De periode waarin Nijhoff leefde

1973-05-18
  • Jaargang 17
  • nummer 20
Over het algemeen wordt Nijhoff beschouwd als een dichter die tussen de oude en de moderne tijd in staat.
"Toen de eerste wereldoorlog uitbrak, was Nijhoff net 20 jaar.
Er zal thans wel niemand meer zijn die niet inziet dat in dat rampjaar 1914 de afgrond open sloeg (of wellicht beter nog: als door de oorlogsbliksem in schel licht werd gezet) die twee tijdperken zou scheiden: de ene levenswijze en wereldbeschouwing, de veilig burgerlijke, werd plotseling verleden tijd; een andere, voorlopig chaotische, zoekende en vitalistische modus brak aan ...
Van de oudere generatie vervreemd door de nieuwe wereld, en van de nieuwe jeugd vervreemdend door ingewortelde, rijke en rustige cultuur, behoorde Nijhoff tot de kleine uitstervende groep eenzamen die zingen van oude gevoelens en verlangens in door het modernisme aangevreten vormen." 6)

Literatuurhistorici spreken over het evenwicht van traditie en vernieuwing dat het werk van vele jongeren omstreeks 1920 kenmerkt.
7) Bij Nijhoff zal de vernieuwing sterker blijken door te werken.
Weer anderen wijzen op twee aspecten die Nijhoff typeren, nml. zijn harde zakelijke werkelijkheidszin (typisch voor de na-oorlogse generatie) en zijn zeldzame vormbeheersing en vermoeid-sceptische overbewustheid die aan de voor-oorlogse generatie herinneren. 8)
Hoe het ook zij, Nijhoff heeft de ingrijpende cultuuromwenteling die na de eerste wereldoorlog zich ook in Nederland op velerlei gebied deed gelden, diep doorleefd en hij heeft er niet zelden tegen gestreden. De geestelijke nood waarin de mensheid verkeerde ging hem niet alleen ter harte.
Het zal blijken dat Nijhoff zijn poëzie aan de nieuw ontstane maatschappijstructuur en het nieuwe mensdom heeft willen aanpassen.
Omstreeks 1925/26 kritiseert Nijhoff in een letterkundig bijvoegsel van de NRC de poëzie van het Duitse Expressionisme, die hij als "valse profeten pathetiek" betitelt, "waarmee een nieuwe übermenschliche mensheid, 'n 'menschheitsdämmerung' werd aangekondigd".
Wat het politieke engagement van deze Expressionisten betreft Nijhoff had slechts verachting voor hun modieuze en wisselende voorkeuren en denkbeelden. Vooral echter als dichter had hij kritiek en deze stak hij niet onder stoelen of banken. Het onderwerp van deze poëzie is zelf een chaos, meent hij, een hypothese van voorwereldlijke primitieve en naakte passie, waarmee gepaard ging een wil tot onbewustheid, uitgedrukt in verzen die bijna programmatisch embryonaal bleven.
Nijhoff neemt stelling tegen deze poëzie die een rauwe kreet wilde zijn, als van een holbewoner, brutaal en vleselijk. Hij wijst de voorliefde van de Expressionisten *) voor het toeval, de spontaneïteit van het moment als creatieve mogelijkheid af, omdat hij er teveel poëtische onbewustheid in ontdekte die hij als toestand van barbaarse verdierlijking aan de kaak stelde.
Maar dat blijft het niet bij. Fundamenteler is zijn kritiek op het Dadaïsme **), wier beweging hij zag als een directe Godverzaking.
"Het door mensen gecreëerd universum werd gelijkgesteld, ja verheven boven het goddelijke universum" schrijft Nijhoff tien jaar later in zijn lezing over eigen werk.
Toch is het Expressionisme en het Dadaïsme slechts een graadmeter voor de teleurstelling en de wanhoop die de menselijke onmacht tegenover de techniek met name als oorlogsmachinerie - had teweeggebracht. Niemand minder dat prof. J. Huizinga, met wie hij correspondentie onderhield, en sonnetten aan opdroeg, had Nijhoff het algemene faillissement van cultuuridealen bitter doen voelen. "De analyse van het geestelijk lijden onzer dagen" is als ondertitel voor zijn werk "In de schaduw van morgen" z.i. treffend juist getypeerd.

" ... het geestelijk deel van de crisis, het idealen-faillissement, is definitief. Geen denken aan, dat dingen als geloof, schoonheid, natuur, ooit nog als toevluchtsoorden, anders dam. voor de ingekeerde enkeling, zullen dienstdoen.
De mens als massa kent deze begrippen geen leidraadgevende waarde meer toe en zal daar niet op terugkomen." 9)
Voorliefde voor de middeleeuwse kloostercultuur is Nijhoff bepaald niet vreemd geweest.

Het is tenslotte de techniek die alles reproduceerbaar heeft gemaakt, zodat er meer op kwantiteit dan op kwaliteit gelet zal worden. Alles komt binnen ieders bereik. De perfecte formule echter kan geen duurzaam materiaal scheppen, brengt geen ritme in het leven.
Nijhoff drukt dat plastisch uit als hij zegt dat zijn ziel geen weerstand ontmoet, nergens materiaal voelt, maar overal als een geest doorheen glijdt. De solide bodem ontbreekt en zelfs de moderne organisatievorm die in het detail zo perfect functioneert, hangt als los zand aan elkaar.
Het verschil met vroeger is niet zozeer dat het leven toen minder smartelijk was. Men heeft altijd een zware tol voor de vrijheid moeten betalen sinds het eten van de boom der kennis. Idealen echter bestonden en men geloofde er in. Zij waren het die het leven draaglijker maakten. Wat Nijhoff het meest kwelt in de moderne cultuur is het feit dat deze idealen onherroepelijk verloren zijn gegaan en dat de mensheid haar volstrekte zelfbestemmingsrecht in een pijnlijk bewustwordingsproces zal moeten accepteren. De technisch perfecte structuur die de mens over de wereld heeft aangelegd is onontkoombaar en volgens Nijhoff moet de menselijke ziel worden aangepast aan hetgeen de menselijke techniek schijnbaar argeloos tot stand heeft gebracht.
Nu is het merkwaardige dat het juist de kunst is, die volgens Nijhoff in dit bewustwordingsproces een grote rol kan spelen.

"De poëzie moet voor de toekomst werken, d.w.z. zich de toekomst als reeds bestaand indenken en daar als het ware voor de menselijke ziel kwartier maken." 10) Nijhoff die zich terdege bewust is geweest van zijn maatschappelijke taak, juist waar het de poëzie betrof, koos op dat ogenblik voor de taalstudie.
Hij zag zichzelf als een monnik, als een soldaat, die temidden van een ontwortelde cultuur de grondregelen der poëzie wilde bestuderen, daarbij een vaste orde en discipline voor ogen hebbend.
Het moest geen kunst zijn om de mensen in slaap te wiegen, of hun het spiegelbeeld van een verlorengegane cultuur voor (dromerige) ogen te houden. Geen kunst als troost, maal' als een medium om de nieuwe orde leefbaar te maken. Nijhoff vergelijkt zichzelf daarbij met een figuur als Johannes de Doper in de woestijn, ascetisch levend en ervan overtuigd dat er na hem iemand zou komen, waardiger dan hijzelf.
6) W. L. M. E. van Leeuwen in "Nederlandse auteurs van vijf generaties".
De Haan, Hilversum 1967, pag. 120-124.
7) Dr C. G. N. de Vooys en dr G. Stuiveling in "Schets van de Nederlandse letterkunde". Wolters., Noordhoff, Groningen 1971, pag. 191 e.v.
8) Bijvoorbeeld Rijpma in "Kort overzicht der Nederlandse letteren".
Wolters, Groningen 1958 (1ge druk), pag. 91-92;maar ook dr J. C. Brandt Corstius in "Geschiedenis van de Nederlandse literatuur". Het Spectrum, Utrecht 1959, pag. 232 e.v.
*) Het expressionisme richtte zich vooral in Duitsland aan het begin van de 20e eeuw als een mystiek, religieus protest tegen al het logisch-analytische in onze generaliserende wereld: de aller individueelste emotie werd maatstaf aller dingen.
**) Het Dadaïsme ontstond tijdens de Ie Wereldoorlog als een shockerend protest tegen al het normatieve in kunst en samenleving, waarbij de chaos en het destructieve tot leidend beginsel wem verheven.
9) Nijhoff in "Lees maar, er staat niet wat er staat", Bert Bakker/ Daamen N.V., Den Haag 1970 (6e druk), pag. 18.
10) Ibid. pag. 19.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief