JAN P. SWEELINCK - NU NOG?
1971-10-15
16 oktober 1621: in de avonduren overlijdt op 59-jarige leeftijd de organist van de Oude Kerk in Amsterdam, Jan Pieterszoon, zich noemende Sweelinck (zijnde de familienaam van zijn moeder).- Jaargang 15
- nummer 27
Dat is nu dus 350 jaar geleden. Zo dat al geen aanleiding tot een herdenking is, het is er in ieder geval een excuus voor. De vraag is alleen, of we met die herdenkerij wel veel verder komen en vervolgens, of er wel reden is om in een "weekblad tot opbouw van het gereformeerde leven" aandacht aan Sweelinck te schenken. Wat had en, nog belangrijker, wat heeft deze man met het gereformeerde leven en deszelfs ontwikkeling te maken?
Jan Pieterszoon moet omstreeks de maand mei van het jaar 1562 zijn geboren, volgens ds Jacobus Revius in Deventer. De familie woont in ieder geval van 1566 af in Amsterdam, want dan wordt daar Jans broer Gerrit gedoopt. Hun vader, Peter Swybertszoon, is organist van de Oude Kerk; hij overlijdt in 1573.
Van hem zal Jan de eerste muzieklessen hebben gehad, misschien ook nog van zijn opvolger Cornelis Boscoop, die echter een half jaar later eveneens sterft. De jaren daarna heeft hij zich in Haarlem in de muziek bekwaamd onder leiding van Jan Willemsz, Lossy. Dat zullen in de eerste plaats klavecimbel-/orgellessen geweest zijn.
Misschien heeft hij daar ook een blaasinstrument leren bespelen (daar was Lossy zelf goed in: hij wordt later bekend als stads-"schalmeyspeelder"), maar dat weten we niet. Uit het feit, dat sedert kort ook enkele luitcomposities van Sweelinck bekend zijn mogen we opmaken, dat hij minstens een passieve en theoretische bekendheid met de bespelingstechniek van dat instrument heeft bezeten. Er zijn zelfs geruchten, dat hij eens een luitleerboek heeft samengesteld!
In 1577 wordt Jan Pieterszoon organist, wellicht meteen al van de Oude Kerk, waar in dat jaar de orgelbank vacant wordt. Zeker is hij van 1581 af aan deze voor hem zo vertrouwde kerk verbonden geweest.
Voor zijn niet-muzikale ontwikkeling heeft de Oude Kerkpastoor Jacob Buyck gezorgd.
Of daarbij nog anderen betrokken zijn geweest, is niet bekend. Wel mogen we aannemen, dat de jonge Jan Pieterszoon in allerlei zaken zeer grondig is onderwezen. Uit verschillende aanwijzingen blijkt dat hij, op z'n minst passief, behoorlijk Frans, Italiaans en Latijn heeft gekend. Dat moet hij dan allemaal haast vóór zijn 16e jaar hebben geleerd, want wanneer hij zelf een betrekking als organist heeft gekregen, blijft er voor andere studie niet veel tijd meer. Na de Z.g. alteratie van 1578, wanneer de Roomse magistratuur wordt afgezet (en ook pastoor Buyck de stad verlaat), wordt zijn taak nog omvangrijker dan zij voor hem als Rooms eredienstorganist was geweest. In de voortaan in de Oude Kerk gehouden gereformeerde kerkdiensten heeft het orgel geen taak meer, maar evenals in andere steden heeft de organist (een stedelijke functionaris!) de opdracht om op gezette tijden in het openbaar het orgel te bespelen ter verstrooiing van het publiek. We weten in het geval van Sweelinck niet, hoe vaak dat moest, maar uit de taakomschrijving van collega's in andere steden blijkt, dat eens per dag een uur lang (meestal van 5 tot 6) wel het minimum.
was. Vaak moest het ook nog 's morgens van 11 tot 12 (in dat geval meestal alleen in het winterhalfjaar) en 's zondags voor en/of na de dienst(en). Nogmaals: hoe omvangrijk Sweelincks organistenbetrekking was is onbekend, maar een sinecure was het beslist niet. En dan hebben we nog buiten beschouwing gelaten incidentele gevallen, zoals het bespelen van het klavecimbel bij officiële ontvangsten ten stadhuize e.d. Het was ongetwijfeld een zeer talentvol jochie, dat zo'n taak aankon!
Bernard van den Sigtenhorst Meyer, de eerste die op een zeer hoog wetenschappelijk peil over Sweelinck weet te schrijven, wijst er terecht op "hoe groot het repertoire wel moest zijn om zo dikwijls te spelen zonder te veel in hetzelfde te vervallen". Waarschijnlijk zal men zich vaak hebben beholpen met het spelen van volksliederen en andere melodieën, zoals de beiaardiers dat tegenwoordig nog doen. Organisten met een groot improvisatie-vermogen, zoals b.v. onze Sweelinck, kunnen het publiek op een wat hoger niveau onderhouden. Een gecomponeerd repertoire van echte orgelwerken bestond niet: Sweelinck is in feite de eerste geweest, die een zelfstandig-instrumentale, streng-polyfone muziek weet te scheppen.
Wat uit het bovenstaande blijkt en maar al te vaak (en graag!) vergeten wordt is, dat Sweelinck volledig Rooms is opgevoed. Van zijn persoonlijke geloofsovertuiging weten we hoegenaamd niets af, maar het is hoogst onwaarschijnlijk, dat deze opvoeding geen blijvend stempel op zijn persoonlijkheid en gedachtenwereld heeft gedrukt.
Een extremist, zoals bij echte en surrogaatreformaties (aan beide zijden!) maar al te vaak worden aangetroffen, is Sweelinck echter in geen geval geweest. Dat bewijzen zijn toonzetting van alle 150 psalmen op basis van de Geneefse berijming en melodieën, alsmede zijn uitgebreide kennissenkring onder de gereformeerden (wat merkwaardig, wanneer hij fel-rooms geweest en gebleven zou zijn). Dat bewijzen eveneens zijn vriendschap met Rooms-Katholieken, zoals de dichter Cornelis Plemp, en zijn Cantiones Sacrae uit 1619, zangstukken op Latijns-liturgische teksten (wat merkwaardig, wanneer hij fel-gereformeerd geworden zou zijn).
Over Sweelincks betekenis als musicus is intussen alleen nog maar gezegd, dat hij de eerste is, die zelfstandig-instrumentale, streng-polyfone muziek componeert. Daarom is hij een van de meest originele figuren uit de muziekgeschiedenis.
Dat is echter niet het enige. Sweelinck belichaamt een orgelacademie van internationale allure door de vele, vooral Duitse, organisten die bij hem komen studeren. Onder hen is Heinrich Scheidemann, de vrome jonkman "Henderick Scheijtman, van Hamborgh", zoals Sweelinck zelf schrijft. Deze wordt later organist van de Katrijnekerk in zijn vaderstad en als hij in 1663 sterft, volgt zijn leerling Jan Adams Reinken (die voordien o.m. een paar jaar organist in Deventer is geweest) hem op. Deze Reinken is het, die een (nog bestaand) afschrift maakt van Sweelincks compositie-régels. En wanneer de jonge Johann Sebastian Bach van zijn 15e tot zijn 17e jaar in Lüneburg studeert maakt hij meer dan eens uitstapjes naar Hamburg om van het magistrale spel van de oude Reinken te genieten, die dan al bijna 80 jaar is. Twintig jaar later hebben ze elkaar nog eens ontmoet, maar dan zijn de rollen omgekeerd: dan toont de 97-jarige Reinken zich diep onder de indruk van het ongelofelijke improvisatietalent van Bach.
Er loopt een ononderbroken lijn van Jan P. Sweelinck naar de grootste componist, zoals er merkwaardigerwijs ook een ononderbroken lijn loopt van Jans vier jaar jongere broer Gerrit naar de grootste schilder: hij onderwees Pieter Lastman, die weer de leermeester van Rembrandt is geweest.
We hebben nu de betekenis van Sweelinck in het geheel van de muziekgeschiedenis met enkele, zij het zeer ruwe, lijnen op papier gezet. Maar wat nu? Er moet, hoe dan ook, nog een antwoord komen op de vraag, die in het begin van dit artikel werd gesteld: wat heeft Sweelinck met de ontwikkeling van het gereformeerde leven te maken? Heeft hij daarmee wel wat te maken? Heeft hij eigenlijk wel met onze ontwikkeling-in-algemene-zin te maken? Of moeten we hem en zijn muziek maar bijzetten in een mausoleum van (uiteraard) Schone Kunsten?
Zo lang bouwwerken en schilderijen uit de Middeleeuwen, die in tijd gemeten nóg verder weg zijn, niet tevergeefs een beroep op ons gevoel voor schoonheid doen, zo lang zal ook de muziek van Sweelinck geen monument met alleen maar historische waarde behoeven te zijn. Het probleem ligt in feite ergens anders, nl. in het psychologische vlak.
Zo lang de moderne mens meer visueel dan auditief is ingesteld, zal de muziek altijd een lager waarderingscijfer halen dan d.m.v. het oog genietbare kunsten. Het is dan de taak van de muzikant om een wat evenwichtiger verhouding te bewerkstelligen.
In het geval-Sweelinck ligt hier naar mijn mening een uiterst belangrijke taak voor onze kerkmusici, vooral de organisten onder hen. De muziek van Sweelinck is al veel te lang verwaarloosd, vaak uit een soort geestelijke luiheid. Maar vormt de fijnzinnige en reine orgelmuziek van Sweelinck, ofschoon niet daarvoor geschreven, eigenlijk geen veel passender omlijsting en opluistering van onze calvinistische erediensten dan veel, dat thans geboden wordt, van de grauwe lompheid van een Max Reger tot de onbenulligheden van een Simon Landsman?
Als slot van deze beschouwing zou ik (we zijn uiteindelijk aan het herdenken) willen kiezen het (nooit als zodanig gebruikte) grafschrift, dat de prins onzer dichters "op meester Joan Pietersen Swelingh" vervaardigde:
"Dit 's Swelinghs sterflijck deel, ten troost ons nagebleven,
't Onsterflyok hout de maet bij Godt in 't eeuwigh leven, Daer streckt hij, meer dan hier kon vatten ons gehoor, Een goddelijcke galm in aller Englen oor."