Nijhoff's dichtkunst en thematiek

1973-05-25
  • Jaargang 17
  • nummer 21
Mijn eenzaam leven wandelt in de straten,
Langs een landschap of tusschen kamerwanden.
Er stroomt geen bloed meer door mijn doode handen, Stil heeft mijn hart de daden sterven laten,

Met deze loodzware melancholieke ernst vangt Nijhoff's eerste gedicht uit de bundel "De Wandelaar" (1916) aan. Hij ziet zichzelf als een toeschouwer die vanuit een hoge toren neerziet op een wereld waarmee hij geen kontakt kan krijgen. Ja, zelfs geen geluid dringt tot hem door. Tot passiviteit gedoemd ziet hij de werkelijkheid als een stoet levenloze beelden aan zich voorbijgaan. In deze onmacht vloekt hij zijn liefde en wordt hij door wanhoop gekweld.
Een steeds terugkerend woord in Nijhoff's gedichten is het "breken".
Zo schrijft hij dat Gods witte licht zich breekt in kleuren. Ook het leven breekt evenals zijn eigen ziel. Het leven ondergaat Nijhoff als een zware last, die slachtoffer maakt, en hem uiteindelijk breekt.
Maar tegelijkertijd is dat ook het doel waarvoor hij mens is. Want, schrijft hij in zijn gedicht "Het Licht":

Naakt aan een paal geslagen door de koorden,
Ziel, die zichzelve brak in liefde en woorden:
Dit zijn de daden waar ik mensch voor was.

Zo blijkt dat leven hard te zijn, maar het is ook een onweerstaanbare stroom van energie die door de aderen vloeit. Hier blijkt Nijhoff's uitzicht op het werkelijke leven, dat eerst in de dood bereikbaar wordt.
Dit is zijn verlangen naar oneindigheid, misschien mogen we in christelijke termen zeggen: het verlangen naar het eeuwig leven.
Toch blijkt in het gedicht "De Tuinman" dat Nijhoff zich niet van de werkelijkheid afkeert, hij vlucht noch in een platonische ideeënwereld, noch in de droomwereld van persoonlijke overpeinzingen.

God heeft ons op de wereld gezet,
Het leven kan niet sterven.

Ook als de mens nog zozeer zoekt naar een rustplaats, wanneer men het zwerven moe is en wil slapen, dan luidt zijn devies:

Zie naar de bloemen op een graf,
Het leven kan niet sterven.
Nooit komen wij de wereld af,
Al barsten we tot scherven.

Er zijn dus twee krachten die in Nijhoff werken, zijn verlangen naar het pure ongebroken leven dat eerst na de dood (of liever: in de dood) kan worden gevonden en anderzijds zijn worsteling om in dit leven een zin te vinden, het te accepteren als een daad van God waarmee wij klaar moeten zien te komen.
Dat is dan ook de reden dat Nijhoff enerzijds het leven als "waanzin" kan beschrijven, en anderzijds kan zeggen dat "alles schoon en alles goed" is.
Een prachtig voorbeeld van deze innerlijke strijd die Nijhoff voert vinden wij in het gedicht "Pierrot" dat ik in zijn geheel hieronder laat volgen:

'k Ontmoette 's nachts een vrouw bij een lantaren, Geverfd, als heidenen hun dooden verven
Ik zei tot haar: "Vrouw, ik ben moe van zwerven."
Zij lachte om mijn wit pak en mijn gebaren.

En ik zei weer: "Laten wij samen sterven,
Vrouw, mijn naam is Pierrot -" Ik vroeg den hare.
Wij dansten samen of we dronken waren.
En mijn stuk hapt rammelde van de scherven.

Dit was een dans op den uitersten rand
Der steilten van verbijstering. Als een brand
Joeg waanzin door mijn lijf heen, dat ging breken

Als wie een moord deed, heb ik omgekeken
En zag me alleen staan in de vale straat,
En vluchtte weg en sloeg me voor 't gelaat.

In 1913 publiceert Nijhoff het gedicht "De Vrouw In Het Rood" in de Amsterdamse Studenten-almanak en hij beschrijft hoe deze "femme fatale" hem meelonkt en dat zij samen de gehele nacht in liefde doorbrengen. Het gedicht eindigt tweeslachtig omdat hij enerzijds aanvoelt dat, wanneer hij deze vrouw nogmaals ontmoet "zijn leven naar de bliksem zal gaan", maar anderzijds haar toch wil zoeken, om aan haar zijde te mogen sterven.
In het gedicht "Pierrot" wordt dit zelfde verlangen als een dronken roes geschilderd, waar Nijhoff nu voor terugschrikt en betreurt, dat hij zich hierin zo heeft laten meeslepen.
De liefde blijft Nijhoff trouwens steeds parten spelen. In het gedicht "Het Einde" beschrijft hij hoe een persoonlijke verstandhouding wordt omgebracht en dat in het "vermoeide licht der kandelaren" tussen deze twee mensen "waanzin van woorden" en "wanhoop van gebaren rondspoken".
De liefde schijnt voor Nijhoff iets onmogelijks te zijn. In dezelfde bundel staan negen geruchten getiteld "De Vervloekte" die schrijnend het failliet van de hartstochten doet uitkomen.
"Liefde, die honger is en om brood schreit,/Dat slechts verdoemden in hun wanhoop eten" ... "Maar wij, die altijd machteloozen waren,/Hebben elkander stervend liefgehad" ... ,,O wie liefheeft bijt in een bittre bloem!"
Ook hier is het de dood die de uiteindelijke vrede, de rust moet brengen.
Het verlangend elkaar in de ogen zien of het leven reeds brak is sprekend genoeg. Het zesde gedicht besluit Nijhoff als volgt:

Daar ik je nooit buiten mijn leven had,
Heb ik je nooit, nog nooit zo liefgehad
Als nu ik je gebroken ogen sluit.

Is het te ver gezocht om zoals Nijhoff de dood hier in zijn gedichten opneemt, deze dood als levensbeginsel te zien? De dichter die zijn eigen ziel breekt en zo het nieuwe leven schept? - nml. van het gedicht dat ontstaat (In "Het Licht" zegt hij immers: En mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt.) De dood die als het einddoel van de liefde gestalte krijgt, omdat zij deel heeft aan de eeuwigheid? Wij worden hier wel zeer sterk herinnerd aan Christus' verzoenend sterven, aan Zijn kruisdood die voor ons, als in Hem gelovenden als de opgestane Heer, een nieuw leven inhoudt.
In feite komt bij Nijhoff de kruisdood van Christus ook ter sprake, nml. in zijn gedicht "De Laatste Dag", dat hieronder volgt:

Ze grepen hem terwijl zijn vrienden sliepen
En het verraad kuste als een vriend zijn mond.
Rumoer was in de stad, en mannen liepen
Met toortsen in de donkre straten rond.

Een menigte drong op het plein: ze riepen:
"Kruis hem! Kruis hem!" - Hij, die gebonden stond
Voor het paleis, zag in hun oogen 't diepe
Geheim, waarvoor hem God ter wereld zond.

En naakt werd hij gekruisigd door soldaten,
De vrouwen weenden en de priesters praatten,
Er werd gedobbeld en veel wijn vermorst.

Het voorhang scheurde, dooden werden wakker,
Een man wierp zilver ten verdoemden akker.
Het is volbracht! - Zijn hoofd viel aan zijn borst.

Maar 't lijkt wel dat hier het volbrachte werk van Christus geen objectief bestaande verlossing voor Nijhoff inhoudt, integendeel, dat Christus als voorbeeld bij uitstek en tot in de dood toe moet worden nagevolgd om hieraan deel te krijgen, terwijl de opstanding zelf geen rol speelt!
De "navolging van Christus" krijgt gestalte in gedichten die zich rond het thema van "De Heilige" zouden kunnen groeperen. Het is frappant om te zien hoe het sleutelwoord "breken" in gedichten als "Boehme" en "De Heilige" wordt opgenomen.
De heilige vraagt zich in het gelijknamige gedicht af wat de menigte werkelijk van zijn zegen heeft verkregen, aangezien hijzelf de onmachtigheid ervan inziet ("Was niet mijn heele leven maar een leege / Droomende glimlach tot de oneindigheid?"). Maar verstild en in zichzelf gekeerd merkt diezelfde heilige dat bij het breken van het brood zijn gevouwen handen "al rijk en vol zijn van een enkel ding" en dat bij het gebed zijn hoofd wordt omkranst door een zilveren licht.
Nog duidelijker is dit type van vroomheid in het gedicht "Boehme" een verwijzing naar de Duitse protestantse mysticus (1575-1624) die zich zeer intensief met het kwaad en de gebrokenheid van deze wereld heeft beziggehouden en daarbij de wedergeboorte in Christus als enige radicale oplossing voorstond.

Ik eet het brood weer van mijn tinnen bord,
En drink weer water uit mijn kroes van tin
Het licht stroomt door de hooge vensters in,
Terwijl mijn aandacht een extase wordt.

Ik was aam alles dan mijzelf ontweken:
Toen is in deze stilte 't hart gebroken.
En duizend kaarsen werden aangestoken.
Mijn oogen glanzen in dien schijn, en breken.

's Nachts stond ik op een brug: in de vaart spieglen Huizen, boomen en stadstuinen, die slapen
Het water stroomt en doet de beelden wieglen.

Ik boog me en zag: zie mijn gelaat was ouder,
Zie, als een doornenkroon was om mijn slapen,
En als een donker kruis boven mijn schouder.

Naast het thema van het "breken" waarmee de dood wordt aangeduid, of, als men actiever wil, de zelfopoffering (waarmee echter niet het bewust actieve in de mens bedoeld wordt), komt bij Nijhoff ook voor het kind, dat als het ware steeds als tegenstelling van deze dood, dit lijden en strijden van het leven wordt gezien.
De ontvankelijkheid van kinderen voor het goddelijke mysterie moet Nijhoff zeer hebben aangesproken .wanneer hij dicht:

Wanneer men kindren voor een venster brengt,
Vlak voor een venster, dat het stroomend licht
Hangt in het haar en diep in 't zacht gezicht,
Lachen hun oogen alsof God hen wenkt.

De directe eenvoud van kinderen herinnert Nijhoff niet zozeer aan zijn eigen geborgen kinderjaren, maar - zoals Theun de Vries m.i. terecht opmerkt 1) - het kind blijkt voor hem een van de aartstypen van "Gods eenvoudig leven" en de overgang naar andere gestalten zoals speellieden, vromen, soldaten en boeren waarin hij "waarachtig leven" belichaamd ziet. Over zijn eigen kinderjaren spreekt Nijhoff 'Overigens met innige tederheid, zonder een spoor van sentimentaliteit.
Soms is het alsof hij zichzelf tot een kind rekent:

De zon verdedigt, vader, uw gelaat,
Blind zien uw kind ren opwaarts naar uw hemel.

('Middag') Of: "ik ben weer een kind na dezen nacht" ("Con Sordino") en met een verwijtende stem elders: "maar wat je aan een / Kind geven moet, dat bij je komt en schreit, / wist je niet." ("De Gevloekte II").
Het kind aan de moederborst, het kind in de vrije natuur, het kind dat pianospeelt, het zijn tamelijk naturalistische beelden die het kind als een ongebroken onschuld weergeven - een onschuld die Nijhoff enerzijds hevig begeert, ofwel er met weemoed aan terugdenkt, anderzijns in zichzelf als "een vervloekte" tracht om te brengen.
Hoe anders het volgende te verklaren, dat met hevige emotie uitbarst: Omdat het moest, namen mijn handen hem, Heb ik zijn kinder-lichaam stuk gebogen.
Mijn wanhoop schreeuwde naast zijn kind er-stem, Want ik was bang voor open kinder-oogen.
Is Nijhoff hier niet bezig zich te ontdoen van het kind in hem, op weg naar de "maatschappelijke volwassenheid"? Deze waanzinnige "moord" doet hem de tranen in de ogen springen en navrant besluit Nijhoff dit gedicht, dat hij zichzelf "met vreemde stem een kinder-Iiedje hoorde zingen". ("De Vervloekte IX")

1) Theun de Vries in "M. Nijhoff - Wandelaar in de werkelijkheid", Mansarde Pers, 's-Gravenhage 1946, pag. 32. *)

In het vorige artikel over Nijhoff zijn enkele zetfoutjes ingeslopen.
Kolom 2, regel 2 staat: Maar dat blijft het niet bij. Dit moet zijn: Maar daar blijft het niet bij. Kolom 2, regel 19 staat: minder dat prof. J. Huizinga; dit moet zijn: minder dan prof. J. Huizinga. Kolom 4, noot Expressionisme, regel 5 staat: generaliserende. Dit moet zijn: gemechaniseerde.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief