In de crisis

1973-06-15
  • Jaargang 17
  • nummer 24
• De critische geest

De critische geest, waarin we in de nummers van 25 mei en 1 juni j.l. het een en ander opmerkten, is momenteel een grootheid, die door bepaalde tendenzen gekenmerkt wordt. Hij is niet maar een geest, die bepaalde gebreken aanwijst, dat doet het evangelie ook, zagen we in het nummer van 1 juni. En het doet dat dieper en meer omvattend. Het laat die gebreken zien als zonden. Het laat achter bepaalde, verkeerde verhoudingen de boosheid van het menselijke hart zien. De critische geest is een zaak van andere orde.
Critisch heet hij, omdat hij met het bestaande niet tevreden is en tegen het bestaande keert, hij zich omdat hij geboren is uit een bepaalde wereldbeschouwing, waaraan dit bestaande niet beantwoordt.
En deze wereldbeschouwing is niet ontleend aan de Bijbel, maar aan iets anders, aan - kort gezegd - een of andere vorm van humanisme. Daarom kunnen op bepaalde punten deze critische geest en de critiek van het evangelie elkaar wel eens raken, maar ze zijn elkaar toch ten diepste vreemd. Dat moeten we goed in de gaten houden. Wie hier niet goed onderscheid loopt gevaar in zijn critiek vanuit het evangelie een huwelijk te sluiten met de critische geest, dat twee partners verbindt voor wie een werkelijk samenleven een onmogelijke zaak is.

Een van de kenmerken van de critische geest is het aanschoppen tegen alle bestaande instellingen en orderuingen. Met een deftig woord noemt men dit het antiinstitutionalisme.
Al de fiolen van de toorn van de critische geest worden leeggegoten op de ordeningen en structuren van de tegenwoordige samenleving, op de bestaande zeden en gewoonten, op heel het oude levenspatroon.
Het vaste, blijvende, bindende, al het statische moet het ontgelden.
Het is bizon der boeiend na te gaan, wat de diepere wortels zijn van deze nogal om zich heen grijpende beweging der geesten in onze tijd. Ik denk dat daarbij heel wat ter sprake zou moeten komen en dat een verschijnsel als de culturele revolutie in China van al weer enkele jaren geleden daarbij niet aan onze aandacht zou moeten ontsnappen. We zouden daarin wel eens op een duidelijke wijze gedemonstreerd kunnen zien, waar de diepste oorzaken van dit verschijnsel liggen.
Zover behoeven we momenteel echter niet te gaan.
Het verschijnsel van het antiinstitutionalisme ligt er en ieder kan het constateren, tot in kerkeraadsverslagen toe. U denkt vermoedelijk aan de critiek op en weerzin teaen een "vaste" organisatie, tegen bepaalde vaste regels, althans tegen het schriftelijk vastleggen ervan, indien ze niet direct zijn voorgeschreven in de Heilige Schrift en dan - zo zegt men, hoeft het niet meer, want dan is het reeds vastgelegd.
Maar ik denk nu toch aan iets anders. In het kerkeraadsverslag van een grote stadsgemeente een universiteitsstad - stond het volgende te lezen: De raad heeft uitvoerig stil gestaan bij het punt kerkelijke huwelijksbevestiging in het geval dat twee jonge mensen reeds vóór de burgerlijke huwelijksvoltrekking samen wonen. De raad besloot dat in dergelijke gevallen een verzoek om kerkelijke huwelijksbevestiging niet kan worden ingewilligd.
Tot zover het bericht.
De bizonder zorgvuldige formulering maakt wel duidelijk dat we hier niet met een incidenteel geval te doen hebben, maar met een meer voorkomend verschijnsel, al behoeft dat nog niet in de eigen gemeente te zijn. En daarin heeft deze kerkeraad gelijk.

• Het verschijnsel als zodanig

Voor een rechte beoordeling van deze zaak lijkt het me nodig het bovengenoemde anti-institutionalisme in rekening te brengen. Men kan natuurlijk geladen volzinnen schrijven over de huidige losbandigheid, maar ik vrees dat men dan zijn doel voorbij schiet. Er is m.i. in de eerste plaats iets anders aan de hand. De algemene geest, het huidig levensgevoel is gericht tegen alle officiële handelingen en instellingen. De klem, de noodzaak ervan wordt niet meer zo gevoeld, ja het eigen besef verzet zich daartegen min of meer. Het gevestigde wordt gemakkelijk vereenzelvigd met het uiterlijke, dat soms ontaardt in het schijnheilige, in wat tot een verouderd en slecht bevonden levenspatroon behoort. Men gaat er slechts noodgedwongen toe over.
Het zelf gekozen, in vrijheid beleefde is toch het eigenlijke, het ware, verre te verkiezen boven het geijkte.
Natuur lijk was er met betrekking tot het huwelijk vroeger ook wel Iets van deze aard. Het smalen op "het boterbriefje" is echt niet van recente datum. Maar vroeger waren het de vrijbuiters, die er zich niets van aantrokken en ze deelde in de publieke afkeuring.
Dat is nu aan het veranderen. En daaraan is de geest van onze tijd niet onschuldig. Hij werkt dit in de hand. We zien dat ook in de huwelijkswetgeving. De echtscheidingen nemen niet alleen toe, ze zijn ook wettelijk vergemakkelijkt.
We zeggen niet teveel als we beweren dat het huwelijk als instelling in de crisis is geraakt.
Daarom is het samenwonen van jonge mensen als ik het goed zie niet allereerst een kwestie van het zevende gebod, maar van het vijfde, dat handelt over de kwestie van het gezag in de samenleving en haar orde, Men versta mij wel. Ik zeg niet dat het zevende gebod er niet mee te maken heeft. Maar de crisis, die zich momenteel bezig is te voltrekken t.a.v. het huwelijk, is er in de eerste plaats een van het vijfde gebod. Want het betreft hier niet een samenleven van nu eens met deze, dan met een ander, maar van twee, die elkander trouw willen blijven en op de duur ook wel zullen gaan trouwen, tenminste dat van plan zijn, maar wanneer ze de tijd daarvoor geschikt achten. M.a.w. samenwonen voor het huwelijk, zonder dat daarbij een "het eerst proberen of het gaat" in geding is.
Uiteraard zijn dit dan de "gunstige gevallen". Hier treedt duidelijk een miskenning van het huwelijk als instelling aan de dag.

Het huwelijk als "scheppingsorde"

Want wat is het huwelijk eigenlijk?
Bavinck begint zijn met de meesterhand geschreven boek: Het christelijk huisgezin, met deze lapidaire zin: "De geschiedenis van het menschelijk geslacht begint met een bruiloft." Daarmee plaatst hij het huwelijk in het geheel van Gods bedoeling met zijn schepping van een wereld, waarin op Hem alles heeft te zijn gericht. Het is niet een zaak tussen twee mensen alleen, worstelend in hun verlangens en goedvinden, maar een instelling van de Here God Zelf, die man en vrouw schiep naar Zijn beeld Hem te dienen. Het huwelijk behoort tot de structuur van het door God geschapen leven en is een zaak, die op allerlei wijze met heel dat leven in zijn verschillende vormen verweven is: met de families, de staat, de kerk, voor wat betreft de er uitgeboren kinderen; met heel het brede mensenleven in al zijn schakeringen.
In individualistische opvatting ervan staat buiten de werkelijkheid.
Er wordt in onze tijd, waarin de structuren van de samenleving onder het spervuur van de critiek liggen, van theologische zijde gezegd dat ordeningen in feite secundaire systemen zijn - zie het artikel van 1 juni in dit blad. Dat moge waar zijn van bepáálde ordeningen, wier vormgeving aan ons mensen is te danken, het huwelijk valt daar niet onder. Dat is van Goddelijke orde. Het mag in verschillende tijden op verschillende wijze tot stand gekomen zijn - met inschakeling van de familie, de overheid, de kerk - maar als zodanig is het een van Goddelijke orde en altijd een órde, een officiële, openlijke en erkende instelling, die naar het Woord van God man en vrouw voor hun leven aan elkaar verbindt in liefde en trouw. Wat Gód samengevoegd heeft, scheide de mens niet, Matth. 19: 6. Man en vrouw sluiten zelf het huwelijk, maar als ordening van God die staat in het geheel van de menselijke samenleving en daarom publiek ten overstaan van. Dit is eigen aan het huwelijk. En zo vindt het ook zijn erkenning in de wet, in de voorrechten en verplichtingen die er inhaerent aan zijn, voorrechten, waarin ook de uit het huwelijk geboren kinderen in de samenleving delen: recht op verzorging, erfrecht, enz.

Het huwelijk in een zondige wereld

Dit alles is van bizondere betekenis ook als bescherming van de huwelijkspartners in een zondige wereld. Het opgenomen zijn samen in het huwelijk in dit geheel trekt een beschermende muur rondom het huwelijk.
Want we moeten de kracht van de zonde niet onderschatten. In idealisme wordt de band aan elkaar vaak gelegd. Maar de praktijk is dat het twee zondige mensen zijn die zich aan elkaar verbinden, met al de gebreken die zij hebben. De zonde, die in het hart leeft, werkt storend en stelt menig keer de liefde op een zware proef. Vaak alleen in de weg van strijd worden de opkomende moeilijkheden overwonnen. Daarbij klemt dan het gebed tot liefde en trouw samen met de verantwoordelijkheid, die de getrouwden publiek voor elkaar genomen hebben in het huwelijk als "instituut", als van God gegeven instelling in het geheel van de menselijke samenleving.
De echtscheiding is in onze tijd vergemakkelijkt, het is algemeen bekend. Maar in de meeste gevallen is zij vanwege deze aard van het huwelijk in het geheel der samenleving met zijn wettelijke status en verplichtingen toch niet een geringe zaak. Daar zit een stuk bewaring in voor willekeur en lichtzinnigheid t.a.v. elkaar. Een stuk huwelijksbeveiliging, dat is ook bescherming tegenover elkaar in "critieke" situaties, al is dit wel bezig te verslappen door de toenemende saecularisatie van heel onze Westerse samenleving. Christenen hebben daaraan echter niet mee te doen, maar zoveel als in hun vermogen is daar een dam tegen op te werpen. Ze hebben daarom ook in de kwestie van het huwelijk stand te houden en het Woord van God daarover te spreken en Zijn licht daarover te laten schijnen.
Ik geloof dat de kerkeraad, uit wiens verslag ik citeerde, dat op zijn wijze en in zijn omstandigheden heeft gedaan, al zal in de praktijk de pastorale zorg zeker niet ontbreken. Het besluit zelf is in zijn gepubliceerd zijn m.i. reeds een stuk pastorale zorg!

• De kwestie van het zevende gebod

Het samenleven voor de burgerlijke huwelijksvoltrekking gaat in tegen heel de boven geschetste aard en situatie van het huwelijk.
't Is een samenleven, geen huwelijksleven en betekent een ingaan tegen het vijfde gebod. Het is een opzij schuiven van het door God en Zijn "dienaren" geordende leven en een zich niet door hun hand laten regeren, maar rustig (?) eigen gang gaan.
Maar daaraan verbonden is het toch ook in strijd met het zevende gebod. Niet omdat het sexuele leven zelf in strijd met Gods wet zou zijn - het tegendeel is het geval. Maar omdat het, wanneer het zich niet geeft in Zijn orde, een overtreden wordt van Zijn wet voor het sexuele leven, zoals die in het zevende gebod ons voorgehouden wordt. Gij zult niet echtbreken. Het zevende gebod veronderstelt het huwelijk! (Prof. dr J. Koele in De tien geboden, pag. 111).
Wat onze tijd nodig heeft is een onderwijzing uit de Heilige Schrift in confrontatie met wat die tijd beweegt, niet op lamenterende wijze, maar met fundamenteel ingaan op de kwesties.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief