Critisch (SLOT)
1973-06-01
• In andere zin - Jaargang 17
- nummer 22
We gaven in het vorige nummer van ons blad in vogelvlucht een overzicht van de critische geest, zoals die vandaag "in" is en velen in zijn greep heeft. 't Was niet zonder reden, dat we dit onderwerp aangesneden. Het raakt een verschijnsel dat te algemeen is om er aan voorbij te gaan, dat ook niet laan ons voorbijgaat.
Ik wees er op dat het ook in politiek opzicht z'n consequenties heeft. Een partij als de P.P.R., waarover onlangs in ons blad geschreven is, is zonder dit verschijnsel niet te denken. Zij spreekt vooral de jongeren aan.
Ik weet niet of zij ook aantrekkingskracht uitoefent in onze kringen dan met name bij de jongeren, maar het feit is niet te ontkennen, dat bij sommigen van hen de maatschappij-critiek aanslaat.
En het gevaar is niet denkbeeldig dat anderen, in dit geval ouderen, zich daar tegen verzetten en dat er zo tegenstellingen ontstaan en een niet meer begrijpen van elkaar.
Er is dus reden te over om ons nader op deze zaak te bezinnen.
We moeten niet uiteen vallen in tegengestelde groeperingen van conservatieven en vernieuwers en dat vanuit de verschillende instelling: critisch of behoudend, Een christen is als het goed is critisch ingesteld.
Zo. moeten we het toch wel stellen.
Critisch, vanuit zijn denken uit het Woord van God. De wet des Heren is volmaakt, Ps. 19: 8 en deze wereld is onvolmaakt. Dat is de werkolijkheid, waarvoor een christen staat en waar hij niet omheen kan. Dat bepaalt zijn kijk op deze wereld en beheerst z'n gedrag - als het goed is.
Maar daar moet direct iets bij gezegd worden: tot deze wereld behoort hij ook zelf. Hij is van huis uit met deze wereld, die in het boze ligt, één. Vlees van haar vlees en been van haar gebeente.
Hij kent de verlossing door Christus en weet zich uit deze wereld verlost, maar tegelijk weet hij dat hij nog een stuk van die oude wereld in zich meedraagt. Zo staat het met de christen voor wie het geloof een levende zaak is.
Daarom is hij allereerst critisch tegenover zichzelf. Hij komt 's zondags in de kerk, waar de Here God de tien geboden "scherpelijk" laat prediken, Heid. Cat. vrg. 115, opdat hij zijn zondige aard hoe langer hoe meer zal leren kennen. Dat brengt hem tot een nederige levenshouding tegenover de Here en doet hem de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus zoeken (antw. 115).
Zo. wordt hij bewaard voor een hoogmoedig-critische houding ten opzichte van al wat hij om zich heen aantreft. ..Hij weet zich "van nature" met deze onvolmaakte, zondige wereld één en stelt zich er niet boven, Z'n eerste worsteling is daarom ook niet de wereld te verbeteren, maar naast het zo juist genoemde de inspanning, het "benaarstigen"en God bidden om zelf naar het beeld van God vernieuwd te worden. Waar dat niet het geval is, daar is alle critiek op de wereld, waarin wij leven, van een goedkope soort en heeft zij niet de rechte wortel.
Van hoeveel betekenis deze principiële, recht geestelijke instelling is, hopen we straks te zien.
• In meer omvattend er zin
De gelovige is critisch ten aanzien van deze wereld in meer omvattender zin dan de maatschappij-criticus van onze tijd. Hij 19raaft met zijn critiek dieper en breder. Het is nodig om daar even afzonderlijk bij stil te staan.
De maatschappij-criticus weet scherp de gebreken van onze samenleving in het licht te stenen.
Hij spreekt over ongelijkheid, onderdrukking, onrecht; niet allen hebben gelijke kansen; de waardigheid en de rechten van de mens komen niet voldoende tot hun recht; er zijn vergeten groepen; de een is schatrijk, de ander komt nauwelijks rond; de een gaat met een vliegtuig naar Majorca, de ander hoogstens een dagje naar Artis, om nog maar niet te spreken van het verschil tussen de rijke en de arme landen; over de rassendiscriminatie.
De christen, die bij z'n Bijbel leeft, merkt deze dingen ook wel op, maar hij ziet toch meer. Hij weet, dat wanneer in dit alles verandering wordt tot stand gebracht en er meer gelijkheid is en meer vrijheid en meer menselijke gerechtigheid we er nog niet zijn.
Er helemáál nog niet zijn. Want de oorzaak van alle moeite en verdriet ligt niet in de structuren van de samenleving zelf, hoe verkeerd en slecht die kunnen zijn en hoeveel kwaad zij dan ook kunnen aanrichten, maar in het menselijke hart. Ik weet, dat men dit als een gemeenplaats kan gebruiken en als een middel om van alle sociale en maatschappelijke problemen af te komen, alle verbetering in de bestaande orde te keren. Maar dat neemt niet weg dat we hier te doen hebben met een van de diepste waarheden van het evangelie. Kuitert is m.i. de waarheid op het spoor, wanneer hij in "Anders gezegd" (Kok, Kampen 1970) spreekt over de structuren, de ordeningen als in feite secundaire systemen, pag. 108. Hij bedoeld daarmee dat de ordeningen, zoals ze er zijn, door mensen hun bepaalde gestalte gekregen hebben. Hij noemt dat een kolossale ontdekking, pag. 90 en demonstreert dat door er op te wijzen dat wat wij vandaag de feodale structuur van de duitse vorstendommen uit de 15e en 16e eeuw noemen voor Luther een goddelijke (in de zin van: door God gestichte) orde was, Zo. kolossaal is deze ontdekking intussen niet, want Calvijn - het is algemeen bekend - voelde meer voor een republikeinse dan voor een monarchale regeringsvorm, wenste althans een behoorlijke inspraak van het volk, Bij Kuitert blijft teveel op de achtergrond dat de orde als zodanig van God is, dat wij mensen alleen een groot aandeel hebben in de nadere vormgeving ervan. Dat geldt b.v. ten aanzien van het gezag, men denke aan de bepáálde regeringsvorm. Maar dat menselijke aandeel in de vormgeving, waarin het gezag optreedt, doet de werkelijkheid niet te niet dat het gezag uit God is en een weldaad voor de menselijke samenleving. Waar dat niet verdisconteerd wordt, krijgt een theologie van de revolutie vrij spel.
Maar dit tussen haakjes - de nadere vormgeving van de door God gestelde orde is voor een groot deel aan onze menselijke activiteit te danken, zo kunnen er slechte structuren zijn, omdat het menselijke hart van zichzelf boos ds. Het secundaire - de structuren - gaat op het primaire - het hart terug.
Daarom roept het Evangelie op tot bekering van de harten. Een enkele blik in het Evangelie laat ons dat zien. Wie alleen over de verandering van de structuren spreekt en de bekering van het hart buiten beschouwing laat, dicht wel de scheuren in de muren van een huis, maar laat de verzakkende fundamenten voor wat ze zijn. Hij kan dus wel aan het scheuren dichten blijven, maar straks stort de hele zaak toch in elkaar, Daarom kunnen we het evangelie niet van zijn persoonlijke gerichtheid ontdoen en vertalen in termen van de sociale en politieke orde. We spreken dan misschien wel erg aan, maar spreken het Evangelie niet meer.
In de best denkbare structuren zal het boze menselijke hart zich ook laten gelden in egoïsme, haat, nijd, werken met de ellebogen, heimelijke verdrukking en achteruitzetting van de naaste, kwetsen, onteren en doden.
• De eerste dienst aan de wereld
Daarom is de eerste dienst, die de kerk, die wij als christenen aan de wereld te verrichten hebben de verkondiging van het persoonlijk gerichte evangelie. Het evangelie van genade en schuldvergeving, van geloof en bekering. Zo vinden we het ook in het Nieuwe Testament zelf. Waar dat niet gebeurt, verzaakt de kerk haar eerste roeping. Dit moet zonder enig voorbehoud gesteld worden.
Er is vandaag veel critiek op de kerk vanuit de maatschappij-critisch ingestelden. Maar hier zal de critiek zich altijd moeten inzetten.
Een aan deze opdracht ontzonken kerk is aan haar roeping ontrouw en onthoudt de wereld, wat zij alleen haar bieden kan. Want de wereld kent de Vader niet en kent haar diepste nood niet. In het besef van eigen verlorenheid van nature met heel de wereld zal de kerk het blijde evangelie van de verlossing moeten verkondigen aan allen, die zij bereiken kan. Dat is naast de voorbede voor de wereld haar eerste, primaire taak. Zo hebben de apostelen van de Here Christus het in navolging van de Heiland gedaan.
Ze hebben de verlossing verkondigd, ook aan slaven die zij geen verlossing uit de slavernij in dit leven konden brengen, en aan verdrukten, die zij geen verlossing van de druk in deze wereld konden bezorgen. Dat betekende bevrijding, 'n geestelijke bevrijding die in donkere levens vreugde en licht bracht.
Dat evangelie kan de kerk altijd brengen, ook waar ze wat maatschappelijke en politieke structuren betreft, staat voor een muur.
Ik denk aan de kerk in communistische en andere dictatoriaal geregeerde landen. Ze heeft hiermee haar kinderen en allen, die zij bereiken kan, te vertroosten.
Veel theologen gaan vandaag al de taak van de kerk en haar dienst aan de wereld van de situatie in het Westen, waar de kerk zich in algehele vrijheid kan bewegen. Maar zo is het niet altijd en overal, Men moet toch wel meer genuanceerd spreken over "de taak" van de kerk in deze wereld. Waar zij vervolgd wordt, zijn haar mogelijkheden beperkt en ishaar boodschap uiteraard mee daardoor gericht. Men leze met het oog daarop eens 1 Petr. 4: 7-19.
• De "tweede" dienst
We mogen intussen niets afdoen van de betekenis van het evangelie ook voor de menselijke samenleving als zodanig en in verband daarmee van de roeping der kerk in de prediking en van de christenen in het belijden daar, waar de Here God de vrijheid er toe geeft. De ruimte ontbreekt ons om hier in te gaan op alle vragen, die hier gesteld kunnen worden. Het gaat ons om de zaak van de critische geest als zodanig.
De kerk is er niet om bolwerk te zijn van het behoud, evenmin om de stoottroep te zijn van de revolutie.
We moeten hier oog hebben voor het wat ik zou willen noemen het ambivalente karakter van de kerk met betrekking tot de bestaande verhoudingen.
De eerste politieke taak van de kerk is het doen van smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle Godsvrucht en waardigheid, 1 Tim. 2: 15.
Van een hoogmoedig critische, revolutionaire instelling vanuit de rechten van de mens en zijn autonomie wil de Schrift niet weten.
Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan de stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen. En de keizer en de stadhouders van die tijd "waren niet bepaald altijd zulke lieve jongens. De revolutie als beginsel met ontkenning van het gezag vindt echter in de Bijbel geen steun. 'n Slecht uitgeoefend gezag is beter dan de anarchie, zo zullen we met. de boodschap van de Bijbel op dit punt mogen verstaan.
Maar het Evangelie werkt in alle bestaande verhoudingen genezend, zuiverend en oordelend in.
Het is critisch ten opzichte van al onze natuurlijke menselijke gedragingen en laat de afgronden van de boosheden van deze wereld zien, ook in haar structuren.
Geweld, Mtth. 20 : 25, zie vers 26, onderdrukking, Jac. 2: 5-7, geldzucht, Openb. 18; en wat er meer te noemen zou zijn. Tegen dat alles hebben wij te getuigen en te zeer uit bij hun spreken over door eigen leven ons daarvan ver te houden. Niet hooghartig, maar als door Christus gegrepenen, verlosten, die nog te strijden hebben tegen de zonden der wereld, die zij in zichzelf bevinden. Niet vanuit de rechten van de mens, maar vanuit de rechten van God, die de mens schiep naar Zijn beeld en tot Zijn dienst.
Dan werken we ook, wanneer we de gelegenheid er toe hebben, aan een rechtsbestel, dat zich tegen de zonde keert, aan een zo rechtvaardig en billijk mogelijke ordening van de samenleving een ontzaggelijk probleem, omdat zij bestaat uit zondige mènsen.
Maar we doen dat op eigen wijze, vanuit eigen standpunt, vanuit het geloof in het Woord van God. Niet in critische overmoed, maar in ootmoed. Misschien kunnen we zo onrecht tegen gaan en verzachten; iets van Gods goedheid laten zien over deze wereld, Matth. 5: 45. En dan vallen we niet in de strik die vandaag gespannen wordt: die van de verwachting van een paradijs op aarde, zonder geloof en beker: en nog wel, door ons tot stand gebracht. De roeping tot volmaaktheid indachtig, Mtth. 5 : 48, gelijk onze hemelse Vader volmaakt is, verwachten we het paradijs van boven, Openb. 21: 1 en 2, intussen doende, wat onze hand vindt om te doen.