Geen slaven meer

2013-06-29
  • Jaargang 57
  • nummer 13
Wie de Bijbel doorzoekt op het trefwoord ‘slaven’ komt al snel bij de brieven van Paulus uit, en dan vooral bij zijn bekende ‘slaafteksten’. Maar waar roept Paulus in die teksten nu precies toe op? Duidelijk wordt dat zijn boodschap verder gaat dan een aansporing om slaven menselijk te behandelen.

Als we in het Nieuwe Testament over slaven lezen, moeten we daarbij niet meteen denken aan de misstanden van de moderne slavernij die 150 jaar geleden afgeschaft werd. Hoewel er in de oudheid ook misstanden waren rond slaven, werd de slavernij als zodanig niet als een misstand gezien. Zij behoorde tot de gewone arbeidsverhoudingen. Ook verrichtten slaven niet enkel zwaar handwerk. Een slaaf kon kinderoppasser of zelfs huisleraar zijn, zoals de ‘pedagoog’ waarmee Paulus in de brief aan de Galaten de aan Israël gegeven wet vergelijkt (Galaten 3:24 en verder.). Functioneel gezien was de pedagoog, die slaaf kon zijn, baas over de in het huis geboren kinderen. Een slaaf kon zelfs rentmeester in dienst van een koning zijn, zoals we van de onbarmhartige dienstknecht uit de gelijkenis in Matteüs 18 kunnen aannemen. De statenvertalers hebben het woord dat tegenwoordig met ‘slaaf’ vertaald wordt met ‘dienstknecht’ weergegeven, wat niet helemaal de lading dekt, maar waarmee men wel beter dan met ‘slaaf’ laat zien dat het om een voor de oudheid gewone arbeidsverhouding gaat.
Aan de slaven uit de gelijkenis van de talenten uit Matteüs 25 worden grote sommen geld toevertrouwd, die ze in zelfstandigheid voor hun meester hebben te beheren. Veel slaven werden na bewezen diensten vrijgelaten, of hadden neveninkomsten uit handel of arbeid waardoor ze zich vrij konden kopen. Wat de slaaf ontbeerde, was vrijheid. Hij was eigendom van de meester die hem gekocht had of in wiens huis hij was geboren en kon door diezelfde meester ook weer worden verkocht. Als ‘levend gereedschap’ behoorde hij bij de inboedel.

Seneca
In de eeuwen die aan het Nieuwe Testament voorafgingen had zich geleidelijk aan een humanisering van de slavernij voorgedaan. Dat was met name onder invloed van de stoïcijnen gebeurd. De wijsgeren van deze stroming legden nadruk op de eenheid van het menselijke geslacht. De slaven werden daar uitdrukkelijk bij gerekend. ‘Vergeet niet dat degene die jij jouw slaaf noemt van hetzelfde zaad is voortgekomen, dat hij een plaats geniet onder dezelfde hemel, dat hij ademt, leeft, sterft, net als jij’, schrijft Seneca, die een tijdgenoot van Paulus was. ‘Ga met je ondergeschikte om zoals je wilt dat jouw superieur met jou omgaat’, voegt hij eraan toe, waarmee hij in de buurt van de gulden regel uit de Bergrede komt (Matteüs 7:12). Een andere Stoïcijn, Epictetus, die zelf slaaf was, gaat er klaarblijkelijk vanuit dat het geregeld voorkomt dat slaven vrijgelaten worden. Hij vindt het nodig om deze mensen op het hart te binden dat zij nooit mogen vergeten dat degenen aan wie zij nu de bevelen mogen geven verwanten zijn, broeders van nature, afstammelingen van Zeus, de oppergod. Dit is de context waarbinnen Paulus predikt dat ‘in Christus’ het onderscheid tussen slaaf en vrije wegvalt (Galaten 3:28, Kolossenzen 3:11). Paulus staat op grond daarvan een menselijke behandeling van slaven voor: ‘Laat dreigementen achterwege, want u weet dat zij en u dezelfde Heer in de hemel hebben, en dat Hij geen onderscheid maakt’ (Efeziërs 6:9).

Beroepsethiek
De humaniseringsgedachten van de stoïcijnse filosofen hebben niet tot kritiek op de slavernij als instituut geleid. Hoewel men een menselijke behandeling van slaven voorstond, werd de slavernij zelf niet als onmenselijk gezien. Hoe is dat in het Nieuwe Testament? Gaan de apostelen verder dan de stoïcijnse filosofen of laten ook zij de slavernij als zodanig ongemoeid? Dat lijkt op het eerste gezicht inderdaad het geval. Petrus roept huisslaven op om lijden te verdragen en ook harde meesters te gehoorzamen (1 Petrus 2:18 en verder). Paulus lijkt hetzelfde te doen (Kolossenzen 3:22 en verder, 1 Timoteüs 6:1 en verder). In de brief aan de gelovigen in Kolosse spoort hij gelovige slaven aan tot oprechte gehoorzaamheid, en om zo trouw te zijn in het dienen alsof het dienst aan Christus zelf betreft. Christus zal hen uiteindelijk ook belonen. Zulke woorden komen op ons, in een tijd dat individuele vrijheid als één van de grootste verworvenheden wordt gezien, wel heel bevestigend over. Maar dan vergeten we dat de slaaf hier voor het eerst van een eigen beroepsethiek werd voorzien en dat het geloof dat hij zijn arbeid voor Christus verricht hem verlost van zijn rechtenloze situatie. Het geloof geeft aan zijn arbeid zin. Hij kan nu ook een mens uit één stuk zijn. Hij hoeft geen liefde meer te huichelen voor iemand die hij haat. Hoe ver de slaaf behoorde te gaan in zijn gehoorzaamheid vertelt het Nieuwe Testament niet. Wat als er dingen van hem gevraagd werden die ingingen tegen de normen van het christelijk geloof? We hadden het graag geweten.

Politiek geladen
De vraag is wat er van gelovige meesters wordt gevraagd. Hoeven zij hun slaven enkel menselijk te behandelen of wordt hun ook geboden hun slaven vrij te laten? Dat zou, in christelijke kring althans, ook het einde van de slavernij als instituut betekenen. Mijns inziens gaat wat Paulus de meesters in Kolossenzen 4:1 gebiedt verder dan enkel een aansporing slaven menselijk te behandelen. Aan de vertalingen is dat niet te zien: ‘Doet [uw] dienstknechten recht en gelijk’, lezen de statenvertalers. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft: ‘Geef uw slaven waar ze recht op hebben en wat redelijk is.’ Dat ‘geef (…) waar ze recht op hebben’ gaat in de goede richting, maar het is nog niet genoeg. Om de weergave van Paulus’ woorden scherp te krijgen, moet allereerst het door de vertalingen aangevulde ‘uw’ weggelaten worden. Dan wordt duidelijk dat de apostel hier een algemeen geldende regel voor de behandeling van slaven als zodanig wil geven: ‘Geef slaven waar ze recht op hebben.’ De uitdrukking die Paulus daar gebruikt, is dezelfde als die we in Matteüs 20:4 in de gelijkenis van de werkers in de wijngaard aantreffen. Daar wordt tegen de ingehuurde mannen gezegd dat ze het loon zullen krijgen waar ze recht op hebben. Ook buiten de Bijbel wordt de uitdrukking met betrekking tot een rechtmatige beloning van geleverde arbeid gebruikt. ‘Geef slaven het loon waar ze recht op hebben’, zegt Paulus dus tegen de meesters. Dat hij dat ook werkelijk bedoelt, blijkt uit wat volgt: ‘en geef ze de gelijkheid’. De statenvertalers blijven hier met ‘gelijk doen’ (bedoeld is: billijk en meedogend behandelen) in het vage. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft: geef hun ‘wat redelijk is’. Ook dat blijft vaag. ‘De’ gelijkheid, staat er, met lidwoord. Dat is: de gelijkheid die in het geding is waar het gaat over slavernij, gelijkheid in politiek-maatschappelijke zin. Het woord dat met ‘gelijkheid’ is weergegeven, heeft ook buiten de Bijbel een politiek geladen betekenis, bijvoorbeeld
waar het over de toekenning van burgerrechten aan nieuwkomers gaat.

Dat de gebruikte woorden in vertalingen meestal worden afgezwakt, komt mede doordat men zich niet kon voorstellen dat een enkeling als Paulus, die voor een toen nog kleine minderheid schreef, een verandering in het machtige Romeinse systeem zou kunnen bewerken. Dat kon hij ook inderdaad niet. Maar binnen de christelijke gemeente had hij wel invloed en niets verhindert hem om gelovige meesters te gebieden hun slaven loon uit te betalen, zodat die zich op termijn zouden kunnen vrijkopen. Wie weet waar dat ook maatschappelijk toe zou kunnen leiden als het Evangelie zich verder verspreiden zou. Een moeilijkheid bij het verstaan deze woorden van Paulus is ook dat ze in het Nieuwe Testament alleen lijken te staan. Het is de enige plaats in het Nieuwe Testament waar over ‘loon’ en ‘gelijkheid’ voor slaven wordt gesproken. De overeenkomstige vermaning in de brief aan de Efeziërs gaat duidelijk minder ver. Daar is enkel van het achterwege blijven van dreiging sprake. Dat hoeft niet met elkaar te strijden. Wanneer men slaven loon gaat geven zodat ze zich op termijn vrij kunnen kopen, is er in ieder geval tijdelijk nog van een meester-slaafverhouding sprake. Ook in 1 Timoteüs 6:2 wordt met het bestaan van gelovige heren gerekend. Een andere mogelijkheid is dat bij de apostel sprake is geweest van groeiend inzicht.

Onesimus
Paulus kende de Kolossenzen niet persoonlijk toen hij aan hen schreef. Hij had gehoord hoe zij tot geloof waren gekomen. Vanuit de gevangenschap waarin hij op dat moment verkeert, stuurt hij hun een brief om hen te bemoedigen. Als één van de bezorgers van de brief wordt Onesimus genoemd (Kolossenzen 4:9). Met deze Onesimus, die zelf uit Kolosse afkomstig was, had Paulus een geschiedenis gehad, die we kennen uit de brief aan Filemon, de kortste en tegelijk meest persoonlijke brief die ons van de apostel is overgeleverd. Onesimus was een jonge slaaf die van zijn meester Filemon was weggelopen. Het kan zijn dat hij dat voor zijn vrijheid heeft gedaan, en dat hij om zich te redden geld of andere zaken van Filemon had gestolen. In ieder geval had hij zijn meester schade berokkend (Filemon 1:18). Het kan ook zijn dat hij een meningsverschil met zijn meester had en dat hij Paulus, die Filemon gekend moet hebben, om bemiddeling had gevraagd. Ook dat kwam voor in de oudheid. Hoe het ook zij, de ontmoeting met Paulus had ertoe geleid dat Onesimus christen was geworden. Paulus ziet hem als een zoon en zou hem graag bij zich gehouden hebben tot steun in zijn gevangenschap. De schade die Filemon geleden heeft, wil hij zelf wel vergoeden. Maar de apostel wil niets buiten medeweten van Filemon doen. Daarom stuurt hij Onesimus met een briefje van zijn hand terug naar zijn meester. Duidelijk is dat Paulus Onesimus niet als slaaf wil overnemen. Hij wil dat de jongeman vrijgelaten wordt. Nu Onesimus een broeder in Christus is geworden moet Filemon hem ook als een broeder in het vlees behandelen, vindt Paulus (vers 16, Statenvertaling). Als een broer uit hetzelfde gezin dus, dat wil zeggen: als een gelijke. Mogelijk heeft Paulus door de ontmoeting met Onesimus het onrechtmatige van de slavernij als zodanig ingezien en heeft hij dáárom in de brief aan de Kolossenzen – misschien wel voor het eerst – gesproken zoals hij heeft gesproken. Het woord ‘broeder’ dat hij in verband met Onesimus tegenover ‘slaaf’ stelt – Onesimus is van slaaf tot broeder geworden (vers 16) – heeft wortels in het Oude Testament. Het was onmogelijk dat een Israëliet een mede-Israëliet, een ‘broeder’, tot slaaf zou hebben (Nehemia 5:1 en verder). Iemand die door schulden in slavernij geraakt was, moest vrijgelaten worden als het zevende jaar, het jaar van de vrijlating, werd afgekondigd (Deuteronomium
15:1 en verder). Zulk recht zat diep geworteld bij Paulus, die zijn leven lang een man van de wet was. (‘Ik ben een Farizeeër’, zegt hij, ook als christen, niet ‘was’ – Handelingen 23:6) Ook Philo, een Joodse bijbeluitlegger uit die tijd, zag slavernij als onrecht. Mogelijk heeft de situatie van de weggelopen Onesimus Paulus ervan bewust gemaakt dat wat in de wet voor broeders uit Israël gold in Christus voor alle mensen zou moeten gelden.

Onrecht
Het loont de moeite om het briefje aan Filemon te lezen en te herlezen. Hoe meer men van de boodschap ervan doordrongen raakt, des te duidelijker wordt het dat de gelijkheid van slaaf en vrije in Christus vrijlating als consequentie moet hebben. Als apostel heeft Paulus de vrijheid om Filemon op te dragen om te doen wat hij moet doen, maar hij gaat ervan uit dat Filemon het wel uit liefde zal willen doen en uit meeleven met de gevangen apostel (vers 8 en 9). Intussen draait Paulus vriendelijk maar strak de duimschroeven aan en aan het eind kan Filemon niet anders dan de weggelopen slaaf, die nu ‘broeder’ in Christus geworden is, ook als ‘broer’, dus als gelijke, behandelen. Jammer dat Paulus’ gebod toen de christenen een meerderheid begonnen te vormen niet heeft doorgezet. De slavernij is bij de kerstening van het Romeinse rijk niet afgeschaft. Pas eeuwen later is zij een stille dood gestorven. Ook voor herleving van het instituut heeft het christendom de wereld niet kunnen behoeden. Intussen bleef het briefje aan Filemon – mét de oudtestamentische wetten – in de Bijbel staan, zodat niemand, in welke eeuw ook, kan zeggen dat hij niet kon weten dat in Gods ogen slavernij onrecht is.

Dr. John van Eck is theoloog in de PKN en auteur van onder meer de delen over Handelingen en Kolossenzen/Filemon in de CNT-reeks.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief