Wie is de baas in de kerk?

2013-06-15
  • Jaargang 57
  • nummer 12
Wiens taak is het om leiding te geven aan de gemeente? Het is een vraag waar tegenwoordig veel mee geworsteld wordt. Die worsteling verschilt per gemeente en predikant, maar in veel gevallen denkt de één dat de ander uiteindelijk verantwoordelijk is. Drie adviezen voor predikanten en drie adviezen voor gemeenten om de wederzijdse verantwoordelijkheid voor het leiderschap goed vorm te geven.

Predikanten vinden vaak dat het de verantwoordelijkheid van de kerkenraad of van de ouderlingen is om de visie en richting van de gemeente te bepalen. Voor velen van hen is dat een zaak van theologische overtuiging. Ze vinden dat predikanten specifieke taken moeten uitoefenen: Gods Woord bedienen, Gods volk weiden, huwelijksdiensten en begrafenissen leiden, evangeliseren, onderwijzen, lijnen uitzetten voor het christelijke leven. Ze zijn er daarom sterk van overtuigd dat gemeentelijke visievorming en het realiseren van de doelen die uit die visie voortvloeien, de verantwoordelijkheid is van de kerkenraad, en niet die van de predikant.

Anderzijds schreeuwen gemeenten om hulp. Veel gemeenten bevinden zich in een malaise. Ze verliezen leden en gaan gesprekken rond gevoelige thema’s uit de weg, gesprekken die juist noodzakelijk zijn om verder te komen. Ze beseffen dat ze behoefte hebben aan een breed gedeelde gemeentelijke visie, aan een koers en een richting waarin de gemeente zich moet ontwikkelen, en ze verlangen daarbij meer hulp van hun predikant dan ze krijgen.

Wederzijds
Tot op zekere hoogte is deze tegenstelling niet zo moeilijk als het lijkt. Je kunt de vraag wie leiding moet geven aan de gemeente ook op een andere manier formuleren: Wie wil de gemeente helpen om gemeente te zijn zoals God haar wil hebben? Dat is immers wat leiding geven aan de gemeente inhoudt. Als je het zo omschrijft, zullen de meeste predikanten en gemeenten het erover eens zijn dat zij daar allebei een cruciale rol in spelen. Predikanten hopen dat alles wat zij doen hun gemeente helpt om te zijn zoals God haar roept om te zijn. En gemeenten begrijpen dat zij de verantwoordelijkheid om kerk te zijn niet kunnen afschuiven op de predikant. Predikant en gemeente hebben een gedeelde verantwoordelijkheid om de kerk te laten zijn zoals God haar voor ogen heeft. Ze moeten samen kunnen zeggen: ‘Dit is ons project.’ Het Nieuwe Testament is duidelijk over deze wederzijdse verantwoordelijkheid. Het nieuwtestamentische beeld van de kerk als een lichaam met vele leden (1 Korintiërs 12) en het onderwijs dat God alle leden gaven heeft gegeven om zo het lichaam van Christus op te bouwen (zie in het bijzonder Efeziërs 4) pleiten er sterk voor om de vraag naar de leiding in de gemeente van een ‘en en’-antwoord te voorzien. Christus is het hoofd van het lichaam, niet de predikant en niet de gemeente. Alle ledematen van het lichaam zijn verbonden met Christus en hebben de verantwoordelijkheid om te dienen, te leiden en Christus te volgen.

In deze ‘en-en’-visie op het leidinggeven aan de gemeente hebben predikanten, kerkenraad en ouderlingen ieder een specifieke leiderschapsrol te vervullen. Helaas kunnen predikanten en gemeenten het daar helemaal mee eens zijn en toch volhouden dat de ander zijn taak verzaakt en die niet goed uitvoert. Daarom volgen hier enkele suggesties voor beiden.

Aansporing voor predikanten
Drie dingen kunnen predikanten helpen bij hun zoektocht naar hun verantwoordelijkheid als leider in een gemeente.

1. Maak een einde aan het onderscheid tussen ‘gemeentelijk leiderschap’ en ‘predikantstaken’. Want in álles wat predikanten doen, geven ze leiding aan de gemeente. Leiderschap is niet maar een keuzemogelijkheid voor predikanten. Het is niet één of andere organisatorische functie die aangehaakt wordt aan de voor het overige puur geestelijke taak van een predikant. Als het leiden van een gemeente betekent de kerk te helpen echt kerk te zijn, dan bestaat elke minuut van het werk van een predikant uit gemeentelijk leiderschap: het meest centraal via de prediking, maar ook in het pastoraat, onderwijs, toerusting en evangelisatie.

2. Verwar leiderschap niet met gemeenteopbouw. Don Cousins is van mening dat iedere predikant een leider is, maar niet iedere predikant een gemeenteopbouwer. In zijn boek Experiencing LeaderShift: Letting Go of Leadership Heresies schrijft Cousins dat maar 8 procent van de predikanten de geestelijke gave van leidinggeven uit Romeinen 12:8 bezit. Hij noemt mensen die deze gave bezitten ‘gemeenteopbouwers’ en definieert hun gave als ‘de van God ontvangen bekwaamheid om een visie neer te zetten, mensen te motiveren en hen aan te sturen om in saamhorigheid de doelen die God met en voor de gemeente heeft te realiseren’. Deze gemeenteopbouwers hebben de specifieke vaardigheden om het grote plaatje voor de gemeente neer te zetten, anderen te motiveren en de visie, waarden en bedieningen van een gemeente op één lijn te brengen. Nu kun je twisten over de percentages die Cousins noemt of over zijn exegese van Romeinen 12:8, maar zijn punt is duidelijk: op het punt van leiderschapsstijl en leiderschapsgaven zitten predikanten heel verschillend in elkaar en werkt het averechts als ze iemand proberen te zijn die ze simpelweg niet zijn. Als elke predikant probeert een gemeenteopbouwer te zijn, zullen volgens Cousins verreweg de meesten van hen gefrustreerd raken, omdat dat niet is wat zij echt zijn. Ook hun gemeente zal gefrustreerd raken, omdat de inspanningen van hun predikant weinig of niets zullen uithalen. En de gemeenteleden die de geestelijke gave van het leidinggeven uit Romeinen 12:8 in de uitleg van Cousins wél bezitten, worden niet op basis van die gave ingezet. De meeste predikanten die zich verzetten tegen de gedachte dat ze eern leider moeten zijn, verzetten zich in werkelijkheid tegen de verwachting dat zij een gemeenteopbouwer moeten zijn. Predikanten moeten vooral hun eigen geestelijke gaven leren ontdekken, om van daaruit leiding te geven.

3. Accepteer het feit dat je nu eenmaal een leider bent. Anders gezegd: u hebt de verantwoordelijkheid om uw gemeente haar weg te laten vinden. Misschien bent u geen gemeenteopbouwer, maar uw roeping als predikant houdt wel degelijk in dat u uw gemeente helpt om kerk te zijn naar Gods wil. Het Nieuwe Testament scheidt de pastorale taken van een predikant niet van zijn taak om het lichaam van Christus te leiden en toe te rusten. Sterker nog, alles wat predikanten (en gemeenteleden) doen, is bedoeld ‘om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus’ (Efeziërs 4:12-13). Dat is moeilijk, omdat predikanten vooral opgeleid zijn om specifieke predikantstaken uit te voeren. Ze hebben geleerd om over hun rol en hun functioneren na te denken in termen van preken maken, mensen bezoeken, contacten leggen in de buurt, vergaderingen leiden, etc. Daardoor voelen veel predikanten zich onzeker over wat hun leidinggevende taak nu eigenlijk inhoudt. Daar komt bij dat veel gemeenten zich sterk verzetten tegen leiderschap in de kerk, zelfs als dat effectief is. Dat maakt het begrijpelijk dat predikanten zich liever niet in de hitte van het gevecht wagen en zich focussen op de uitvoering van enkele duidelijk omschreven predikantstaken in de sfeer van prediking, pastoraat en dergelijke. Maar leiderschap is niet een optie, waarvoor predikanten wel of niet kunnen kiezen. Centraal in hun roeping staat dat ze hun gemeente helpen tot bloei te komen. En dat ís leiderschap.

Aansporing voor gemeenten
Er zijn drie dingen die gemeenten kunnen helpen als ze samen met hun predikant proberen te werken aan kerk-zijn.

1. Verwacht niet van een predikant dat hij een gemeenteopbouwer is als hij dat simpelweg niet is. Een leider? Jazeker, dat is hij. Maar niet elke predikant heeft de specifieke gave van het opbouwen van een gemeente. Als de gemeente van haar predikant een Bill Hybels van Willow Creek probeert te maken, terwijl hij niet over diens gemeenteopbouwgave beschikt, zijn er alleen maar verliezers. Geloof daarentegen dat de gaven die nodig zijn om een gezond lichaam te vormen binnen de gemeente als geheel aanwezig zijn. Hoe vaak hebben gemeenten niet te veel vertrouwd op hun predikant, om uiteindelijk gefrustreerd te raken over diens gebrekkige functioneren? Terwijl die predikant waarschijnlijk zijn uiterste best deed op terreinen waarvoor hij nu juist niet de gaven had en tegelijkertijd de gaven van anderen in de gemeente ongebruikt bleven.

2. Wees je bewust van de belangrijke rol die de gemeente zelf heeft in gezond leiderschap. Soms verzetten predikanten zich niet zozeer tegen hun eigen verantwoordelijkheid op het vlak van leidinggeven, maar willen ze gewoon dat de gemeente haar eigen rol in het geven van leiding en in het aanpakken van de zwakke punten in haar midden oppakt. Een niet goed functionerende gemeentelijke cultuur is uitermate moeilijk te veranderen. Gemeenten hebben er een handje van om problematisch gedrag van invloedrijke gemeenteleden niet bespreekbaar te maken, ze vinden het lastig om langslepende problemen in de personele sfeer aan te pakken of gaan het nemen van ingrijpende beslissingen liever uit de weg. Ze verwijten dan vaak de predikant dat die niet krachtig genoeg leiding geeft, terwijl de problemen in eerste instantie niets met diens leiderschap te maken hebben.
De gemeente weigert simpelweg om verantwoordelijkheid te nemen voor haar eigen functioneren en blijft liever in oude patronen hangen dan dat ze moeilijke beslissingen neemt.

3. Verbind de gezondheid of ongezondheid van de gemeente niet te snel aan je predikant. Gezegend is de gemeente die uitgebreid over haar sterke en zwakke punten kan praten zónder daarbij naar haar predikant te verwijzen. Volwassen gemeenten zijn zich ervan bewust dat hun predikant natuurlijk zijn sterke en zwakke kanten heeft, maar beseffen ook dat dat een apart verhaal is en niet een-op-een een relatie heeft met de sterke en zwakke kanten van de gemeente zelf. Volwassen gemeenten concentreren zich meer op de dingen waar zij zelf aan moeten werken dan op de dingen waar de predikant aan moet werken.

Gezond
Dit artikel gaar over één probleem: dat predikanten en gemeenten denken dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het leiderschap van de gemeente bij de ander ligt. Het tegenovergestelde probleem is dat predikanten en gemeenten denken dat zij zelf, en niet de ander, uiteindelijk verantwoordelijk is voor het leiden van de gemeente. Het antwoord op beide problemen is hetzelfde: we staan er samen voor. Slagvaardige en gezonde gemeenten zijn in de praktijk vaak gemeenten die hun leden helpen te ontdekken wat hun gaven zijn en waar hun kracht ligt en die hen vanuit die gaven en vanuit die kracht laten werken. Dat geldt voor gemeenteleden, leiders en predikanten. Die weg wijst Paulus in 1 Korintiërs 12 en Efeziërs 4. Dat is wat God voor gemeenten en predikanten wil.

Duane Kelderman is interimvoorganger van LaGrave Avenue Christian Reformed Church in de Verenigde Staten en doceert aan Calvin College. Dit artikel is afkomstig uit The Banner, het officiële tijdschrift van de Christian Reformed Church in Noord-Amerika.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief