NAJAARSKLEUREN
1971-10-08
De zomer is overrijp. Het najaar kondigt zich aan.- Jaargang 15
- nummer 26
Nog is de lucht strakblauw, nog is de zon als geelkoper - maar het loofhout is allemaal verkleurd. En hoe! De bruinbeige heide, al lang uitgebloeid, wordt nu omzoomd door donker naaldgroen, geelbruin beukeblad en vooral door het roodgouden loof van de amerikaanse eik en het purperrood van de wilde krent. De Veluwe is één grote kleurenpracht - juist nu alle rusteloze zomergasten verdwenen zijn. Het oog wordt niet verzadigd van zien. De Veluwe is weer een beetje van ons, hoewel we des te meer beseffen dat ook wij maar rentmeesters en schatbewaarders zijn.
De nachten worden fris. Het is al eenmaal om het nulpunt geweest. Toen de maan vol stond burlden de herten. Ze zijn dit jaar vroeg met hun bronst. Dat komt van die lage nachttemperaturen en die zonnige droge dagen.
Bij klamme atmosfeer en warme nachten verloopt de bronst soms ongemerkt maar dit jaar galmen iedere nacht de oergeluiden kilometers ver hoorbaar door de bossen.
En dit najaar is elke dag een feest. Als ik 's morgens naar kantoor zal gaan - heel vroeg, want ik moet eerst even het veld door - rij ik in de tuin al bijna over een paar jonge eekhoorntjes, die hier thuis zijn en mijn matineuze optreden ongepast vinden. Maar ze weten, die rakkers, dat ik voorzichtig rijd om ze te sparen. Ze stuiven een oude berk in, die ze tussen zijn rijpe gele blaadjes aan zijn hart drukt en van uit de hoogte roepen ze dingen, die in een fatsoenlijk blad niet thuis horen. Er is ook weer konijn in de tuin gedrongen: ondanks alle gaasafzetting wordt er weer ijverig geknaagd aan brem en afrikaantjes, aan viooltjes en dalia's. Als HKH het ziet zal ik ze moeten neerpaffende konijnen bedoel ik. Ja, die dalia's: ze bloeien in alle mooie kleuren en vormen, ze geven een uitbundige en verspillende garnering aan het gazon. De rode berberis heeft zich veel te welig ontwikkeld rondom het vijvertje en eeuwig zingen de bossen op de achtergrond. Het is al met al een symphonie van kleuren.
Zo is de Veluwe. Elke dag is een zonnedag.
Elke dag feest. Dank u, hemelse Vader, schepper van hemel en aarde. Dank u, dat u zulke rijke kleuren op uw palet hebt. Dank u, dat u de tijd neemt om ons zoveel moois te bieden, elk najaar. Dank u, dat u ons het leven zo mooi maakt. Wie uw hand niet ziet in dit paradijs is blind.
En vandaag is het zondag. De herfstkleuren waren tot in ons kerkje doorgedrongen: Gods grootheid is door niets buiten te sluiten, zeggen de theologen. Naast het kanseltje - vandaag een predikant in stemmig zwart, kwam goed uit tegen de witte achtergrond zeiden de zusteren - naast het kanseltje hing een armvol herfsttakken. Meest van amerikaanse eiken: in groen, geelgroen, kopergroen, gemarmerd groen, rood, donkerrood, vlammend rood en roodgoud. Niet te geloven zo uitbundig als zo'n bos herfsttakken kan gloeien. Een vlammenzee, een ondergaande zon in een mistbank, een geweldige kaleidoscoop. En dan te denken dat dit juichende herfstboeket maar een monstertje is van de schone Veluwe slechts een molecuul uit Gods wijde schepping.
Onze wegen onderzoeken, zei de predikant.
Wederkeren tot de Heere, zei hij. En niks te mopperen over Hem, zei hij. Als we iets te mopperen hebben - dan maar over onze eigen zonden, zei hij.
En gek - precies hetzelfde zei dat herfstboeket: kijk goed uit hoe je met Gods boeltje omgaat, zei het herfstboeket. Let eens op hoe machtig de Schepper is; je moet nooit met je rug naar Hem toe gaan staan, zei het herfstboeket. En juich nu eens van plezier over die God, die zeurderige mensen zo rijk maakt, zei het herfstboeket. Maar verniel de laatste schoonheid hier op aarde niet verder; want het tijdperk van de mens-op-aarde zal eens het tijdperk van de Grote Vernieling worden genoemd, zei het herfstboeket. Of, zoals Gezelle het zei: hebt toch meelije, mensen meelije, met de schone bomen Gods!
Er was niets in de preek - of het boeket der leken zei hetzelfde. Is boeket trouwens niet een verkleinwoord van boek? Over boeken der leken gesproken! Zelfs onze zang klonk anders: er kwam meer kleur aan te pas. Zouden onze voorouders, die de boeken der leken voorgoed uit de kerken verbanden, niet een enkel kind met het badwater hebben weggespoeld? Want we weten precies wat er geloofd en beleden moet worden maar wat betekent voor "onze" kerk vandaag eigenlijk de schepping? Gelukkig, dat de wijze vaderen artikel 2 van de NGB hebben laten staan ...
Gezelle, m'n goede Gezelle - zoon van een arme tuinman, opgevoed midden in Gods schone natuur - is ook gegrepen door die machtige najaarskleuren. Hoe zei hij het ook ergens?
Half rood half groen
de hagen staan:
half beukenhout
half ieuwen; 1)
ik hope dat
vrouw Lente zal
verneschen 2) en
vernieuwen
dat dood nu is;
intussen tijd
mij willekom
gij winter zijt
Een intellectuele dwaas verstaat dat niet.
Maar iemand die van kindsbeen af zó met de schepping is opgegroeid, is verloren voor de wetenschap der heilige godgeleerdheid. Die bren.gt het niet verder dan tot juichend christendom. Men zeide dat Gezelle ginne goeie pastoor en was. Het zal wel - maar hij was een gelukkig kind Gods. En dat ziet alle schepselen - de kleurrijkste wel het meest - als letters in een boek, die samen Gods almacht en goede zorg spellen; de herfstkleuren vormen daarin de kapitalen en rubrieken! Maar zo'n kind is immuun voor het gekibbel van theologen - welke het overigens allemaal bij het rechte eind hebben.
Onze gastpredikant bijvoorbeeld (hij is gelukkig meer herder dan theoloog) was vanmorgen zo gegrepen door de natuurlijke kleurenpracht die het "liturgisch centrum"
beheerste, dat hij andere dingen ging zeggen dan hij van plan was. Ontviel hem ineens openhartig: "we beleven de gekste dingen in de kerk - maar we zwijgen er wèl over, of we spreken over de fouten van andere kerken".
Je schrok er van. Zo ontwapenend, zo ontdekkend is nu de natuur. Als de ziele luistert spreekt het al een taal, dat leeft.
Griezelig voor mensen, die wat te verbergen hebben. Maar verrukkelijk voor hen, die kinderen in verstand en boosheid zijn.
De zwitserse ontdekkingsreizigster Mevrouw David-Neel schreef over het oude Tibet, onder meer het boek Mipam. Daarin vertelt ze van een tibetaanse monnik, die zo ver gevorderd was in zijn religieuze opklimming dat hij één met de natuur was geworden: wilde dieren verloren voor hem hun schuwheid en kwamen naar hem toe. En de legende van Franciscus van Assisi zegt iets soortgelijks - maar dat is een ander verhaal.
We hadden destijds een lieve oude zuster in onze gemeente. Ze was wat hulpbehoevend en aanvaardde dankbaar onze geringe christenhulp, die - mits aan weduwen en wezen besteed - een stukje practische godsdienst is volgens Jacobus. Tussen haakjes: haar zoon schijnt nu in een rechtzinnig blad mijn ketterse volzinnen op de korrel te hebben genomen. Althans dat wordt mij bericht.
Ik kan daar geen verdere aandacht aan geven. Het grootste verschil tussen die soort ketterjagers en mij is altijd: dat zij mij wel lezen en ik hen niet. Daarom ben ik gelukkig.
Maar nu die lieve oude zuster. Ze klapte in haar handen, wanneer je ze in Gods schepping rondreed. Ze zong van blijdschap over de Heer van de vogels, de bloemen en de bomen, van de koolzaadvelden, het water en de dennebossen. Wat kon dát mensje zingen in de kerk: je luisterde naar haar schone sopraan of je wilde of niet. Des ja. En als je haar een extra genoegen wilde doen, moest je haar voorlezen van Jacqueline van der Waals het mooie gedicht
Najaarslaan.
Ik keek in de gouden heerlijkheid / van een najaarslaan / het was of ik goudene deuren wijd / zag openstaan. Het werd mij, toen ik binnenging / of ik door gouden gewelven liep; ik aarzelde even, ik ademde diep: diep van verwondering. Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout doet wat verboden is; ik sprak: zijn voor mij die gewelven gebouwd?
Ben ik zo rijk, dat louter goud / de gang mijner woning is? Toen sprak ik: deze gouden grot / is immers geen mensenpaleis.
Ik sprak: het is een betoverd slot / dat lang op sprookjeswijs / geslapen heeft en stil gewacht / op een, die de poorten ontdekken zou / de dode gewelven wekken zou / van 't huis, dat ieder mensenhuis / te boven gaat in pracht.
Ik sprak: hoe ben ik zo rijk, zo rijk / hoe ben ik zo rijk, mijn God! Welke aardse woning is gelijk aan dit mijn sprookjesslot?
Trots, of ik een prinsesje waar / ging ik door 't goud; aan beide zijden stonden daar / schragend de gangen, hoog en zwaar / de zuilen opgebouwd. Waar gouden de portalen zijn / hoe zullen daar de zalen zijn! Ik zag aan 't einde van mijn pad / een kleine ronde poort / als blauw saffier in goud gevat / en haastig, vol verlangen, trad / ik door de gangen voort. Ik sprak: als bij mijn aankomst wijd / die poorten openstaan / in welke grote heerlijkheid / zal ik dan binnengaan. Indien van goud de gangen zijn / hoe groot moet mijn verlangen zijn / de zalen in te gaan!
Daar moest ik vandaag aan denken. In de kerk, onder de preek. 't Is zonde dat ik het zeg. De zomer - dacht ik - is overrijp. Het najaar kondigt zich aan. De tijd van de oogst is aangebroken. De Grote Baas van boven zendt eerstdaags zijn arbeiders uit, om de vruchten binnen te halen. Wat zijn wij - driedubbelovergehaalde, gedestilleerde en geraffineerde kerk - eigenlijk voor de wereld geweest? Of komt die vraag ongelegen?
1) iepen? - 2) verversen