PINKSTEREN: Houdt moed!
1973-06-08
Het valt wel tegen, als de Geest van God wordt uitgestort.- Jaargang 17
- nummer 23
De Geest van God is toch - daar staat het oude testament vol van - de Geest van het leven. Als Gods Geest over de wereld vaart, dan gebeurt er wat. Dan houden de machten van dood en ondergang het niet meer. Dan wordt alles wat kapot was heel gemaakt.
Dan overwint - eindelijk - het leven.
Ezechiël heeft er iets van gezien (hoofdstuk 37). Als hij, staande bij dat gigantische massa-graf, roept om de Geest van God, en als op zijn roep de Geest verschijnt, dan hoort hij een geluid, en - kijk! - er beweegt wat, en dan staat daar even later dat onafzienbare leger van levende mensen.
En op de pinksterdag mag het dan heel even de schijn hebben dat er werkelijk wonderen gebeuren, dat het gelaat van de aarde vernieuwd wordt, maar het duurt niet zo erg Lang, of de wereld ziet er weer net zo uit als gisteren en eergisteren.
En als de mensen die te hoop zijn gelopen, nog onder de indruk, vragen: wat moeten we doen? dan weet Petrus niets anders te zeggen dan dit: jullie moeten je bekeren, en je laten dopen; want zó worden je zonden vergeven, en zó zul je de gave van de Heilige Geest ontvangen. En als je dan verder leest in het Nieuwe Testament, dan blijkt - afgedacht van een paar wonderen en tekenen - de Heilige Geest niet zo veel uit te halen. In elk geval: die ziekte blijft en de dood blijft; de Geest van God heeft Nero niet kunnen tegenhouden en de kruistochten ook niet.
De Geest van God, - dat is toch de Geest van het léven? Maar staat het er nu - na twintig eeuwen - met het leven niet hopelozer voor dan ooit?
Het valt wel tegen op het Pinksterfeest.
Ja, maar valt het niet altijd tegen, als Jezus Christus verschijnt?
Marcus heeft in het begin van zijn evangelie (hoofdstuk 2) dat typerende verhaal opgenomen van die verlamde die door zijn vrienden naar Jezus werd gebracht in de hoop dat Jezus, die al zoveel mensen genezen had, ook raad zou weten met zijn verlamming.
En dan, als de ontknoping van het verhaal komen moet, is er die verschrikkelijke anticlimax.
Want als die verlamde dan vol verwachting opkijkt naar die rabbi die zich over hem heenbuigt, als hij niets anders weet dan die ene vraag: zal hij het werkelijk doen?, zal hij mijn benen beter maken?, op dat moment zegt Jezus tegen hem: houd maar goede moed, jongen, … je zónden worden vergeven.
Iets dergelijks gebeurt als Jezus is opgestaan en 's avonds bij de discipelen binnenkomt (Joh. 20: 19-23). Ook dan komt er een sfeer van verwachting door dat wonderlijke feit, dat Jezus twéé keer tegen ze zegt: vrede zij u. Want door die tweede keer gaat die gewone, alledaagse, uitgesleten groet opeens spreken. "Vrede zij u", - dat wil zeggen: het ga jullie goed. Het ga je in alle opzichten goed. Ik wil dat jullie leven.
"Vrede zij u". Ik leef en daarom zullen jullie ook leven. Ik ben door de dood heengekomen. En daarom zullen ook jullie niet meer in de dood stuklopen. Houdt goede moed mensen, het heil gaat door. Het leven komt. Bereid in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God. Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel worde geslecht. Want de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren.
En heel de aarde zal zien het heil van Jahwe.
Met die vrede stuurt Jezus zijn discipelen dan de wereld in. En daarna blaast Hij op hen en zegt: ontvangt de Heilige Geest. Want Hij wil dat ze dat begrijpen: zo werkelijk als ze zijn adem voelen strijken langs hun gezicht, zó werkelijk is het dat de Geest van God zelf over de wereld vaart overal waar zij, apostelen van Jezus Christus, hun zending vervullen.
Houdt maar moed, de Geest van God komt. Laat er voor de wereld hoop op leven zijn.
Ja, maar dan komt opnieuw de teleurstelling.
Want waar al die verwachtingsvolle woorden op uitlopen is dit: Wien gij hun zonden kwijt scheldt, dien zijn ze kwijtgescholen; wien gij ze toe rekent, dien zijn ze toegerekend.
Is dat nu niet precies wat tallozen op het evangelie tegen hebben?
Dat het ons afscheept met zoiets onwezenlijks als de vergeving van onze zonden, en dat we met onze gewone, alledaagse, verschrikkelijke ellendigheden blijven zitten. Dat de honger niet verdwijnt en dat de ziekenhuizen niet leegstromen. Dat we ingeklemd blijven tussen de machten van ontbinding en ondergang.
Of moeten we dat juist leren, dat het leven - echt: het léven komt door de vergeving van onze schuld?
Dat kan ons toch niet ontgaan, dat Jezus - om te laten zien dat Hij echt de macht had, zonden te vergeven - ook de verlamde benen van die man op de draagbaar heeft beter gemaakt. Want als die lamme dan opspringt en wegrent, dan is het er voor éven uitgekomen, wat dát betekent als het weer goed is met God. Hoe waar dat woord van psalm 103 is: die al uw ongerechtigheden vergeeft... die al uw ziekten geneest, die uw leven verlost van het bederf. En dan kunnen we er niet meer onder uit dat onze genezing staat of valt met de vergeving van onze schuld. Dat ons leven staat of valt met de vrede van God. Dat het heil van de wereld - tot in het meest materiële toe - niet kromt dan doordat God ons groet: vrede zij u. Maar dat het heil van de wereld zo dan ook werkelijk komt.
Het gebeurt met ons en met de wereld waarin we leven niet zo overrompelend snel als met die verlamde. Tussen dat eerste woord: sta op en wandel - ligt voor ons een hele tijd. Zo'n lange tijd dat we er geen vertrouwen meer in hebben. Zo’n verschrikkelijk lange tijd dat wij ons boos en teleurgesteld afwenden: wij willen wel eens zien dat het allemaal niet hopeloos is.
Niet hopeloos? Pater van Kilsdonk uit Nijmegen heeft onlangs voor de televisie dit antwoord gegeven op de vraag, hoe hij de toekomst van de kerk zag - en het zelfde zou te zeggen zijn van de toekomst van de wereld, van ónze toekomst -: het is hopeloos, maar niet ernstig.
Dat is een zeer hoopvol woord.
Vol n.l. van een hoop, die niet ligt in het verlengde van ónze mogelijkheden, ónze kansen, ónze verwachtingen, Maar van een hoop die daar dwars tegen in gaat. Het is wel hopeloos, met de kerk en met de wereld en met mijn leven. Maar toch: het is niet ernstig. Want toch wil God met ons zijn. Toch worden onze zonden vergeven.
Toch gaat de Geest van God verder. Toch zegt God: vrede zij u. En dan wordt het ook vrede!
Het is wel hopeloos. Want wat is er hopelozer dan de dood, de ondergang. waaraan wij ons niet kunnen ontworstelen? Maar het is niet ernstig. Want Jezus is opgestaan.
En Jezus heeft zijn Geest uitgestort. En door de Geest van Jezus wil God met ons verder trekken, door de dood heen en door de ondergang heen, en door alle hopeloosheden heen, naar een nieuwe morgen, een nieuwe toekomst.
Het valt allemaal wel vreselijk tegen, wanneer we ons - vol verwachting - tot God wenden.
Onze zonden worden vergeven.
Meer niet.
Meer niet? Maar dat is het juist.
Als God onze zonden vergeeft, dan kómt de Geest ook. Dan is er - hoe lang het ook duren mag geen houden meer aan. Dan kan het alleen nog maar meevallen.
Heer, vergeef ons onze schuld
en geleid ons naar het land,
waar ons niets zal overkomen
dan de zegen van uw hand.