EEN DROOM VAN C. S. LEWIS (IV)

1971-10-15
  • Jaargang 15
  • nummer 27
Cultuurvervuiling werd hier uiteraard slechts aangeduid vanuit een bepaalde gezichtshoek.
Zij is een penetrerende realiteit van afval, drek en stank. "Voortvretend als de kanker". De bacillendragers zijn zich het verschrikkelijke karakter ervan nauwelijks bewust. Ze menen iets te bezitten, dat hun het leven veraangenaamt, en dat ze hoogstens dienen te rantsoeneren voor zichzelf.

Een in dit verband uiterst treffende verbeelding komt voor in "De grote scheiding" onder het motto: "Neen, er is geen ontkomen aan. Een hemel met 'n klein stukje hel erin bestaat niet. Het is onmogelijk om ook maar iets, dat bij de duivel hoort, in ons hart of in onze binnenzak achter te houden. Satan moet er uit, met huid en haar." (George MacdonaId).
Van C. S. Lewis. (1898-1963). Ik weet niet, ofu zich deze naam nog herinnert, en het formidabele succes van zijn Brieven uit de hel" (1942): het verhaal van "een verzoeking en bekering vanuit het gezichtspunt van twee duivelsbeambten.

Voor dit verhaal lijkt het mij niet noodzakelijk curieuselijk te onderzoeken, of deze droom voor Lewis meer is dan een literaire vorm. Je kunt in een droom allerlei doen zien, dat je niet waar kunt maken. Het feit dat hij een droom creëert die speelt na-de-dood, geeft hem de gelegenheid de definitieve beslissing voor Oost (de hemel) of West (de hel) èn haar effect in één moment te laten nemen, waarbij een engel spreekt ter verlossing, en de satan via de menselijke verkleefdheid-aan-zijn-lust dit woord zoekt te verijdelen.
Opvallend is, dat de beslissing uitdrukkelijk aan de mens wordt gelaten.

"Ik zag een schim op ons toekomen die iets op de schouder droeg. Evenals"' alle schimmen had ook deze geen substantie, zij verschilden van elkaar gelijk rook verschilt.
Sommigen waren witachtig; deze was donker en oliekleurig. Op zijn schouder zat een kleine rode hagedis, die zijn staart kronkelde als een zweep en allerlei in zijn oor fluisterde.
Toen we hem in het oog kregen, wendde hij zijn hoofd naar het reptiel met een ongeduldige snauw: "Hou je mond, zeg ik je!" Het dier zwiepte met zijn staart en bleef tegen hem fluisteren. In plaats van weer te snauwen, begon hij nu te lachen. Daarna keerde hij zich om en strompelde weg in westelijke richting, van de bergen af.

"Zo gauw al weer weg?" vroeg een stem.
De spreker had een min of meer menselijke gedaante maar hij was groter dan een mens en zo blinkend, dat het mij moeite kostte hem aan te zien. Zijn tegenwoordigheid sloeg op mijn ogen en ook mijn lichaam - want er ging hitte van hem uit zowel als licht - gelijk de morgenzon bij het begin van een gloeiend hete zomerdag.
"Ja. Ik ga weg," zei de Schim. "Dank voor al uw gastvrijheid. Maar het heeft geen nut, ziet u. Ik heb tegen dit baasje gezegd - hier wees hij op de hagedis - dat hij zich koest moest houden als hij mee wou komen· maar hij wilde beslist. Natuurlijk passen zijn praatjes hier niet, dat zie ik wel in. Maar hij wil z'n mond niet houden. Ik zal weer naar huis terug moeten."
"Wilt u graag dat ik hem het zwijgen opleg?"
vroeg de vlammende Geest - een engel, zoals ik nu begreep.
"Natuurlijk wil ik dat", zei de Schim.
"Dan zal ik hem doden", zei de Engel, een stap nader komend.
,,0, 0, - pas op! U verbrandt me. Blijf weg," zei de Schim, terwijl hij achteruit week.
"Moet hij dan niet dood?"
"U zei eerst helemaal niet dat u hem wou doodmaken. Het was ook eigenlijk mijn bedoeling niet u met zo iets ingrijpends lastig te vallen."
"Het is de enige manier", zei de Engel, wiens vlammende handen nu heel dicht bij de hagedis waren. "Zal ik hem doden?"
"Ja, dat is een andere vraag. Ik wil er graag over denken; maar het is een nieuw gezichtspunt, nietwaar? Ik bedoel: voor 't ogenblik dacht ik er alleen maar aan hem tot zwijgen te brengen, omdat hij hier: .. nu ja, zo vervloekt lastig is."
"Mag ik hem doden?"
"Wel, we hebben tijd genoeg om daar later over te praten."
"We hebben geen tijd. Mag ik hem doden?"
"Neem me niet kwalijk, het was mijn bedoeling niet, u zo'n overlast aan te doen.
Heus, doet u geen moeite. Kijk! Hij is vanzelf in slaap gevallen. Ik geloof zeker, dat de zaak nu wel in orde is. Ik dank u intussen wel".
"Mag ik hem doden?"
"Op mijn woord, ik geloof dat dat helemaal niet nodig is. Ik ben er zeker van dat ik hem nu wel in bedwang kan houden. Ik geloof, dat een geleidelijke methode veel beter is dan hem dood te maken."
"Een geleidelijke methode dient nergens toe".
“Denkt u van niet? Nou, ik zal over hetgeen u gezegd hebt, ernstig nadenken. Dat beloof ik. Feitelijk moest ik het u nu laten doen, maar eigenlijk voel ik me vandaag niet zo lekker. Het zou te dwaas zijn om het nu te doel!: Voor die operatie moet ik goed gezond zijn. Op een andere dag misschien."
"Er is geen andere dag. Alle dagen liggen besloten in dit ogenblik".
"Ga toch achteruit! U brandt me. Hoe kan ik u vragen, hem te doden? Als u het deed zou u mij doden". "Dat zou ik niet".
"Wel, u doet me nu al pijn".
"Ik heb helemaal niet gezegd dat het u geen pijn zou doen. Ik heb gezegd, dat het u niet zou doden".
,,0, ik begrijp het. U denkt, dat ik kleinzerig ben. Maar dat is het niet. Luister eens!
Laat me teruggaan met de bus van vanavond, om mijn eigen dokter te vragen wat hij ervan denkt. Ik kom dan terug op het eerste geschikte ogenblik".
"Dit ogenblik omvat alle ogenblikken".
"Waarom martelt u me toch zo? U drijft de spot met mij. Hoe kan ik toelaten, dat u me in stukken scheurt? Als u me wilt helpen, waarom heeft u dat vervloekte mormel dan niet gedood zonder mij te vragen. .. eer ik het wist? Dan was nu alles al voorbij".
"Ik kan hem niet doden tegen uw wil, Dat is onmogelijk. Heb ik uw toestemming?"
De handen van de Engel hadden de hagedis al bijna omsloten, maar nog niet geheel. Nu begon de hagedis zo luid tegen de Schim te spreken dat ik zelfs kon horen wat er gezegd werd.
"Pas op", zei hij, "hij kan doen wat hij zegt. Hij kan me doodmaken. Eén noodlottig woord van je en hij doet het. Dan zul je mij voor eeuwig moeten missen. Het is tegen de natuur. Hoe zou je verder kunnen leven? Je zoudt alleen een soort schim zijn, geen werkelijk mens zoals nu. Hij begrijpt dat niet.
Hij is maar een koud, bloedeloos, abstract ding. Het mag een natuurlijke zaak voor hèm zijn, maar voor ons is het dat niet. Ja, ja. Ik weet, dat er voor 't ogenblik geen echte genoegens zijn, alleen maar dromen. Maar is dat niet beter dan helemaal niets? En ik zal heel braaf zijn, Ik geef toe, dat ik vroeger soms te ver ben gegaan; maar ik beloof dat het niet weer zal gebeuren. Ik zal je alleen maar heerlijke dromen geven ... zoet en verkwikkend en haast onschuldig. Je zoudt kunnen zeggen: volkomen onschuldig"
...
"Heb ik uw toestemming?" vroeg de engel aan de Schim.
"Ik weet dat het mijn dood zal zijn".
"Dat zal het niet. Maar stel, dat het wel zo is".
"U hebt gelijk. Beter dood dan verder te leven met dit creatuur".
"Dus ik mag het doen?"
"Vervloekt nog aan toe! Ga dan je gang maar! Toe dan maar. Doe, waar je zin in hebt", schreeuwde de Schim, maar eindigde jammerend: "God zij mij genadig".
Het volgende ogenblik gaf de Schim een schreeuw van doodsangst zoals ik op Aarde nooit gehoord had. De Vlammende Engel sloot het reptiel in zijn roodgloeiende greep en draaide het de nek om, terwijl het beest zich kronkelde en wierp het toen met gebroken rug in het gras.
,,0, o! Nu is 't met me gedaan", hijgde de Schim, terwijl hij achteruit wankelde.
Ik kon voor 'n ogenblik niets bepaalds onderscheiden.
Daarop zag ik, tussen mij en het dichtstbijzijnde struikgewas, onmiskenbaar werkelijk en al werkelijker wordend, de bovenarm en de schouder van een mens.
Vervolgens al duidelijker en sterker, de benen en de handen. De hals en het gulden hoofd kregen gestalte terwijl ik toekeek, en als mijn aandacht niet even verslapt was, zou ik het volledig tot stand komen van een mens aanschouwd hebben... een reus van een man, naakt en niet veel kleiner dan de Engel. Wat mij afleidde was, dat er op hetzelfde moment iets scheen te gebeuren met de hagedis. Eerst dacht ik dat de operatie mislukt was. In plaats van dood te gaan, bleef het beest spartelen en al spartelend werd het groter. Tegelijk veranderde het van gedaante. Zijn achterste delen werden ronder.
Zijn kronkelende staart ging over in een paardeharen staart, die heen en weer zwiepte tussen machtige, glanzende billen.
Plotseling deinsde ik terug en wreef mij de ogen uit. Voor mij stond de grootste hengst die ik ooit gezien had, zilverwit, doch met manen en staart van goud. Hij was glad en glanzend, met vleesrondingen en spierbundels; hij hinnikte en stampte met zijn hoeven.
En telkens als hij stampte, schokte de grond en ruisten de bomen.
De nieuw geboren mens draaide zich om en klopte het nieuwe paard op de hals. Het besnoof diens blinkend lichaam. Het paard en zijn meester bliezen in elkanders neusgaten.
De man wendde zich weer af en wierp zich aan de voeten van de Vlammende Engel en omarmde ze. Toen hij opstond, meende ik dat er tranen op Zijn gezicht blonken, maar het kan ook (in dat land is het niet te onderscheiden) de liefde en de blijdschap zijn geweest, die van zijn gelaat stroomden. Lang kon ik daar niet over nadenken. Met blijde haast sprong de jonge man op de rug van het paard. Zich omkerend wuifde hij ten afscheid, waarop hij de hengst met zijn hielen aanzette. Zij waren er vandoor eer ik goed besefte wat er gebeurde. Dat was nog eens rijden! Ik kwam zo vlug als ik kon uit het struikgewas te voorschijn om hem met mijn ogen te volgen; maar, als een verschietende ster waren ze al ver weg over de vlakte en spoedig tussen de uitlopers der bergen.
Daarna zag ik ze nog altijd als een ster opstijgen langs ogenschijnlijk onbegaanbare steilten, steeds sneller, tot nabij de schemerende kim van het landschap; zo hoog, dat ik mijn hals moest rekken om ze te zien, totdat ze als een blinkend licht verdwenen in de rose glans van die eeuwige morgen."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief