Het lidmaatschap van het G.P.V.
1973-06-01
• een urgente kwestie - Jaargang 17
- nummer 22
Zoals de lezers van ons blad zich vermoedelijk nog wel zullen herinneren schreef ik enkele maanden geleden een artikel over het hierboven genoemde thema.
Uitdrukkelijk verklaarde ik daarin dat ik dat uitsluitend deed om ten aanzien van deze kwestie tot duidelijkheid te komen.
Ik had, zo zei ik erbij, met het schrijven ervan daarom expres gewacht tot nà de verkiezingen van 29 november, omdat ik door wat ik schreef de gang van zaken bij die verkiezingen niet wilde beïnvloeden. Ik wilde ook de schijn vermijden stemming te willen maken tegen het G.P.V.
Dat ik over deze kwestie schreef vond zijn oorzaak daarin dat de leden van de "binnenverbandse" Vrijgemaakte Kerken, ondanks alles wat er gebeurd is, ons onvergetelijk blijven en wij onzerzijds de broederband met hen nooit hebben doorgesneden en dat ook nooit zullen doen.
Maar het ernst maken met het handhaven van deze broederlijke relatie vereist dat we precies weten wat we aan elkaar hebben. Vooral ten aanzien van het G.P.V. is dat nodig. Heel veel gereformeerde en andere - christenen buiten de "binnenverbandse" kerken sympathiseren met de door het G.P.V. ontplooide politieke activiteit. En juist voor hen is het van belang precies te weten hoe het er met het toelatingsbeleid van het G.P.V. voor staat.
Er zijn nu twee overwegingen die mij er toe drongen de in het opschrift van dit artikel aangeduide kwestie opnieuw aan de orde te stellen.
In de eerste plaats het feit dat de laatst gehouden algemene vergadering van het G.P.V. een tweetal kiesverenigingen, die geheel (of voor het grootste gedeelte?) uit leden van uit het kerkverband der Vrijgemaakte Geref. Kerken gestoten kerken bestaan, als leden van het G.P.V. heeft geroyeerd. Dit is zoals van zelf spreekt een ernstige zaak.
Em het is daarom noodzakelijk zich de implicaties en consequenties daarvan goed te realiseren.
Em. daarbij komt als tweede dat momenteel de situatie waarin zich de z.g. "confessionele" partijen bevinden veel weg heeft van een puinhoop.
Ook deze trieste omstandigheid dringt ieder die het om authentiek christelijke politieke activiteit is te doen tot bezinning over de vraag waar we met de christelijke politieke partijen precies aan toe zijn. En dan zo dat we onze aandacht naar alle kanten richten. Ook daarom is de vraag naar het beleid van het G.P.V. ten aanzien van de toelating als lid van een Geref. Kiesvereniging bizonder urgent.
• een paar persreakties
Ik wil beginnen met een paar reakties in de pers over de kwestie die ons bezig houdt.
Nadat de bovengenoemde vergadering van het G.P.V. het royement van twee kiesverenigingen had uitgesproken schreef het Friesch Dagblad naar aanleiding daarvan het volgende artikeltje: "Vlak voor de jongste Kamerverkiezingen heeft de heer P. Jongeling te Leeuwarden in de Noorderkerk in antwoord op daar gestelde vragen nadrukkelijk gezegd, dat het helemaal niet waar is, dat alleen vrijgemaakten lid kunnen zijn van het G.P.V. Personen uit andere kerkgemeenschappen zouden ook lid kunnen zijn en op de kandidatenlijsten van deze politieke partij kunnen worden geplaatst, mits zij - uiteraard - instemmen met de beginselen van die partij.
Nu heeft het G.P.V., in Rotterdam bijeen, twee kiesverenigingen uitgestoten, omdat de leden behoorden tot de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt buiten verband. En verder heeft deze partij besloten, dat de deuren niet mogen worden opengezet voor leden uit andere kerken.
Jongstleden zaterdag had de heer Jongeling nog in Trouw een ander verhaal gehouden. Maar toen dat verhaal werd afgedrukt, was de beslissing eigenlijk al gevallen, Het is voor de politieke eerlijkheid nu wel nodig, dat eens duidelijk wordt gezegd, hoe het zit, Heeft de heer Jongeling gelijk, als hij op verkiezingsvergaderingen zegt: het kan wèl, of zijn de besluiten, nu in Rotterdam genomen, beslissend?"
Wat volgens het Friesch Dagblad door de heer Jongeling in Leeuwarden werd gezegd hebben de t.v.-kijkers ook van hem kunnen horen. In een uitzending verklaarde Jongeling zelfs dat het ,,laster" is als men beweerde dat alléén "binnenverbanders" lid van het G.P.V. konden zijn.
Indertijd nam ik uit het N.R.C.-Handelsblad een artikel van dr Verburgh over waarin deze iets dergelijks betoogde.
In een interview met Jongeling en dr Verbrugh dat in De Tijd van 31 maart j.l. werd gepubliceerd verklaarden dezen o.a.: "Wie zo het ontstaan van het G.P.V. beziet (namelijk als voortgekomen uit de "Vrijmaking") zal gemakkelijk tot de conclusie komen dat hier sprake is van een kerkelijke partij. Dit in tegenstelling bijvoorbeeld tot de S.G.P., waarin gereformeerden, christelijke gereformeerden en leden van de gereformeerde bond in de Nederlandse Hervormde Kerk zitten. In het G.P.V. is het hoge uitzondering, wanneer daar iemand Iid is die niet tot de vrijgemaakte gereformeerde kerk behoort.
Maar dr Verbrugh zegt op de vraag of het G.P.V. een kerkelijke partij is nadrukkelijk nee. He hangt natuurlijk af van de definitie die je geeft aan het begrip kerkelijke partij, maar volgens hen hebben in elk geval niet de kerkelijke leidslieden in de politiek van het G.P.V. het laatste woord.
"Wat dat betreft zijn kerk en staat bij ons nadrukkelijk gescheiden.
Er is ook zeker geen dominerende invloed van predikanten in de besturen.
Maar als u vraagt of het G.P.V. een partij is van kerkleden, dan komt het dichterbij. Voor een zeer belangrijk deel zijn het leden van één kerk. Wij nemen ons niet een kerkelijke, maar een confessionele partij, in de letterlijke zin van het woord", aldus Verbrugh.
Het toelatingsbeleid tot het G.P.V. wordt overgelaten aan de plaatselijke kiesverenigingen, maar in de praktijk blijkt dat er vrijwel geen niet-vrijgemaakten worden opgenomen en dat is dus ook te verklaren uit de centrale gedachte dat het leven één is."
Tot zover dit interview uit De Tijd.
Op het artikeltje van het Friesch Dagblad reageerde de heer Jongeling met een Ingezonden Stuk dat ik nu laat volgen. Er stond boven: Lidmaatschap van het G.P.V. Hier is het: "In een hoofdartikel stelde U op 3 april j.l. de vraag: "Hoe zit dat nu?"
(namelijk met de regels voor het lidmaatschap van het G.P.V.). U meende een tegenstelling te zien tussen uitlatingen mijnerzijds te Leeuwarden in november en in een interview in "Trouw" op 31 maart, en bepaalde besluiten van het G.P.V. op 30 maart. Maar deze tegenstelling kon slechts ontstaan doordat U elk van deze niet zo nauwkeurig weergaf als voor het verstaan van het beleid van het G.P.V. wenselijk is.
Ik heb in Leeuwarden de gedachte van een G.P.V. dat voor ieder openstaat, nadrukkelijk afgewezen en de eis benadrukt van voldoende overeenstemming ten aanzien van de gereformeerde confessie (zie Uw eigen verslag d.d. 23-11-'72). Dit heb ik in "Trouw" (31-3-'73) herhaald.
De interviewer heeft opgetekend: "dat wij zorgvuldig Schrift en Belijdenis - de belijdenis van de kerk, die ook wijst naar de kerk van de belijdenis - willen handhaven. Het is niet zo, dat we zeggen: Zet de poorten maar open en iedereen die zich Christen noemt, mag binnenkomen. We zouden overspoeld worden door allerlei mensen, die de meerderheid kunnen krijgen. Want dan gaat immers onze identiteit - onze strakke binding aan Schrift en Belijdenis - verloren. Het eigenlijke punt van toelating voor ons is de gehoorzaamheid aan Schrift en Belijdenis. We wilden een strakke regel en zullen geval voor geval bekijken". De beslissing tot royement van twee kiesverenigingen ten aanzien van wie geen vertrouwen meer bestond dat samenwerking op deze basis mogelijk was, ligt geheel in deze lijn. Tegelijk is in het debat daarover gebleken dat inderdaad plaatselijk niet-(vrijg.)-gereformeerden lid van het G.P.V. zijn. Dat brengt die verenigingen heus niet in aanmerking voor royement. Dat besloten zou zijn dat de deuren niet mogen worden opengezet voor leden uit andere kerken, moet op een vergissing berusten. Vermoedelijk wordt gedoeld op het voorstel van een kiesvereniging om landelijk bindende regels voor het toelatingsbeleid te ontwerpen. Uit de toelichting op dat voorstel bleek niet, of men daarbij aan "ruime" of "nauwe" regels dacht; men signaleerde alleen een per plaats verschillende gedragslijn, Dit voorstel kon echter bij gebrekke van de reglementair voorgeschreven ondersteuning niet in behandeling komen.
Derhalve blijft de bestaande praktijk van kracht, dat elke vereniging binnen het kader van de grondslag zelfstandig oordeelt over iedere lidmaatschaps-aanvrage, zonder enig automatisme.
Men kan over dit standpunt denken zoals men wil, ik hoop hiermee aan redaktie en lezers van het Friesch Dagblad toch te hebben duidelijk gemaakt, dat van politieke oneerlijkheid geen sprake is."
• vragen en nog eens vragen
De overweging van dit Ingezonden en de andere persreakties leidt als van zelf tot een aantal opmerkingen en vragen.
Vooreerst deze dat het bij de kwestie van de toelating als lid van een Geref. Kiesvereniging nooit ofte nimmer ging over de vraag of men de "poorten" van het G.P.V. zou "open zetten" voor iedereen die zich christen noemt! Van zo'n vraag is nooit sprake geweest. Het in geding brengen daarvan is dus niet ter zake.
Het ging in de discussies over het toelatingsbeleid van het G.P.V. ook niet over de vraag of lieden die de geref. confessie niet aanvaarden als de vertolking van hun geloof lid kunnen worden van een bij het G.P.V. aangesloten kiesvereniging. Ook het in geding brengen van deze vraag is niet ter zake.
Neen, het ging in deze zaak uitsluitend en alleen over de vraag of mensen, die zonder enige reserve verklaren dat ze de drie formulieren van enigheid als de belijdenis ook van hun geloof aanvaarden zonder meer lid van een bij het G.P.V. aangesloten kiesvereniging kunnen en moeten worden geaccepteerd. Om het zo concreet mogelijk te zeggen: het ging en gaat over de vraag of b.v. een christelijke gereformeerde, een gereformeerde-bonder, een lid van een andere geref. kerk, die verklaart op de grondslag van het G.P.V. - dat wil dus zeggen op de grondslag van Schrift en Belijdenis - politiek actief te wilden zijn, en zich daarom bij het G.,P.V. wil aansluiten, als zodanig kan en moet worden aanvaard.
Wanneer men deze vraag met ja beantwoordt is de zaak duidelijk.
Dan weet ieder waar hij aan toe is. Dan kan het G.P.V. zeggen: wij zijn een confessionele partij. Wij hebben als grondslag van al ons werken gekozen de Schrift en de belijdenis. En ieder die in oprechtheid verklaart met ons op deze grondslag te politiek actief te willen zijn is op onze kiesverenigingen welkom.
Maar als men deze vraag met neen beantwoordt, als dus de verklaring van een christelijke gereformeerde, en gereformeerde, en hervormde broeder dat hij op de grondslag van het G.P.V. - Schrift en belijdenis - mee politiek wil bedrijven, en dus van deze partij lid wil wonden, niet voldoende is, welke maatstaf legt het G.P.V. dan aan bij zijn toelatingsbeleid?
De heer Jongeling zegt dat er voor de toelating als lid van het G.P.V. "voldoende overeenstemming ten aanzien van de gereformeerde confessie" moet zijn. Wat is hier "voldoende overeenstemming"? En hij zegt daarna dat het eigenlijke punt van toelating is "de gehoorzaamheid aan Schrift en belijdenis". Is van de "buitenverbanders", de chr. gereformeerden, de synodaal gereformeerden, die hier en daar lid van een geref. kiesvereniging zijn, verklaard dat ze metterdaad "gehoorzaam" zijn aan Schrift en belijdenis? En vindt de heer Jongeling dat ook? Kan dat ondanks het feit dat ze niet lid zijn van de enig ware kerk?
Voorts zegt hij dat de mannen van het G.P.V. "zorgvuldig Schrift en Belijdenis - de belijdenis van de kerk, die ook wijst naar de kerk van de belijdenis - willen handhaven". Wat betekent hier de uitdrukking - de belijdenis van de kerk, die ook wijst naar de kerk van de belijdenis? Welke is volgens hem hier en nu de kerk waarnaar de belijdenis wijst? Betekent het werkelijk aanvaarden van de belijdenis ook het zich onder de tucht stellen van de kerk waarnaar de belijdenis wijst? En is dat de kerk waartoe de heer Jongeling behoort en de zusterkerken daarvan, of zijn dat ook andere?
De heer Jongeling verklaart voorts dat er ten aanzien van de twee kiesverenigingen die in Rotterdam geroyeerd werden geen vertrouwen meer bestond dat samenwerking op de basis van Schrift en belijdenis mogelijk was. Het is mij bekend dat deze kiesverenigingen en al de leden ervan zelf verklaarden van ganser harte op die basis te staan en de samenwerking met de andere kiesverenigingen graag te willen prolongeren. Wat was nu het criterium dat bij het royement werd aangelegd? Wat was de grond waarop de algemene vergadering van het G.P.V. uitsprak: Jullie zeggen wel dat je op de grondslag van Schrift en belijdenis slaat, en dat menen jullie ook wel, maar dat is toch niet zo en daarom moeten we jullie uitstoten?
De heer Jongeling verklaart verder dat m het debat over het royement toch gebleken is dat inderdaad plaatselijk "niet-(vrijg.)-gereformeerden"
lid van het G.P.V. zijn. Op welke grond zijn deze het lidmaatschap van het G.P.V. deelachtig geworden. Geschiedde dat na een test?
En welke was dat? Zijn deze mensen gebleken "gehoorzaam" te zijn aan Schrift en Belijdenis? En is het dus mogelijk dat mensen die geen lid zijn van "binnenverbandse" kerken metterdaad een Schrift en belijdenis gehoorzaam zijn?
En - om niet meer te noemen - de heer Jongeling verzekert dat Geref. Kiesverenigingen die "niet (vrijg.)-gereformeerde" inderdaad als hd toegelaten niet geroyeerd worden. Hoe staat het dan met de kiesverenigingen die dat niet doen, die op dit punt exclusief zijn?
En wat is over deze zaak het oordeel van de partij als geheel?
Men ziet vragen genoeg!
Duidelijkheid is er door de opmerkingen die de heer Jongeling gaf niet gekomen.
En de vraag van het Friesch Dagblad is niet beantwoord.