AUGUSTINUS' NUT

1971-10-15
  • Jaargang 15
  • nummer 27
Augustinus, de bekende "kerkvader", is toch wel een zeer merkwaardig man geweest, daarover kunnen we het eens zijn. Zijn vader was een heiden, zijn moeder Monica een christin. Hijzelf heeft jarenlang ver van het christendom gestaan. Zijn wijsbegeerte hield hem tegen, de Bijbel te lezen. Van secte tot intellectualisme en van kwaad tot erger is deze man - door een "stem" - tot het geloof gekomen. Het hapert aan alle kanten, zouden we zeggen. Zijn papieren waren allerminst "clean". Alleen de uitspraak van moeder Monica: een kind van zo veel gebed kan niet verloren gaan, spreekt zuiver aan.
Augustinus was 33 jaar, toen hij door Ambrosius werd gedoopt.

En dezelfde rusteloze zoeker, die slechts de wens had "God en de ziel te kennen", werd een reus in de kerkgeschiedenis toen hij zijn talloze talenten in dienst van het koninkrijk Gods leerde stellen. Hij schreef 250 boeken, waarvan zijn "Belijdenissen" wel het bekendste werk is; en zijn dogmatische studies hebben na 15 ½ eeuw nog alle betekenis.
De zoon van zo veel gebed ging inderdaad niet verloren, maar wordt tot vandaag door katholiek en protestant gezamenlijk als "kerkvader" erkend. Inclusief alle vergissingen die mensen eigen zijn - en harde werkers maken soms veel vergissingen - is hij van onschatbare waarde geweest voor het huidig theologisch denken.

Die harde werker bleek Augustinus onder meer te zijn door zijn fabelachtig oeuvre. In de 43 jaar na zijn bekering moeten dat zo'n 5 tot 6 boeken per jaar zijn geweest. Het is onbegrijpelijk, dat een mens zulk een vruchtbaar schrijver mag zijn. In de roomskatholieke kerk wordt Augustinus uitgebeeld als een prelaat, die met zijn hart in de hand loopt. Dat hart is zijn "attribuut", zijn bef , leidend herkenningsteken. Meer nog: uit zijn hart slaan vlammen. Augustinus' hart heeft gebrand van liefde tot God en de medeziel.
Hij verteerde zich in de dienst des Heeren.
Van hem moet de latijnse spreuk afkomstig zijn, die later door Johannes Calvijn werd overgenomen: terar dum pro sim - ik moge verteren als ik maar nuttig ben. Op de afbeeldingen heeft Augustinus een vriendelijk, ernstig gezicht, een tweepuntige baard; hij draagt een mijter en een bisschoppelijke kromstaf met een kruis in de ronding. In zijn rechterhand houdt hij zijn brandende hart: hij verteerde zich, als hij zich maar nuttig mocht maken.

Over dat nut. Sommige mensen taxeren elk ding en elke gedachte op zijn nuttigheid.
Voor hen geldt de harde spreuk: het is onze plicht nuttig te zijn, niet zoals wij willen doch zoals wij kunnen. Daar tegenover staan artisten, die de nuttigheid bij voorbaat waardeloos achten. Zij denken aan de uitspraak van wijlen dr E. Laurillard: "Hij, die vraagt bij alles wat hij doet: wat zal ik er aan hebben? vraagt aan het eind van zijn leven: wat had ik eraan?". Aristoteles hoonde die vraag naar nuttigheid en achtte haar ongepast voor vrij denkende mensen. En Napoleon zei sceptisch: "het nuttigheids-beginsel tot voorwendsel nemend kan men gaan waarheen men wil". Terwijl tenslotte Horatius het compromis vond door het nuttige met het aangename te verenigen.

Dat zijn met elkaar nog al wat tegenstrijdige opvattingen over eenzelfde zaak waarvoor Augustinus bereid was zich te verteren.
Bij een tafelspeech, die mijn Vader eens ter gelegenheid van een huiselijk feestje uitsprak, kwam hij zelfs met onvermoede en ongedachte vertalingen van het latijnse terar dum prosim. U weet natuurlijk dat latijn nog al elastisch, soepel en plooibaar is? Men schijnt een latijnse zin met een wellis er in en ook met een nietes erin te kunnen vertalen.
Daar komt het misschien wel vandaan dat latijn zo'n moeilijke taal is.

Nu, zo wist mijn Vader aan tafel het terar dum prosim" onder meer te vertalen met "ik mag nog liever verteren dan nuttig te zijn". Hij schrok er zelf van, want dronk niet anders dan vers druivensap. Maar nooit zal ik deze sluitrede van zijn speech vergeten:

" ... als je bereid bent onder te gaan teneinde je nuttig te maken, moet je doel en bijkomstigheid wèl onderscheiden. Het doel is niet onder te gaan maar nuttig te zijn. Dat nuttig zijn is geen bijkomstigheid maar doel.
Welnu - door onder te gaan ben je niet langer nuttig en mis je je doel. Wil je je doel echter bereiken, dan moet je zo met je krachten omspringen dat je er niet bij ondergaat.
Hoe langer je de ondergang uitstelt des te nuttiger kun je je maken. Eigenlijk is dus de beste vertaling van "terar dum prosim" deze: nón ter ar dum prosim - ik hoef er niet aan onder te gaan als ik me nuttig maak." Op dat punt stikte hij in zijn syllogisme en wij stikten in de lach.

Maar alle vrolijkheid neemt niet weg dat de zinspreuk "ik moge verteren als ik maar nuttig ben" een diepe inhoud heeft. Want nut is wel degelijk een woord uit de Bijbel.
Het komt in de statenvertaling bijna 50 maal voor. De Heere zei door Jesaja (48: 17): "Ik ben de Heere uw God, die u leert wat nut is" (NV: die u leert, opdat het u welga.) In het evangelie van Johannes zei de Heiland: "het is u nut dat Ik wegga" (NV: beter voor u) en Kajafas zei de zware woorden: "het is nuttig, dat één sterft ten behoeve van het volk"
(18 : 14). Aan Timotheus schreef Paulus: "elk van God ingegeven schriftwoord is nuttig om te onderrichten" (1I, 3 : 16) en aan Titus: dat goede werken schoon en nuttig zijn (3 : 8).

Genoeg om vast te stellen dat de Schrift het nut van onze arbeid waardeert. Als iemand van ons dan ook Augustinus' voorbeeld wil volgen en bereid is er bij onder te gaan als hij maar nuttig mag zijn - dan begeert hij een voortreffelijke zaak. Want is deze instelling eigenlijk niet vastgelegd in zondag 21 van de catechismus: dat de gemeenschap der heiligen impliceert, dat we ons voor elkander nuttig maken, gewilliglijk en met vreugde?

Zo is dat. Augustinus heeft het gedaan, lang voor de catechismus werd opgesteld.
Vijf tot zes boeken per jaar - om van brieven, preken, gesprekken, bezoeken en reizen maar te zwijgen. Hij heeft zich verteerd. En hij is er oud bij geworden: zes en zeventig jaar!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief