DE KIP URSULA

1971-10-22
  • Jaargang 15
  • nummer 28
Dit is de geschiedenis van de kip Ursula.
Zij kwam ter wereld door het medium van het ei, dat gelegd was door een kip, die ter wereld gekomen was door middel van een ei, dat gelegd was door een kip, die ter wereld ... maar dat weet u al. Toen Ursula, rechtop staande, probeerde dit wonder van de eindeloosheid te vatten, stond haar verstand eerbiedig stil. Sedertdien is het stil blijven staan. Ze kwam er niet uit. De vraag zat haar hoog: wie was er het eerst, de kip of het ei? In die vraag bleef ze steken.

De kip Ursula had als kuiken met haar moeder, haar zusjes en broertjes in een hertenkampje gewoond. Dat wil zeggen: 's avonds vlogen alle krielen in de Grote Spar, boven de damherten. Daar sliepen ze op de derde dwarstak links. Stijf naast elkaar, nadat ze de juiste volgorde hadden gevonden - hetgeen elke avond veel moeite gaf. Overdag gingen ze de omheining over, scharrelden in de tuin, haalden de bodemkorst open, scharrelden bij de buren, deden ook daar hun nuttig werk, kwamen vliegend, fladderend en rennend naar huis, wanneer daar onder begeleiding van primitieve klanken het gebroken mais werd gestrooid en dronken daarna plechtig buigend aan de cementen vogeldrinkbak tot hun kroppen te barsten stonden. Daarna gingen ze hun dutje doen, teneinde nieuwe krachten te verzamelen voor de rest van hun dagtaak. Zo ongeveer ziet een kippenleven er uit, en dat leven is een goed leven.

Langzamerhand was het gezin, waarvan de kip Ursula deel uitmaakte, gaan bestaan uit de Haan met zijn drie vrouwen: de kip Ursula, de kip Koosje en de kip Marietje.
De Haan beminde zijn harem vurig en mocht op goede gronden wederliefde verwachten.
De planning van dit gezelschap kwam van hogerhand: Babs de tekkel had een kuiken gedood en de baas had een paar haantjes geschoten. De Haan vond die planning wijs en goed. Voor hem mochten alle hanen worden doodgeschoten. Hijzelf leefde als een muzelman. U weet dat een mohammedaan, mits hij het financieren kan, ten hoogste vier vrouwen mag aanhouden? Hij heeft er gewoonlijk slechts drie. Plus een vacature, welke met zorg wordt gekoesterd voor het geval hij eenmaal tegen de Grote Liefde zou aanlopen. Welnu, zo leefde de Haan met de kip Ursula en haar beide zusters, die hij onder zijn straffe bewind hield. Een goede haan, zo luidde zijn filosofie, behoort polygaam te zijn - en verder geen fratsen.

Dat zou goed gegaan zijn, als de mens niet opnieuw had ingegrepen. Maar op een goede dag in Mei gingen Koosje en Marietje aan de leg zogezegd. De baas en de vrouw raapten de eieren: wel wel, wat een vreugde! Er werden twee maal acht eieren geraapt, die alle zestien kostelijk smaakten: heel wat pittiger dan van vastzittende kippen. Toen stopten Koosje en Marietje. Ze hadden haar legje gelegd, kregen geen kans om te broeden en gingen lichtelijk mistroostig over tot de orde van de dag.

Daarop bezon de kip Ursula te leggen. Die was listig: die had vooraf een onbekend plekje opgezocht. Ze legde eveneens acht eieren, die niet door de baas en de vrouw konden worden geraapt. En de kip Ursula zat haar weekjes uit - totdat er acht gave krielkuikens uit haar eieren kwamen. Alle kippen, wat een moederweelde! Het duurde enkele weken voor ze met haar achttal voor de dag durfde komen - maar eenmaal kon ze de verleidelijke klanken niet weerstaan, die het maal van gebroken mais aankondigden.
De hond Babs beet er een dood, de hond Nora beet er een dood. Toen was de tol betaald en de vrede getekend.

Maar toen begon voor de kip Ursula het moeilijkste deel van haar kippenleven. De Haan kende haar nauwelijks terug. Die keek argwanend naar haar grut, stelde insinuerende vragen en verjoeg de kip Ursula van de voerplaats. Hij verjoeg haar daarmee uit zijn harem, onthield haar de eer van een gehuwde kip en ontzegde haar mede zijn mannelijke bescherming. De kip Ursula stond zogezegd op straat met haar kroost. Ze moest heel alleen de honden in de gaten houden, moest voor de vos oppassen - die onlangs nog de Haan zijn staart had uitgetrokken! - mocht niet meer op de derde zijtak links in de Grote Spar zitten roesten, maar moest met de tweede zijtak genoegen nemen. De vragen vermenigvuldigden zich voor de kip Ursula.

Ze sprak erover met haar zusters Koosje en Marietje. Ze vroeg: waarom kijkt de Haan niet meer naar me om? Scheelt er wat aan me? - Nu waren de zussen ook niet meer zoals ze geweest waren; die hielden haar overal buiten. En weet u: kippen kunnen onder elkander ontzaglijk naar doen!

Marietje bijvoorbeeld zei scherp: jij met je malle gezinsplanning! - Koosje vroeg: welke nette kip komt vandaag de dag nog met acht kuikens aanzetten? - Zes, zei Ursula zacht. - Goed, zes kuikens, verbeterde Koosje; wel eens van overbevolking gehoord?
- Nu ja, verdedigde de kip Ursula zich, 't is puur natuur ... en 't zijn toch. de kuikens van de Haan zelf, nietwaar? - Zo?
vroegen de zusjes gelijktijdig. - Daar steekt toch geen vraag in? meende Ursula timide.
- Voor jou misschien niet, antwoordde Koosje. - Voor de Haan misschien wel, repliceerde Marietje. - Je bent wel lang op stap geweest, vind je niet? vroeg Koosje honingzoet. - En neem het een Haan niet kwalijk als hij daar het zijne van denkt, besloot Marietje.

Daar stond de kip Ursula. Voorlopig had ze geen tijd om diep over deze vragen na te denken: haar zes kinderen eisten werkelijk alle aandacht op. Omdat ze pas op de voerplaats kon verschijnen als de anderen verzadigd waren, moest ze voor haar kinderen steeds nieuwe gronden zoeken, waar nog genoeg larven, kevers en mieren te vinden waren. Ze had het er druk mee. Hoe sterker en groter haar kinderen werden, des te meer sloofde ze zich uit om ze te voeden en te beveiligen. Dán cirkelde een havik rond, dan sloop die valse driekleurkat van de buren door de struiken, het gevaar van de vos was altijddurend aanwezig en haar kinderen waren zo dom als - nu ja, als kuikens. Zelf
kwam ze vrijwel niet aan eten toe. Als ze 's avonds haar tuig op de tweede zijtak links had gestald kon ze geen mais meer zeggen.
En dan knaagde haar maag. Dan knaagden de vragen, die wakker zittende kippen plegen te plagen. Dan stormden de zorgen om de toekomst op haar af. Dan kreeg ze angstvisioenen: de Haan en de honden en de valse lapjeskat van de buren en de havik kwamen op haar af. Ze klokte dan gauw haar zestal om zich heen, zette haar borstveren op, spreidde haar vleugels over hen uit - en viel dan van de tweede tak links op de grond. Jawel, en dat niet een- of tweemaal.
Het werd een gewoonte. Een slechte gewoonte.

Totdat ze niet meer op de tweede tak links van de Grote Spar mocht zitten. Zowel de Haan als haar zussen konden niet tegen haar nachtmerries. Haar zes kinderen trouwens vonden ook, dat Ursula zich mal aanstelde.
Ze mocht dan hun eigen moeder zijn, maar ze werd knap lastig. Zo eenzelvig, zo bedillerig, zo nerveus, zo ouderwets! De kip Ursula begreep haar kinderen niet, terwille waarvan ze zich verteerde. En de kinderen begrepen hun moeder niet, die steeds meer irriteerde.

Ursula begon nog eens een gesprek met haar zussen. Maar die gaven niet thuis. - Let maar op jezelf in plaats van op je kinderen, zei Koosje. - Wel eens van een dzjennereesjen gep gehoord? vroeg Marietje. - Zou ik niet eens met de Haan kunnen praten? vroeg Ursula. - Die staat niet voor jouw problemen open, dacht Koosje. - Geen seks, geen liefde, verklaarde Marietje. - Jawel, kippen kunnen toch zo menselijk zijn.

Zo werd de kip Ursula eenzamer en eenzamer.
Haar kinderen snauwden haar af en wensten op eigen benen te staan. De toekomst was van hen en Ursula had haar tijd gehad. De Haan keek een andere kant uit äls hij haar ontwaardde. De zusters proestten achter haar vleugels en zeiden schuine bakken over het verleden van Ursula.

Toen de kip Ursula op het punt stond medelijden met zichzelf te krijgen, kwam de stekende pijn door haar mager kippenlijf vlammen. Het kon het hart zijn, misschien ook de lever. Ze was al broodmager, de eetlust verging haar nu ook nog en ze had niets bij te zetten. Vaak zat ze ineengedoken onder een afdak, of tegen een boom, of ook maar midden op de weg. Ze rilde van koorts en maakte malle geluidjes. De baas en de vrouw zagen het. - Die lijdt aan eenzaamheid, zei de een. - Zou je haar maar niet doodschieten?
vroeg de ander. - Daar bleef het bij, hoewel niet lang.

De kip Ursula ging snel achteruit. De koorts verteerde haar laatste weerstanden.
Ursula viel steeds in slaap. Dan kwamen er visioenen. Nu eens meende ze dat ze op de warme eieren zat, waar beweging in kwam van kloppende, pikkende, piepende krielkuikens.
Dan klokte ze van welbehagen om langverwachte of langvergeten geluidjes.
Dan weer meende ze dat ze door de Haan werd verjaagd en ze fladderend over de afscheidingen ging om haar kuikens bij elkaar te zoeken. En als ze de ogen opende knipperde ze ongelovig tegen het daglicht,· dat al haar visioenen overspoelde.

Zo had Ursula op een middag zitten dromen bij de vogeldrinkbak in het gazon. Toen het donker werd schuifelde ze naar de ruif van de herten. Ze probeerde er op te fladderen om in het hooi een warm plaatsje te vinden. Ditmaal lukte het haar niet, van de grond te komen.

Ze begreep dat niet helemaal - maar het deed haar niets. Onder de ruif bleef ze zitten.
Ergens was ze gelukkig. Ondanks alles voelde ze zich die avond gelukkig. Ze werd doorgloeid van een gelukzaligheid, zoals ze maar eenmaal had gekend: toen haar kuikens uitkwamen. Voor de Haan was ze nu niet bang meer, besefte ze. Haar zussen deden haar per saldo niets. Maar vanavond was ze gelukkig: want haar kinderen waren weer klein en hulpbehoevend. Ze koesterde het stel onder haar opgezette borstveren, ze sloeg de vleugels over hen heen. Ze telde ze met haar ribben: jawel, allemaal present. De laatste geluidjes uit het donzen bed verstilden.
De kip Ursula was vervuld van moederweelde.
Ze zat op haar kapitaal. Geen havik, geen kat, geen vos, geen hond kon hen deren.
Ursula was de gelukkigste kip ter wereld.
Toen gleed ze langzaam voorover, de vleugels beschermend uitgebreid, tot haar snavel de grond raakte.
Zo vond haar de baas, de volgende morgen.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief