BROOD EN WIJN

1971-10-29
  • Jaargang 15
  • nummer 29
Vandaag vierden wij avondmaal. Ons kleine kerkje bracht met gasten en al meer dan zeventig feestvierders aan tafel: de zeventig zielen van Jacob, het vroom geslacht. Wat een vreugde! Te zién, wat we anders alleen te horen krijgen. Te dóen, wat we wekelijks als een inzetting krijgen opgedragen.

Daar zijn ouderen bij van boven de tachtig - maar ook jongeren beneden de twintig.
Daar zijn arbeiders en leraars - ook huisvrouwen en baarddragers. Allen haalden hun voedsel aan de witte tafel.

Vroeger ging dat met het voorgeschreven minimum, dat tevens een maximum was geworden, van vier malen per jaar. Nu we in de vrijheid staan gaat dat met zes malen per jaar. Straks misschien vaker. Er zijn immers kerkjes, waar al maandelijks het avondmaal wordt gevierd? En vierden de eerste christenkerken het avondmaal niet wekelijks?

Jawel - en waarom niet?
Daar zitten we onverhoeds weer midden in het stuk der ellende. Wat hebben wij samen toch veel misverstanden overeind gehouden.
Misverstanden rondom de tafel des Heeren.
Een theoloog zei me eens, dat het minimum van vier maal per jaar, zoals de DKO voorschrijft, eigenlijk een stukje roomse zuurdesem zou zijn. Hoe het precies zit weet ik niet, maar in de roomse kerken schijnt men bij tenminste vier gelegenheden ter communie te moeten gaan om mee te tellen. Trouwens het hele avondmaalsformulier ademt op diverse plaatsen een reformatorische geest in een roomse vorm.

Dat formulier heeft de vorm - zou men kunnen zeggen - van een antieke predikatie.
Het stuk bevat een inleiding, twee hoofdpunten (elk onderverdeeld in nevenpunten en elk met een toepassing), een Onze Vader en een Credo, een inleidend en een dankgebed, een aantal Schriftcitaten en een psalm.
Bovendien worden in massieve en zwaargeladen volzinnen de hoorders tot een zelfbeproeving opgewekt, die zo diep gaat dat meteen een dosis zalf wordt aangereikt in de vorm van "maar dit wordt ons niet voorgehouden om de verslagen harten der gelovigen kleinmoedig te maken ... " (Nee - dat zal waar zijn! Het sacrament is nu net precies ingesteld om de harten der gelovigen te verstérken). En na deze gemeenschappelijke biecht, die de vorm van een massale penitentie heeft aangenomen, volgt een massale en algemene amnestie: de absolutie. Daarmee eindigt het eerste deel.

Het tweede deel bevat een uitgebreide motivering van het avondmaal: een theologische verhandeling van de leer der verzoening, een verklaring van de historische achtergronden van het avondmaal, een aanmoediging om ons geloof te laven aan brood en wijn; dat is om ons vertrouwen te stellen op Christus' zoenoffer. En de beste, de allerbeste zin uit het gehele formulier is de laatste: "allen tesamen één lichaam met Christus vormen en dat niet alleen met woorden maar ook met de daad aan elkander te bewijzen".
Hier eindigen de woorden. Hier is ruimte voor de daad.

Zelfs de gebeden zijn niet die eenvoudige taal van een rechtstreeks en kinderlijk verkeer met de Heere, onze God. Ze zijn moeilijke onderwijzingen; met woorden. vele en moeilijke woorden.

We moeten het zo stellen: er zijn hele generaties bij dit formulier opgevoed, die het avondmaal elk kwartaal als een bijna onoverkomelijke berg zagen opdoemen aan hun geestelijke horizon. Niet de door Christus aangereikte geloofsversterking was het voornaamste - maar de door mensen aangedikte zelfbeproeving eiste alle aandacht.
Een afkondiging vooraf, een voorbereidingspreek, een week van vroomheid en verzoening links en rechts, dan de grote dag zelve, dan het avondmaal zelve, en ten overvloede de nabetrachtingspredicatie. Door de plechtige ceremonie is het simpele sacrament uitgetild ver boven het kerkelijk geloofsleven.
Wat gegeven was als een illustratie bij het woord der genade werd zo opgediend dat alle genade overwoekerd werd. Wat bepaald niet boven het Woord uitgaat (immers niets inhoudt dat in het Woord niet reeds gegeven is) werd gepresenteerd als van hogere waarde dan het evangelie.

Wanneer wij denken aan die honderdduizenden die in de loop der eeuwen met een brok in de keel aan tafel gingen; of die met een kloppend hart van tafel bleven; die aangepakt werden als ze wegbleven van het sacrament; en die aangevochten werden als ze aanzaten; voor wie het avondmaal een openlijk gebaar van gewetensrust ging betekenen - tegenover die anderen, voor wier "geestelijk leven" het avondmaal nog te hoog scheen te zijn ... dan is het toch zonneklaar dat de kerk (dat zijn wij samen, beste lezer, lieve lezeres) zich aan het sacrament vergrepen heeft op een welgeorganiseerde. maar ongeestelijke wijze.

Het is waar: alles wat u van het formulier zou willen zeggen wordt meteen door goedgebouwde volzinnen uit het formulier zelf weerlegd. Geen ketterij komt er in voor. In zekere zin is het formulier volmaakt - en dat irriteert misschien wel het meest. Want juist die theologische volmaaktheid maakt het zo on-volmaakt, zo troosteloos. zo ontmoedigend.
Het avondmaal - in zichzelf door onze Heiland als een teer en simpel geschenk op de handen gelegd - is door onze vrijgestelde ambtsdragers opgetuigd en versierd, vertheologiseerd en beladen... zodat we ons over veel weerstanden moeten heenzetten.
willen we door de bomen het bos blijven zien.

Constantijn Huijgens (1596-1687)is destijds al gegrepen door het formulier. Hij dichtte een sonnet "Over 's Heeren Avondmaal":

Wat doen ik in dijn' Kerk en aan dijn heilig maal, Milddadig voedsterheer voor mij omlaag gezonden,
Voor mij handdadige aan vele van die zonden
Die ik hier melden hoor in 't droevige verhaal?

Hoort u? Het "droevige verhaal", de opsomming van alle toenmalig bekende zonden, uit het formulier stelde Huijgens "handdadig" = schuldig.

Wat ik er doe, 0 God? wat doen w'er altemaal
Die iedereen van ons verstrikt zijn en gebonden
Van dit hier en daar dat; en, waren wij ontbonden,
Nog hadden wij dit Brood te zoeken en die Schaal.

Zijn zelfonderzoek leerde hem, dat ieder vastzit aan eigen zonden en gebreken - en toch zou zelfs de allerheiligste het niet buiten brood en wijn kunnen stellen.

Dan een slotcouplet als een stukje catechismus, God de Heere stelt een vraag en Hem wordt een theologisch antwoord gegeven:

De dank-schaal voor die gunst? Neen, Heer, gij vindt ons wijzer,
Weer wijzer door dijn gunst. Weg met zich zelvens prijzer;
Wij steken een voor een door een all' de schuld, *)
En pleiten hier alleen om deernis en geduld;
Dat vonnis, Heer, staat vast, gij hebt het zelf gewezen, Twas beter Tollenaar als Pharisee te wezen.

In de peroratie zegt Huijgens niet anders dan "kyrie eleison", Heer erbarm U onzer.
Maar hij verzuimt niet dit allerlaatste gebed te motiveren met de leer van de erfschuld *) en een beroep op de gelijkenis. Dat uiterste gebed is natuurlijk aangrijpend en goed!
maar de motivering ontneemt het zijn natuurlijke kracht en waarde. Huijgens is gevangen onder de bekoring van het formulier - niet van brood en wijn.

Als we de kern van de inzetting van het avondmaal zouden mogen samenvatten, dan ging dat ongeveer zo:

verbroken brood (verbroken lichaam):maar alle gelovigen samen één lichaam, onder het hoofd Jezus; vergoten wijn (vergoten bloed): - maar voor alle gelovigen vergeving van zonden en opstanding tot een nieuw leven!

Weinig protestanten hebben het avondmaal zo zuiver bezongen als de roomse pastoor Guido Gezelle:

Wie kander koor en zien
en niet gedinken
hoe edel spijze 'et is,
en niet gedinken,

Wie kander wijn gezien
en niet gedinken
hoe edel drank et is,
en niet gedinken!

Wie kander Christen zijn,
en niet gedinken
hoe Christi' vleesch en bloed hij nut *)
en niet gedinken!

Het refrein van het "gedinken" is immers het hoofdthema van Christus' inzetting: doet dat tot Mijn gedachtenis. Bij dat gedenken gaan onze gedachten terug naar die laatste maal, dat Jezus met zijn kinderen brood en wijn gebruikte; gaan onze gedachten vooruit naar het koninkrijk Gods, waarin Hij opnieuw met ons, zijn kinderen, brood en wijn zal nuttigen.

De roomse kerk heeft van dat feest een nieuw "gedurig offer" gemaakt - waardoor de eenmaligheid van Christus' alomvattend en universele offer werd gediskwalificeerd.
En de kerken der reformatie zaten nog zo vast in het roomse garen, dat zij de simpelheid van het "gedinken" onvoldoende doorzagen: drie reformatoren, drie sacramentsopvattingen, drie kerkrichtingen!

Wij hebben over de geboden Gods niet zoveel te praten; we kunnen ze beter dóen. Zo ook de inzetting van brood en wijn: elk woord zij overbodig. Zalig die aan tafel gaan. Ze betuigen dat zij hun zaligheid buiten zichzelf zoeken.

*) nuttigt, zich ten nutte maakt


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief