Homofilie

2005-07-01
  • Jaargang 49
  • nummer 13
Op de toch al niet slecht gevulde tafel van de Vrijgemaakte Generale Synode van Amersfoort ligt ook een verzoek om een deputaatschap te benoemen dat beleid zou moeten ontwikkelen hoe als kerken om te gaan met homofilie. Ds H.J. Messelink toont zich in het Gereformeerd Kerkblad van 28 mei geen voorstander:

Mijn mening is: niet aan zo'n studiedeputaatschap beginnen. Ik heb daar enkele redenen voor. In de eerste plaats: er ligt al zoveel studiemateriaal, dat een deputaatschap daar m.i. weinig tot niets nieuws naast zal kunnen zetten.
Bovendien worden er op grond van veelal hetzelfde materiaal heel verschillende conclusies getrokken. Ook de bestudering van de Bijbel en de context, waarbinnen de Bijbel geschreven is, leidt niet tot eenduidige gevolgtrekkingen.
Een studiedeputaatschap zal er op stuiten dat er vooral hermeneutische vragen liggen (hermeneutisch: hoe leg je de Bijbel uit?). Die discussie zal dan al snel een eigen leven gaan leiden, waarmee onze homofiele broeders en zusters niet echt geholpen zijn. Bovendien trekken ook homo's zelf vanuit hun omgang met de Bijbel heel verschillende conclusies wat betreft hun leven en de keuzes die ze maken (). Het lijkt me daarom een illusie te menen dat we in de kerken na een rapport van een studiedeputaatschap allemaal gelijk gaan denken en vervolgens ook allemaal op dezelfde manier met homofilie omgaan. Het is een sympathieke gedachte, maar helaas niet erg realistisch. Persoonlijk hoop ik daarom dat de synode niet op dit verzoek zal ingaan.

Geen landelijk beleid dus, met name omdat de hermeneutische vragen toch alleen maar aanleiding geven tot verschil van mening. Verrassend genoeg geeft Messelink vervolgens zelf vanuit de bijbel een krachtige, en ook veelszins te beamen voorzet voor zo’n beleid.
Maar voor mijn besef zit daar dan wel degelijk een flinke scheut hermeneutiek in. Dat kan ook nauwelijks anders; bij een onderwerp als dit (maar hetzelfde geldt voor bijv. de vrouw in het ambt) kun je die – inderdaad lastige! – hermeneutische vragen niet simpelweg op de parkeerplaats zetten.

Hiermee is mijn verhaal niet uit. Ik denk wel dat homofiele broeders en zusters en kerkenraden geholpen zijn met een schriftuurlijke en tegelijk op de praktijk gerichte bezinning op de ruimte die homofielen binnen de gemeente ontvangen.
Niet om hiermee alles dicht te timmeren en iedere situatie precies te kunnen benoemen. Wel om zo recht te doen aan de verantwoordelijkheid van homofielen en van kerkenraden c.q. gemeenten. Het zou mooi zijn als we een speelruimte konden afspreken die dit mogelijk maakt. Voor mij betekent dit dat je samen een aantal zaken op een rijtje zet en ook onderschrijft, niet meer en niet minder. Ik zie het volgende als een begaanbare weg binnen de kerkelijke gemeenschap:
1. Seksualiteit is een scheppingsgave van God; ieder mens heeft seksuele gevoelens en mag zich daarin verheugen.
Seksualiteit hoort bij de mens.
2. God heeft in het begin gezegd: het is niet goed dat de mens alleen zij. Gericht zijn op de ander hoort bij het wezen van de mens.
3. De Bijbel verbindt heel duidelijk de seksuele gemeenschap aan de levenslange band tussen één man en één vrouw.
4. De Bijbel spreekt nergens op een positieve manier over homoseksualiteit. Als homoseksualiteit ter sprake komt, is het altijd in negatieve zin.
5. Het is een open vraag of homofilie, zoals wij die kennen, in te lezen valt in de Schriftteksten over homoseksualiteit.
Het is begrijpelijk dat christenhomo's zich niet herkennen in het beeld dat Paulus in Romeinen 1 schetst van de homoseksuele beleving in zijn dagen.
6. We steunen homofiele broeders en zusters in hun worsteling om de weg van de Here te zoeken en te gaan, in de navolging van Christus.
7. We ondersteunen homofiele broeders en zusters die de keuze maken om zonder relatie en in onthouding te leven.
8. Wanneer gemeenteleden kiezen voor de volledige homoseksuele gemeenschap, kunnen we van die keuze geen positieve beoordeling geven zonder ons van het onderwijs van de Heilige Schrift los te maken.
9. Hiermee is niet zonder meer gegeven dat elke homofiele relatie in strijd zou zijn met dit onderwijs.
10. Vanuit het in punt 2 genoemde Schriftgegeven dat het niet goed is wanneer een man of vrouw alleen is en dat de mens is aangelegd op een relatie, kunnen we gemeenteleden, die kiezen voor een homofiele vriendschapsrelatie, begripvol tegemoet treden.
11. In de beleving daarvan hebben ze een eigen verantwoordelijkheid.
12. We kunnen in de gemeente met elkaar een speelveld voor een homofiele relatie bepalen met vier hoeken: geen seksuele gemeenschap, geen samenlevingscontract, geen kerkelijke bevestiging, een vriendschapsrelatie met een eigen verantwoordelijkheid. Als die speelruimte door allen aanvaard wordt, kan een kerkenraad zich verder (in de pastorale contacten) terughoudend opstellen.
13. Homofiele broeders en zusters die instemmen met al deze punten en voor het overige in leer en leven onbesproken zijn, worden toegelaten tot de viering van het heilig avondmaal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief