Geen ander fundament
1971-11-05
Onder bovenstaande titel is een herderlijk schrijven verschenen van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (Sneek 1969/ 1970), waaraan in ons blad in ieder geval geen directe aandacht is besteed. Terwijl daar toch wel reden voor was geweest. We willen op enkele aspecten ingaan. Andere laten rusten, omdat die in ander verband in ons blad soms zeer uitvoerig aan de orde zijn geweest.- Jaargang 15
- nummer 30
De eerste gedachte die wel opkomt bij mij, komt voort uit het feit dat ik een exemplaar voor me heb liggen van de zesde druk. (Het is een uitgave van J. H. Kok, Kampen). Zes drukken van een herderlijk schrijven is op zich zelf al iets opvallends. Het is dus kennelijk veel gelezen en laten we hopen ook veel besproken. Want de zaken die erin behandeld worden zijn belangrijk genoeg.
Maar juist uit deze grote aandacht ervoor vraag ik me wel af: is men nog niet af van het grote gewicht toekennen aan een herderlijk schrijven van een synode?
Nog in het midden gelaten of dit wel de taak van een synode is, deze grote belangstelling kan ook voortkomen uit het feit dat men een veel te groot gewicht toekent aan het verschijnsel synode.
Juist na de invoering van de Herziene K.O. is dat een vraag die we toch wel mogen stellen.
Synodes kunnen goed werk verrichten.
Ze kunnen ook heel slecht werken.
Voor beide gevallen zijn wel voorbeelden uit de kerkgeschiedenis te halen. Ik dacht dat we in dit geval toch ook wel te maken hebben met een zware overschatting van de betekenis van een synode.
Men kan tegenwerpen dat de ondertitel luidt "herderlijk schrijven in opdracht van de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gehouden te Sneek/Lunteren in 1969/70".
Dat zou nog kunnen betekenen dat het wél een schrijven is in opdracht van de synode, maar niet van de synode zelf. Als we dat zouden laten gelden, dan zou er direct bij gezegd moeten worden dat het moderamen van die synode (want daardoor is het opgesteld) een veel te belangrijke instantie wordt.
Een soort van kerkbestuur dat óók doorleeft als de synode gesloten is. Maar we zullen de ondertitel wel niet te zwaar hoeven te laten wegen omdat op de titelpagina staat "herderlijk schrijven van de generale synode".
Wel wordt gezegd "het is een brief aan de gemeenteleden, die geen kerkelijk gezag bezit · want het is geen stuk dat door de synode is vastgesteld; het mag dan ook geen eigen kerkelijk leven gaan leiden naast de besluiten die opgenomen werden" (blz. 6). Maar het wordt toch ondertekend door "het moderamen van de generale synode".
Het doet mij te veel denken aan "Toelichting" en "Praeadvies" uit de veertiger jaren.
Onzaliger gedachtenis.
Te veel eerbied voor kerkelijke vergaderingen is geen goede zaak en werkt bijna altijd verwoestend, omdat die te grote eerbied in strijd is met de mondigheid van de gemeente en de gemeenteleden.
Intussen zijn, zoals gezegd de onderwerpen, die erin aangeroerd worden belangrijk genoeg. Hier volgt de inhoud: I. "Gelijk door één mens ... (over Genesis 1-3)"; II. Aller aanneming waard (over het Schriftgezag); III. "De komst van het koninkrijk (over het horizontalisme)"; IV. "De goede belijdenis (over de binding aan de belijdenis)"; V. "De besluiten van de generale synode van Sneek"· In dat laatste hoofdstuk staat dan de officiële tekst van de uitspraken van de synode Sneek "ten aanzien van de bij haar ingekomen bezwaarschriften, die blijk geven van toenemende verontrusting over de ontwikkeling van het gereformeerd kerkelijk leven in het algemeen en tegen een aantal nader te noemen zaken in het bijzonder" (blz. 35).
Het zijn dus voorwaar geen onbelangrijke zaken, waarmee men zich heeft bezig gehouden.
Dat met dit herderlijk schrijven de rust niet is teruggekeerd en de verontrusting niet is afgenomen, maar eerder toegenomen, kan een ieder begrijpen die leest in de officiële uitspraken b.v. dat de synode niettemin moet vaststellen, dat de ontkenning door dr Kuitert, van de historiciteit van de zondeval als de afwending van de mens van zijn God aan de aanvang van de menselijke geschiedenis, niet in overeenstemming is met hetgeen de synode van Amsterdam 1967/68 in haar uitspraak sub 3 zei (acta art. 209): ... Maar dan volgt er "dat intussen gebleken is, dat dr Kuitert ook op de synode in zijn gevoelen niet alleen staat."
Zulke uitspraken zijn natuurlijk niet geschikt om de vrede te doen terugkeren.
De synode meende dat de eenheid van het kerkelijk belijden niet op een zodanige wijze in het geding moet worden geacht. dat daarover thans nadere beslissingen zouden moeten worden genomen" (blz. 38).
Je vraagt dan: wat betekent "op zodanige wijze"?
Een antwoord daarop is niet te vinden in de officiële uitspraken, maar is in dat herderlijk schrijven ook niet te vinden.
Aan Kuitert's opvattingen willen we nu niet te veel aandacht besteden, juist omdat dat in ons blad zeer uitvoerig gedaan is. Wel komt de vraag op: waarom altijd alleen Kuitert genoemd? Er zouden toch echt wel meer namen en opinies te noemen zijn.
Van de uitspraak van de synode word Je dus niet veel wijzer. Van het herderlijk schrijven intussen ook niet. Dat is ook vrijwel onmogelijk, gezien de poging tot bewaring van de eenheid, die de synode dreef.
Het is goed te begrijpen dat men in de synodale kerken een afschuw heeft overgehouden van schorsingen en afzettingen en dat men bijzonder bevreesd is weer in tuchtprocedures te vervallen. . .
Daarbij laat ik nu maar weer 10 het midden of het in de eerste plaats de taak is van een synode om leertucht te oefenen.
Maar de afschuw van het verleden mag toch niet iets afdoen dat men heeft te staan - elke christen - voor de "waarheid van het Evangelie". Dat wat het Evangelie tot blijde boodschap maakt.
Het verlangen om vredestichtend te schrijven, geeft heel dat herderlijk schrijven iets van wat ik zou willen noemen in- en uitpraterij.
Dat is natuurlijk niet de opzet van het moderamen geweest, maar is waarschijnlijk wel een gevolg van het uitgangspunt.
Het "enerzijds-anderzijds" kom je nog wel eens tegen.
Maar je blijft dan met de vraag zitten zoals dr R. J. Nooi, de secretaris van de algemene synode van de hervormde kerk het formuleerde: "Indien wij enige critiek op het herderlijk schrijven zouden willen oefenen, dan zou het dit zijn, dat de synode juist deze dingen (gaat het nu in de Bijbel om feiten of niet, A.) niet duidelijk genoeg geformuleerd heeft. Het staat er wel, maar het is alsof het telkens weer wordt gerelativeerd.
Het wordt niet zonneklaar, dat zonder het factum in de bijbelse verkondiging slechts de de gezindheid van de gelovige kan overblijven.
Zonder het factum: ijdelheid van ons geloof, geen zondevergeving. Zonder het factum: geen beklagenswaardiger mensen dan christenen (1 Cor. 15)."
Het is dan ook geen wonder dat de synode Lunteren weer voor dezelfde vragen is komen te staan. Op deze manier neem je geen verontrusting weg. Op deze manier is het streven naar eenheid ijdel, omdat eerst de enigheid des geloofs op een zijspoor wordt gezet.
Zou in heel deze wijze van redenering ook niet iets zitten van de tijdgeest?
Uit de "discussie" moet de waarheid te voorschijn komen. In plaats vanuit de Bijbel naar de mens en de wereld te gaan, gaat men van de mens en de wereld - en vooral ook vanuit de stand der "wetenschap" naar de Bijbel. Dan is de weg voor het Hegeliaanse dialectische denken volledig open.
De tijdgeest is bang voor absolute uitspraken, behalve als het over de waardering van rechtse dictaturen gaat.
Wat bepaald verbazingwekkend is in dit schrijven is de rol, die men toekent aan de kerk en aan de theologie. "Het behoort tot de taak van de kerk de boodschap van Gods genade zó te vertolken, dat ze ook in onze tijd verstaanbaar blijft" ... "Tegelijk is het de taak van de theologie om mee te werken aan het wegnemen van de weerstanden, die het verstaan van Gods Woord belemmeren" (blz. 17).
Deze zinnen lijken me in duidelijke tegenspraak met art. 7 N.G.B., dat overigens weer met instemming wordt aangehaald in dit schrijven: "Wij geloven dat deze Heilige Schriftuur de wil Gods volkomen vervat, en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt".
We zijn ten diepste niet afhankelijk van "het spreken van de kerk". Wat dat dan ook maar zou mogen betekenen. Ik ken alleen het spreken Gods. We zijn ten diepste ook niet afhankelijk van de theologie. Want hoe zeer een nuttig bedrijf, het blijft maar mensenwerk.
En de Bijbel is genoegzaam zonder dat mensen moeten "vertolken". Vertolken heeft in het herderlijk schrijven nl. een andere betekenis dan vertalen.
Na wat uit de N.G.B. geciteerd wordt staat er "deze uitspraken zijn duidelijk". Nu, waarom dan nog meer? Wat moet de theologie dan nog vertolken? En het is niet aan mensen gegeven weerstanden tegen Gods Woord weg te nemen.
Overtuigen is een werk van de H. Geest.
Getuigen is het enige waartoe wij geroepen worden.
Het "Getuigenis" is dan ook aangenamer lectuur.
Er staan niet alleen maar verkeerde zaken in dit schrijven. Het hoofdstuk over de komst van het koninkrijk stelt heel duidelijk dat de komst van het Koninkrijk niet mag worden vereenzelvigd met de vernieuwing van de maatschappij, met economische reorganisatie of met betere, sociale, internationale en raciale verhoudingen (blz. 25, 26). De grote toekomst zullen niet wij bouwen, maar die zal God eenmaal brengen (blz. 27). Een goed antwoord op het "horizontalisme".