoel. Toen botste het kind tegen haar tafeltje aan. Geschrokken keek het de vreemde mevrouw aan, en kwam toen voorzichtig dichterbij. ‘Dag mevrouw, bent u alleen? Zal ik even bij u komen zitten?’ Na zoiets kan je dag toch niet meer stuk… Of je loopt in de supermarkt en achter je hoor je een kinderstem luidkeels ‘Jezus is de goede herder’ zingen. Pure evangelisatie, hoor!
Ik merk bij mezelf dat ik, nu ik niet meer hoef op te voeden, veel meer oog heb voor kinderen van een ander. Of ze nu lief, slim, knap of soms vervelend of brutaal zijn. Kinderen van nu vormen de grotemensenwereld van straks. Ik hoop dat de aarde nog leefbaar is als ze aan de beurt zijn. En ik hoop vooral dat ze de liedjes over de Goede Herder dan niet zijn vergeten.
Ytje Veefkind is pastoraal medewerker en lid van de NGK Amersfoort-Noord.