Boekbespreking
1973-05-25
Naar een Petrusdienst?- Jaargang 17
- nummer 21
door Prof. dr G. P. van Itterzon.
Uiitgave Buijten en Schipperheijn, Prijs f 3,90.
Was en is misschien de slagzin van de Verenigde Naties: "één wereld of geen wereld", de slagzin van vele christenen is tegenwoordig: "één georganiseerde kerk of geen."
Prof. Van Itterzon gaat in deze brochure van de Willem de Zwijgerstichting in op een rapport aangeboden aan de synode van de Ned. Herv. Kerk dat als titel heeft "Wat is eraan de hand met het ambt?". Een rapport uit 1970. In hoofdzaak geschreven door Prof. dr H. Berkhof, zoals meegedeeld wordt. In dat rapport wordt gepleit voor een personeel universeel ambt in "een verenigde wereldkerk".
"Misschien is de tijd niet ver meer, dat de voortgaande eenwording der kerken enerzijds en de veranderingen in de Rooms-Katholieke Kerk anderzijds een gesprek over dit moeilijke en gewichtige punt zowel nodig als mogelijk zullen maken". U begrijpt dan komt de vraag van het pausschap en van de leer dat de bisschoppen van Rome opvolgers zijn van de apostelen in het gezicht.
Hij gaat ook in op de gedachten van de R.K. theoloog Hans Küng, die de Petrusmacht afwijst om voor een Petrusdienst zeer bewogen te pleiten. Prof. Küng komt tot soortgelijke gedachten, zegt Van Itterzon, als hij zegt: "Petrusdienst of Petrusmacht - dit zal voor de verdere oecumenische toenadering minstens even belangrijk zijn als alle exegetische en historische discussie."
Het is geen wonder dat Prof. Van Itterzon dan de vragen aan de orde stelt: 1. Kent het Nieuwe Testament een Petrus-ambt of Petrusdienst? 2. Zo ja, zijn hieraan ook voor onze tijd noodzakelijke consequenties verbonden? 3. Indien niet, heeft het zin, gezien de historie te streven naar zulk een ambt of dienst voor alle kerken, hetzij in oecomenisch verband, hetzij in een allesomvattende wereldkerk? (blz. 7).
De schrijver ontkent de eerste vraag. Ik meen op zeer doordachte Schriftuurlijke gronden.
Hij wijst op het feit dat Petrus ter verantwoording wordt geroepen door de gemeente van Jeruzalem als hij naar Cornelius is geweest. Hij wijst op Galaten 2, waar Jacobus als eerste genoemd wordt van de steunpilaren van de gemeente en niet Jacobus, in welke brief Paulus ook vermeldt dat hij Petrus publiek weerstaat. Hij wijst op de vrij ondergeschikte rol die Petrus speelt in Hand. 15.
Verder wijst hij op het feit dat in Handelingen Petrus ging en Paulus kwam. Hij wijst erop dat ambtelijk Petrus nooit boven de andere apostelen wordt verheven.
En het m.i. belangrijkste argument formuleert de schrijver zo "Komt het niet meer met de werkelijkheid van het kerkelijk belijden en leven overeen, als men wanneer het over de fundamentele betekenis van het apostolisch kerugma (= heilsboodschap) gaat, eerder aan Paulus een ereprimaat toekent dan aan Petrus?" (blz. 32) Ik dacht dat die vraag eigenlijk niet eens gesteld .behoeft te worden.
De grootste gebeurtenis in de kerkgeschiedenis na Pinksteren is toch immers de roeping en bekering van Paulus. Paulus is zich van deze geheel enige positie dan ook welbewust. Hij heeft het apostelambt wel als "dertiende" gekregen, als een misgeboorte, en hij was het niet waard, maar hij roept een ieder op hem na te volgen.
Van een monarchaal stelsel, zoals de R.K. dat kent is inderdaad in de H. Schrift geen sprake. Het wordt zelfs verboden. Het feit dat iemand zich heilige Vader laat noemen is regelrecht in strijd met wat de Heiland zegt in Matth. 23.
Van een eenhoofdig onfeilbaar leerambt is daar geen sprake.
Uitvoerig wordt natuurlijk aandacht besteed aan Matth. 16: 18.
De exegese die Prof. Van Itterzon geeft bevredigt me niet geheel en lijkt me ook innerlijk tegenstrijdig.
Hij ontkent dat bij het woord "petra" enkel aan de belijdenis van Petrus gedacht moet worden. (blz. 24). Ik zie niet in waarom.
Want "Voorts is het belangrijk dat Petrus ook hier als woordvoerder optreedt. Immers wanneer Jezus al zijn discipelen gezamenlijk voor de vraag stelt: maar gij, wie zegt dat Ik ben ... " (blz. 26). Als men het gezamenlijke, het meervoud in het geheel van Matth. 16: 13-20 voor ogen houdt, is er geen sprake meer van dat er daar van een primaat van Petrus gesproken zou worden.
Juist als Petrus "woordvoerder" is, dan is er geen reden om de bevoegdheid van "binden en ontbinden" alleen op Petrus te laten slaan en niet op de andere apostelen.
Zie ook Joh. 20 : 22, 23. En met instemming citeert de schrijver Prof. Herman Ridderbos: "Hoewel Petrus hier alleen genoemd wordt en de met zijn naam verband houdende woordspeling ligt hierin niet opgesloten dat Petrus een van alle discipelen onderscheiden opdracht kreeg, althans niet, dat zijn arbeid voor de fundering der gemeente en als gevolmachtigde des Heren een exclusieve betekenis had". Als men dit aanneemt is het dunkt me niet mogelijk over "deze petra" anders te spreken dan als over de door Petrus geformuleerde belijdends.
Trouwens apostelen hebben geen opvolgers als oog- en oorgetuigen.
Kunnen juist vanwege dat getuige-zijn van de opstanding geen opvolgers hebben.
Prof. Van Itterzon komt tot de conclusie: "Daarom blijft de uitlegging van Matth. 16 voor het interkerkelijk gesprek hoogst actueel en maken de reformatorische kerken nog steeds bezwaar tegen de locale, temporale en ambtelijke uitbreiding, die aan dit Schriftwoord door de haars inziens dogmatische Rooms-Katholieke exegese nog wordt gegeven".
Jammer is dat de vraag: hoe komt het dat men steeds verlangt naar een zichtbaar middelpunt van de georganiseerde gemeenten, niet aan de orde wordt gesteld. Dat gaat dunkt me vooraf aan de vraag naar de verschillen tussen de R.K. en de Ned. Herv. Kerk.
Omdat ze beiden de "pion" van de ouderling nog niet zien èn niet erkennen dat geen kerk over een andere kerk en geen ambtsdrager over een andere ambtsdrager enige heerschappij zal voeren. De plaatselijke zelfstandigheid van de gemeente dient eerst besproken te worden. En beantwoord.