VERWORDING EN AANPASSING III
1971-10-08
1. Dok's recept en de vrijheid - Jaargang 15
- nummer 26
Men vraagt zich af, hoe een arts zijn bevoegdheid zo ver te buiten kan gaan, dat hij met een wals heendavert over het nog steeds aarzelend geweten van zijn cliënten.
0, zal hij zeggen, ik heb alleen maar geantwoord op gestelde vragen.
Het zij zo.
Maar het antwoord bevat een dóórdrukkend element: het huwelijksgeluk, dat alleen langs de voorgeschreven weg kan worden bereikt.
Het huwelijksgeluk. En, waarde Dok, dat behoort niet meer tot Uw competentie. Het is Uw materialistische levensbeschouwing die Uw horizont zo beperkt. En die er U toe drijft, ook Uw medemens daarbinnen te halen, onder het motief, dat Uw "wetenschap" zich dient te richten tot de mens-in-zijn-totaliteit.
Met het gevolg, dat ook deze zich binnen Uw kooi moet opsluiten, en dat er van zijn totaliteit alleen zijn biotisch substraat overblijft: ook Uw cliënt wordt genoopt van oordeel te zijn, dat zijn huwelijksgeluk uitsluitend door biotische factoren wordt bepaald.
U heeft voor hem uitgezocht, wáár precies in het menselijk lichaam de sexuele genietingen gelocaliseerd zijn. U geeft Uw aanwijzingen, en pretendeert dan: zo en niet anders ontplooit zich het huwelijksgeluk. Die bijbelse opvattingen zijn allang door mijn wetenschap achterhaald.
Hoe komt het toch, dat zo'n witte jas zo overrompelend blijkt te werken. En dat op de individualistische mens van nu, die zijn "vrijheid" als een waakhond beschermt: hij blaft al vóórdat men er naar wijst. Omdat die vrijheid een illusie is.
2. Zin en waanzin
Want wij maken allen en ieder voor zich deel uit van de levende samenhang, die God heeft geweven van Zich uit in heel het kunstwerk, dat Hij tot aanzijn riep. Ieder van ons vervult daarin de zin, zoals Hij hem schiep.
En blijft die zin niet op Hem gericht, dan verliezen we onze vrijheid aan de zin-loze begeerten van ons hart. Zo wordt de zin van onze verlangens in onze jeugdjaren, gericht op het paradijs dat in het huwelijk met onze eigenenige besloten ligt, verraffeld en verhit tot de lust naar genot met ieder, die ons maar iets te bieden heeft. Niet meer het voorzichtig speuren en overwegen met het hart, of God in Zijn goedheid ons onze eigen enige wil geven op ons gebed, maar het doldriest in beslag nemen van de eerste de beste: lukt het hier niet, dan zijn er heus wel meer. Alle hoge eisen van normen en moraal, geweten en naastenliefde, trouwen zelftucht, van geestelijk niveau en gesprek worden hier onbeproefd gelaten en devalueren.
Een plaatje draaien in schemerlicht onder een glas sherry en de band is gelegd. Het is toch maar een proef. Een proefhuwelijk. Het bed beslist. Wie later leeft, dan zorgt.
3. Een" vriendje" ten voeten uit
Dok's recept is berekend op jong leven, jonge begeerte, jonge betovering. Wanneer het nu zich nog niet zo bezint op later.
Wat schemer, wat schemerig denken, wat "muziek", wat Weltschmerz, wat melancholie, wat problematiek ... hèt duister voor de werkplaats van satan.
Maar goed. Na enkele - misschien wel vele - mislukkingen met anderen -, maar daarover niet getreurd - leverde het laatste proefhuwelijk uiteindelijk toch wel zoveel op, - en je moet toch ook eens tot een besluit komen, - dat beiden er tenslotte in hebben bewilligd het te continueren.
Een bruiloft?
Laten we geen dwaasheid beginnen. Een bruiloft is uit de tijd. Een vóórtijdig, om niet te zeggen, voorbarig feest. Dat moet je op z'n vroegst pas na een jaar of vijf houden, herdenkend, dat je al vijf jaar lang geen van beiden de wens hebt uitgesproken om maar weer eens op te stappen.
Is het recept dan toch nog niet waterdicht genoeg om als garantie te dienen? Ze hebben zo hun best gedaan om elkaar te leren kennen. Met heel de "wetenschappelijke" techniek en de stipulatie-winkel van Dok.
En toch: Helemáál zeker zijn ze nog niet: "Zie bovendien maar eens om je heen. Al die echtscheidingen! Een blinde, die daar geen oog voor heeft."
In dit verband lijkt mij een gedicht van Elsschot, "Het huwelijk", van belang.
Willem Elsschot
HET HUWELIJK
Rotterdam 1910
Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d'oogen van zijn vrouw de vonken uit kwam dooven, haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en "vrat zich op van spijt.
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
En mat haar met den blik, maar kon niet meer begeeren, hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.
Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helsche mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen, en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wasschen en rennen door het vuur
en door het water plassen
tot bij een ander lief in eenig ander land.
Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.
Zoo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten, bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.
4. Geeft Dok ook enig houvast aan dit "vriendje"?
Is dit een bruut?
Goed, maar dan een eerlijke.
Tobbend onder precies hetzelfde slavenjuk als wij, zondaren, allemaal.
Dok en zijn cliëntele niet uitgezonderd.
Maar die hebben hun wetenschappelijk apparaat, hun recept tot huwelijksgeluk, hun deskundige techniek!
Het gedicht is van 1910. Het tijdperk dat, sinds Flex zijn licht daarover opstak, onveranderlijk wordt aangeduid als de "tijd van de mannenbroeders". Van de hypocrisie dus.
Die in-hun-hart niet erg gerust waren op de omgang met hun vrouw, en heimelijk aan een "grootsche zonde" dachten, en er zeker liever niet over spraken! En dus aan deze man niets hadden te bieden.
Dit is volkomen vertekend, maar goed dan.
Deze man wordt nog belemmerd door wetten en praktische bezwaren om zijn begeren te stillen bij een nieuw lief.
Heeft Dok ook voor hem, op zijn leeftijd nog een receptje? Graag in dezelfde geest als dat andere. Het zal trouwens wel posthuum zijn, maar misschien is er dan in déze tijd nog deze of gene, die er profijt van kan hebben.
Want deze man heeft precies dezelfde behoefte als de "vriendjes" tot wie Dok zich richt, even geobsedeerd door het biotisch aspect van een, in dit geval, zijn vrouw. Hij is net als zij, alleen wat ouder. De z.g. vrije individualiteit van deze man ligt hier met een prop in de mond, aan handen en voeten gekneveld aan zijn biotisch substraat. Een overwinning waarop de hel trots kan zijn.
Of past het recept nu niet meer?
En komt dan nu de bijbel weer aan bod om de scherven wat de lijmen?
Want je mag toch niet doden, niet waar?
5. Hypocrisie
Dok veegt die bijbelse opvattingen bij elkaar onder het etiket: hypocrisie.
Nu willen wij graag een voorbehoud maken.
Als deze of gene soms de bijbel gebruikt als encyclopaedie en wetboek, in plaats dat hij in de levende samenhang waarvan de bijbel getuigt, zich betrokken weet, en doet alsof, dan is hij inderdaad een hypocriet, Toch vraag ik mij af, of dit zo gemakkelijk te constateren valt. Vooral voor hen, die uitgaan van een andere maatstaf, die hierop niet past. Zij achten zich eerlijk indien zij zich strikt houden aan hetgeen ze zien, voelen, tasten en op grond daarvan "accepteren".
Omdat het geloof-in-Christus zich richt op de onzienlijke dingen, brengt, volgens hun maatstaf, degene, die daarvan uitgaat een element binnen in de werkelijkheid van hier-en-nu, dat geen mens kan controleren en dus niet kán accepteren. Wie het wèl accepteert, pretendeert dus een onderscheid met anderen, dat hij niet waar" kan maken met de argumenten, die die anderen nu eenmaal uitsluitend toespreken. M.a.w. "Gelieve niet met zulke dingen bij ons aan te komen".
En positief: "Laat je een en ander wel gelden, dan ben je een hypocriet". Ga je wel profeteren van Christus' Woord, dat mensen van dit slavenjuk bevrijdt, dat innerlijke krachten werkt door Zijn Geest, Die in de moeilijke spanningen steeds Dezelfde is, en Zijn gelovigen onvoorwaardelijk nabij, dan is dat hypocrisie.
En zo worden Christ-gelovigen, die de structuur van Gods wet voor onze samenleving zoeken te formuleren op gezag van God Zelf, en die daartoe een bedachtzame en voorzichtige, beschermende moraal hebben opgebouwd, onder de voet gelopen. "Omdat niet allen deze moraal kunnen accepteren".
Elk huis een bordeel.
"Komt U binnen, vriendje! Mijn dochter is op haar kamer.
'n Goede kennis zeker? Nee? Nog niet?
Nog wat moeite met de aanpassing? Komt vanzelf, hoor!
Knaapjes hebben we ook.
Ja, wij behoren bij de Medemenselijkheid.
Rookt U ook?"
6. Cultuurvervuiling
Hoe is deze morele revolutie zo snel geeffectueerd?
Hoe komt zo'n tijdschrift terecht op de tafels van Christelijke gezinnen. Waar toch de duidelijke bijbelse moraal bekend is, en, zo het goed is, voorgeleefd wordt.: En het geweten spreekt.
Zou het?
Valt U Dok niet tè hard.
Hij heeft geduchte helpers gehad om juist de weerstand van die consciënties te breken die zich het omzichtigst oriënteerden naar het enig betrouwbare kompas.
Met kennelijk respect noemt hij de naam van zijn helpers: "de theologen-zelf"! In de lelieblanke veronderstelling dat dan nu ook ieder Christen het hoofd zal buigen. Hij zal zeker wel eens gehoord hebben van kerkelijke "strubbelingen" - goed voor renteniers - maar nimmer ook maar enig interesse hebben kunnen opbrengen voor wat daarachter kon steken. Ook niet van belang als je de waarheid elders zoekt te localiseren.
Geen idee ervan, dat ook Christus Zijn Kerk localiseert, en dat Zijn gelovigen het grootste belang hebben bij de vraag: Waar?
Maar U hebt gelijk met Uw respect, Dok!
Uw helpers waren allang voor U bezig, en zij vertegenwoordigen een formidabele macht.
Wie nl. de "heilige" overtuiging is toegedaan, dat zijn "wetenschap" de sleutel biedt tot "de Goddelijke waarheden" (de term is van henzelf) - U ziet, deze pretentie verschilt niet zo heel veel van de Uwe - krijgt achter zijn ruisende toga spoedig een gevolg van hovelingen, die hem opstuwen naar een praeadviseursschap achter de groene tafel van hoogkerkelijke vergaderingen, of hij weet een bureaustoel te bemachtigen in klein-comité plus een stencilmachine, en kan dan een kosmokomplot voor elkaar wroeten.
En zou dit alles nog niet doordringen tot het gewone mensdom, dan weet hij met de minzaamheid, grote mannen eigen, door pastorale activiteiten indruk te maken op simpele zielen. Zijn zelfverzekerd optreden ondersteunt hij zo nodig met enige "teksten", liefst uit moeilijk bereikbare, "hoogst betrouwbare"
autoriteiten.
En zo wordt langzaam maar zeker de wissel omgezet, door magisch gezag. En de gewetens zwichten.
Zou hij dan in zijn geschriften nog hier en daar een ietwat bevreemdende uitspraak doen, dan is een interview een doeltreffend afweermiddel: "Hoe bedoelt U het precies, Professor?" Aller aandacht is gespitst op het antwoord, dat nu zal vloeien van deze hooggeleerde lippen. "Gelukkig", schrijft dan de informant in zijn nieuwsblad, "Professor heeft gezegd dat hij het heus zo kwaad niet bedoelt als sommiger boze brieven hem verwijten!"
Zo sprak Chamberlain ook ongeveer, na zijn bezoek bij Hitler. En een paar dagen laten kwamen de bombardementen en de banvloeken, uit naam van de "Voorzienigheid."