Islam en kerk (2)

2005-07-22
  • Jaargang 49
  • nummer 14
Een paar nummers geleden nam ik hier een gedeelte op uit een artikel van dr. A.J. Plaisier over islam en kerk in Nederland. Hij schreef o.a.:

Inhoudelijk gezien stelt de islam de kerk voor de vraag naar haar identiteit.
Spreken over een Abrahamitische oecumene acht ik een move, waar ik geen enkel heil in zie.
De islam is een alternatieve religie tot het christendom, geen parallelle religie.

Een heel andere visie heeft prof. dr. Anton Wessels, VU-hoogleraar godsdienstwetenschap (in het bijzonder van de islam). In het Centraal Weekblad van 27 mei schrijft hij:

De profeet Mohammed ziet zich staan in de traditie van de Bijbelse profeten.
Onder hen zijn met name Abraham, Mozes en Jezus van het grootste gewicht. Joden en christenen worden gezien als ‘mensen van het boek’, respectievelijk de Torah en het Evangelie. Deze drie boeken zijn als het ware met elkaar in gesprek en dienen mijns inziens ook met elkaar in gesprek gebracht worden. In verband met de precaire situatie waarin zich de wereld bevindt kun je de vraag stellen of vanuit die Schriften mogelijk iets in de huidige situatie te zeggen valt bijvoorbeeld hoe er tegen wereldlijke/politieke macht wordt aangekeken.
In de vergadering met de engelen, maakt God, zo verhaalt de koran, Zijn voornemen bekend de mens te scheppen: ‘Ik ga op de aarde een plaatsvervanger (kalief) instellen’. De engelen vinden dat een slecht idee: ‘Zult gij daar instellen een die daar verderf zal brengen en bloed storten terwijl wij [de engelen] U lofprijzen en U heiligen?’ Hoewel de engelen duidelijk een punt hebben, is het des te treffender dat God zich toch niet van de wijs, van Zijn wijsheid, laat afbrengen: ‘Ik weet het best wat gij niet weet’, koran 2:30-32 (28-30). Als God dan zijn voornemen heeft uitgevoerd pro probeert de duivel, Iblis geheten (Diabolos), de mens in verzoeking te brengen. Terwijl God aan de mens het kaliefschap in het vooruitzicht stelt, belooft Satan de mens het onvergankelijke koningschap, koran 20:120 (118). De satan suggereert dat de mens Gode gelijk kan worden aan wie alleen het koningschap behoort. Dat koningschap dat satan de mens in het vooruitzicht stelt staat dus lijnrecht tegenover het plaatsbeklederschap, dat God de mens biedt. () In alle drie profetische tradities: de Joodse, de christelijke en de islamitische, gaat het om ‘bevrijding’. In het aloude Testament (Tenakh) (Exodus 2:23-25, 3:1-12), het Nieuwe Testament (Lukas 9:31) én de koran (7:141 (137); 20:80 (82); 44:30 (29)) wordt over de bevrijding of Exodus of emigratie (hidjra) gesproken uit het huis van de slavernij en onderdrukking, waar Egypte onder de farao het bekendste symbool van is.
Wat zou de relevantie van die teksten () kunnen zijn voor de bevrijding uit hedendaagse vormen van onderdrukking?
De vraag is dan: wie zijn nú in de wereld de farao’s? Wie behoren tot ‘de as van het kwaad’? Behoren alleen anderen tot ‘de as van het kwaad’ (Egypte, Assur, Babel)? Of bedoelen die teksten uit de drie geloofstradities niet de vraag op te roepen: hoe het precies met de eigen politieke leiders staat?
De Egyptische president Sadat, beroemd geworden vanwege de vrede die hij met de staat Israël sloot, deed indertijd het voorstel een gemeenschappelijk heiligdom voor de drie abrahamitische godsdiensten op te richten als teken dat ze alle drie de ene God van Abraham aanbidden: een teken voor wat zij grondleggend gemeenschappelijk hebben en waar alle scheidingen en vijandschap zou kunnen worden overwonnen.
Sadat wilde dat gemeenschappelijke heiligdom voor de drie religies in de Sinai bouwen. Hij wilde dat nota bene doen op de heuvel aan de voet van de Mozesberg, die Aäronheuvel heet!
Aäron, die toen Mozes erg lang wegbleef op de berg Sinai het volk toeliet het gouden kalf te maken! (Exodus 32) Is nomen geen omen? Schuilt in de naam niet tevens een kwaad (voor)teken?
In het licht van het zo juist gezegde is daarom de vraag: was Sadat een kalief of koning? De moordenaar die hem doodde schreeuwde bij zijn proces in Cairo: ‘Ik heb de farao gedood’.
Had deze moordenaar gelijk of ongelijk?
De profeten willen helpen een antwoord te vinden.
Joden, christenen en moslims geloven alle drie in de Ene God, die bevrijdt!
Voor alle drie is ‘geloven’ een werkwoord.
Alle drie verheffen hun gemeenschappelijke profetische stem tegen élke farao, vorst, koning of regeerder, die zijn heerschappij op onrecht en uitbuiting baseert. Alle drie gaan in Gods naam in tegen de brutalisering van de mens. Immers, ‘Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens’ (Okke Jager)! In Gods ogen is hun bloed kostbaar (Psalm 72:14). Hij hoort hun geschrei en kan hun lijden niet aanzien (Exodus 3:7). De Eeuwige staat garant voor de ware menselijkheid.

En dat is dan gelijk het slot van het verhaal van Wessels. Ligt het aan mij als ik er niet veel van snap? Ik zou zeggen: tegenover dit syncretisme het evangelie!

M.H.T. Biewenga, Enschede

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief