Leven en dood (1)

1971-11-05
  • Jaargang 15
  • nummer 30
De dood is 'in'

Dit artikel is bedoeld als een inleiding tot enkele artikelen over het thema "leven en dood". Verschillende onderwerpen, die met dit thema in verband staan, zullen in de volgende nummers van Opbouw van de medische, theologische, biologische en letterkundige kant benaderd worden.
Het spreekt haast vanzelf, dat er meer vragen zullen worden gesteld dan beantwoord en dat antwoorden weer vragen oproepen. Ook misschien niet helemaal doordachte en ietwat "wilde" uitspraken zullen de belangstelling, het denken over deze onderwerpen stimuleren en hopelijk het inzicht verdiepen.
Er wordt tegenwoordig veel over het sterven en over de dood geschreven en gesproken.
Bijna iedereen interesseert er zich voor.
Het gaat iedereen aan!
Men schrijft zelfs over "gesprekken met stervenden" als "lessen voor levenden". Naar ik meen heeft Tolstoi geschreven, dat je het leven van de kant van het graf moet bekijken.
M.a.w. de dood hoort bij het leven; Maar waarom juist tegenwoordig zoveel aandacht voor de dood? Dreigt er iets? Moet men zich, meer dan in andere tijden, ergens op voorbereiden? Niet in elke periode wordt zo openlijk over de dood gesproken.

Er is wel eens gezegd, dat de mens het enige levende wezen is, dat van de dood een drama maakt. Dieren doen dat niet. Zij gaan wel dood, maar dat is hem vooraf niet bekend.
Van het sterven en het dood-zijn is de mens uit ervaring niets bekend.
De ervaring dat het onontkoombaar is, is ieder mens eigen.
De dood is dus eigenlijk een paradoxaal probleem: wij weten dat hij er is en tegelijk weten wij niet wat het is. Het is dan ook geen wonder dat veel mensen met de dood verlegen zijn. Het is niet alleen het eind van je leven, het is voor de mens een vraagstuk dat buiten de hedendaagse ervaring valt en waarvan de "beantwoording" het menselijk kennen en kunnen te boven gaat. Het denken over de dood konfronteert ons voortdurend met onze eindigheid. Wij staan voor een grens. Het denken over de dood betekent, dat wij met een grensprobleem bezig zijn: Wij kunnen oneindig veel vragen stellen, de te geven antwoorden zijn beperkt en uiteindelijk onttrekt het probleem zich aan onze ervaring.
Veel mensen willen niet over de dood spreken.
De mensen hebben. het besef ervan wel in hun achterhoofd, maar men ontvlucht de konfrontatie en men praat er over heen. De dood komt natuurlijk, maar voorlopig nog niet ... Men wil er niet aan denken, dat het uur van het sterven elk moment kan aanbreken.
In verschillende samenlevingen is (of was) de dood taboe. Daar wordt niet over gesproken.
Een min of meer "dood-vrije" kultuur dus. Hoewel onvermijdelijk, wordt de dood als een levensvreemd incident gezien. Een doodstaboe hoort echter thuis in een burgerlijke levensstijl.

* De dood in een burgerlijke levensstijl

Het eind van de vorige eeuwen het begin van deze eeuw vormden een hoogtepunt van wat wij wel noemen een burgerlijke kultuur. Wat daar onder verstaan moet worden is niet altijd duidelijk. Het brengt een kompleks van levensstijlelementen tot uitdrukking: besef van orde en plicht, van tijd en geld, van uiterlijk goede zeden en fatsoen. Ook het puritijnse en het zelfgenoegzame, de voorzorg en het overleg ter vergroting van de bezittingen, vaak gepaard gaand met een tekort aan geestelijke aspiraties, horen erbij. Het was een burgerlijke levensstijl, die gefundeerd was op een geloof in het aardse leven. Men denke b.v. aan de figuur van Soames uit "De Forsyte Sage". De geestelijke vader van de Forsytes schreef in een inleiding op zijn bekende roman: ze aanbaden het bezit en het eigendom en kanoniseerden de hypocrisie.

West-Europa nam gedurende die tijd in de hele wereld een overheersende positie in. De toenemende industrialisatie en de vooruitgang op het terrein der natuurwetenschappen en der techniek, de bloeiende handel met de koloniën en het militair machtsvertoon stimuleerden het vooruitgangsgeloof. De Europese kultuur triumfeerde in de hele wereld en haar politieke hegemonie manifesteerde zich vrijwel overal.
Niet voor niets wordt deze tijd de naam "la belle époque", het mooie tijdperk, gegeven.
Voor de arbeiders is het overigens nooit een mooie tijd geweest, maar wel voor een kleine, bevoorrechte groep, die van het leven genoot en op "het volk" neerkeek.

De Europese hoogmoed kon krasse vormen aannemen, omdat het tegenwicht, de dreiging van een afnemende Europese overheersing in de wereld, ontbrak. Degenen, die twijfelden aan de het voortduren van de unieke positie van West-Europa werden tot kultuurpessimisten gerekend.
Maar de wereldoorlogen wierpen hun schaduwen vooruit ...
De unieke bloei en de overheersende positie van West-Europa werden in de schaduw gesteld door even unieke instortingsverschijnselen der wereldoorlogen. De Europese kultuur bleek in haar immense bloei een verhoogde kwetsbaarheid te vertonen.
Het behoort tot het paradoxale van de twintigste eeuw, dat de vooruitgang op het terrein van de natuurwetenschappen en van de techniek samenvallen met een vervaging van het toekomstbeeld van de westerse mens.
Maakte aan het eind van de vorige eeuw een "krisis der zekerheden" zich van nog slechts enkelen meester (vnl. enkele kunstenaars), het afnemend vertrouwen in de goed lopende vooruitgang van de westerse kultuur werd steeds meer algemeen. Een "fin-dusiecle-stemming" ontstond.
Lodewijk van Deyssel heeft dit als volgt onder woorden gebracht: "Hoort gij de klokken niet luiden, met lange bange tonen, door de nacht van het einde der eeuw?"

Reeds in de vorige eeuw protesteerden enkelen tegen de zelfgenoegzaamheid en de oppervlakkigheid van het leven. Ook de protesten tegen het doodstaboe werden talrijker.
Zou de dood niet bij het leven horen? Impliceert het nadenken over de dood niet het nadenken over het leven?
Tegenwoordig ziet men de dood als realiteit onder ogen. Men wenst er meer bewust rekening mee te houden. De oude medische ethiek drukt de dood weg onder het motto: leven behouden en verlengen, waar en wanneer het maar mogelijk is. De vraag rijst of dit altijd opgaat en of men met technischwetenschappelijk kunst en vliegwerk de mens niet onverantwoord lang kan tegenhouden te sterven.
De duitse filosoof Heidegger heeft de eenheid van leven en dood in het menselijk bestaan geaksentueerd. Hij wil tot de uiterste grenzen van het menselijk bestaan doordringen om dit bestaan zo goed mogelijk te kunnen begrijpen. Zo stuit hij op de dood.
Vanuit de dood kan het bestaan begrepen worden. Het mensenleven is voortdurend op de toekomst gericht en wordt volgens Heidegger in zijn eigenlijke betekenis pas begrepen in konfrontatie met de dood. De eindigheid van het menselijk bestaan komt daar het meest radikaal in het zicht.
Existeren betekent letterlijk: buiten jezelf treden, jezelf te boven gaan. D.w.z. dat de mens altijd gekenmerkt wordt door het "nog niet", door het op-weg-zijn-naar en door het-bestemd-zijn-voor.
Het leven van de mens is volgens Heidegger een "Sein zum Tode" en dat moet hij onder ogen durven zien. Hij mag het niet ontlopen, maar hij moet zichzelf daarin verwerkelijken.
Het is algemeen gebruikelijk om i.v.m. de dood Sartre ter sprake te brengen. Anders dan Heidegger noemt Sartre de dood een absurde zaak. Hij staat bekend als de filosoof van de absolute of naakte vrijheid. De mens is pas mens als hij absoluut vrij is. De dood staat buiten de vrijheid. In deze vrijheid is geen plaats voor de dood. De dood betekent een vernietiging van de mogelijkheden echt vrij te zijn. De dood is levensvreemd, zegt Sartre, en ontneemt aan het leven zelfs alle zin.
De dode existeert niet meer, want existeren is kiezen. De mens van Sartre kiest voor zijn mens-zijn. De dode doet dit niet meer en is een ding geworden.
Hoort bij Heidegger de dood bij het leven, bij Sartre is dit principieel niet het geval.

* Een levensfilosofie

Door de existentiefilosofie zijn verschillende facetten van het mens-zijn in een nieuw licht komen te staan. O.a. door de visies op de dood. Er is een nieuwe wetenschap ontstaan: de thanatologie = wetenschap van de dood. Sinds enkele jaren werd reeds over de gerontologie, de wetenschap van de ouderdom, gesproken.
Iedereen ontmoet wel eens mensen, die de gestelde problemen niet onder ogen durven zien. Velen willen er niet over spreken. Dit kunnen de resten van een burgerlijke levensstijl zijn. Er zijn ook mensen, die bewust of onbewust in het leven vluchten.
Deze "leven-kiezers" maken zich niet druk om de dood. Men berust in het onontkoombaar gegeven, maar voorlopig leeft men nog.
LééJ zolang de dood er nog niet is en als hij er wel is, leven wij niet meer. Het is het één of het ander. Maak je geen zorgen over dat andere, zolang je het ene nog "hebt".
Men kan deze opvatting de naam "levensfilosofie"
geven en (een beetje oppervlakkig) typeren als een filosofie met het leven als de hoogste norm.
Deze mensen hebben het visioen van een groots en heerlijk leven, dat boven zwakte, ziekte, bederf en lafheid uitgaat. Geen burgerlijkheid en gemoraliseer, geen getheoretiseer over goed en kwaad, over normen zus of zo, enz. Leef in de volstrekte zekerheid dat het leven zichzelf genoeg is. Er is geen plaats voor pessimisme. Aanvaardt het leven.
"Zeg maar ja tegen het leven".
Het leven moet met al zijn risiko's aanvaard en gewaagd worden. Het leven wordt gekenmerkt door een dynamische strijd, die geen vaststaande verhoudingen in de samenleving wil aanvaarden. Machtsverhoudingen moeten voortdurend omvergeworpen worden en steeds opnieuw vastgesteld worden.
De moraal moet verwoest worden, omdat die de mens steeds geremd heeft in zijn levensontplooiing.
De godsdienst heeft de mens ook niets geleerd. Godsdienst heeft alleen maar de aandacht van dit leven afgeleid en nederigheid (een kuddegeest, slapheid) gekweekt.
Elementen van de levensfilosofie zijn terug te vinden bij de protesterende jeugd. Niet een God in de hemel en mensen in de kerk.

Dit tafreel van rijke en fatsoenlijke mensen in de kerk, die met hun dubbele moraal en uitgestreken facie veel armoede en onrecht in de wereld hebben laten voortbestaan, hebben zij lang genoeg gezien. Zij protesteren daarom tegen de kerken en de christenen, die in zelfgenoegzame dankbaarheid onkritisch in de gevestigde orde meelopen. Zij hebben maling aan die zgn. nette mensen met hun kort geknipte haartjes, hun konfektiepakje en glad gepoetste schoenen. Hun protesten uiten zich daarom ook in lange haren, een woeste baard, sandalen en een merkwaardige plunje.
Deze jongens staan niet neutraal t.o.v. de samenleving. Zij voelen zich er bij betrokken.
Hun protest is een bewijs van hun geëngageerdheid.
Deze ambivalente positie van geëngageerdheid enerzijds en van protest anderzijds geeft hen een kwetsbare plaats in de samenleving.
Vandaar dat hun doen en laten een merkwaardige mengeling vertoont van groots élan en teleurstellende slapheid, van dodelijke ernst en riskant spel. Naar hun verwachting zal alles wat komt beter zijn dan het bestaande.
Geen kuddegeest, maar echt mens-zijn, vrij-zijn. Het leven moet niet alleen geëerbiedigd worden, maar verheerlijkt en de dood niet slechts getolereerd, maar bestreden.
Kan de levensfilosofie de dood overwinnen?
Nee, daarom leven velen er over heen.
Het leven is zichzelf genoeg.
Er is veel kritiek op uit te oefenen. Veel vragen over het waarheen en het waartoe van het leven en van de mens blijven onbeantwoord.

* Dood en samenleving

Heeft een doodsbeschouwing ook betekenis voor de samenleving?
Men kan zeggen, dat het negeren van de dood het verliezen van een kritische funktie betekent en tot een berusting in de bestaande maatschapplijke verhouding zal leiden.
Men kan het tegendeel ook beweren: een bizonder sterk geaksentueerde aandacht voor de dood kan het vergankelijke leven te sterk relativeren en de stemming kweken: hier is het niet; in het hiernamaals zal het allemaal wel goed komen.
Voor een christen geldt inderdaad, dat de wijze waarop hij de bijbel leest en de wijze waarop zijn geloven 'funktioneert', bepalend zijn voor zijn houding in de samenleving.
Er ziin echter onder de christenen aartskonservativelingen en maatschappelijke hervormers, konformisten en revolutionairen.
Maar niet alleen de kijk op de dood en het hiernamaals bepalen de houding van de mens in de samenleving. Het maatschappelijk gebeuren bepaalt ook de wijze waarop over de dood gesproken wordt en de reden waarom het in de publieke belangstelling komt te staan.
Gebeurtenissen in de recente geschiedenis, in ons leven, in de samenleving en in de wereld bepalen mede de wijze waarop wij met de dood gekonfronteerd worden en derhalve de wijze waarop wij er over nadenken en spreken. Herinnerings- of foto-beelden van twee wereldoorlogen, t.v.-beelden van Biafra, Pakistan en Vietnam, krantenberichten van verkeersongelukken en andere rampen laten een mens niet koud.

* Geloof en projektie

De mens leeft in het besef van zijn "eindigheid".
Zijn leven wordt ingeperkt door zijn geboorte en zijn dood. Aan het eerstgenoemde heeft hij geen herinnering en van het laatst genoemde geen ervaring en toch heeft hij er weet van. In het nadenken over deze zaken probeert elk mens er mee klaar te komen.
Niet-gelovigen menen bij christenen een protest tegen deze moeilijk te aanvaarden levenssituatie te zien. Volgens hen proberen christenen hun leven te rekken en projekteren zij een vervolg aan hun leven na de dood. Veel niet-gelovigen zien in het geloof in een eeuwig leven een poging om aan de dood te ontsnappen.
Kan men de dood dan verstandelijk in de vingers krijgen?
R. F. Beerling (Wijsgerig Perspectief 1969) heeft opgemerkt, dat de rationele argumenten afschampen om zo te zeggen op het ondoorgrondelijke en geheimzinnige van de dood. Hoezeer men m.b.v. wetenschappelijke resultaten de grens van de dood "iets kan opschuiven" en het "uur van het sterven"
iets kan rekken, het is onmogelijk dat de mens de doodsgrens overschrijdt en de dood overwint.
Een niet-gelovige blijft - ondanks het vele nadenken - tegen de dood aankijken.

* Een realiteit met perspectief

Hoe staat een christen in zijn tijd? Allerlei vragen dringen zich aan hem op en hij moet tot een plaatsbepaling in zijn tijd komen.
Enerzijds leeft hij in een snel veranderende wereld, ànderzijds is hij meestal afkomstig uit een sterk traditioneel denkend milieu. De "zekerheden des geloofs" kunnen zwaar op de proef gesteld worden en de vragen naar een verantwoorde plaatsbepaling worden gedreven door hoop en wanhoop, door belofte en dreiging.
Biologen stellen tegenwoordig, dat gezien de algemene milieuverontreinigingde mensen nog ongeveer 35 jaar te leven hebben. Gebrek aan zuurstof zal rampen veroorzaken.
Loopt de wereld naar haar eind?
Kunnen wij hier en daar iets ontdekken van een fin-du-siècle-stemming?
Futurologen en geheide optimisten spreken nog steeds over het jaar 2000. Zij gaan in al hun prognoses uit van wat zij nu weten en van de vooronderstelling dat "de natuur", de kosmos, wel "mee zal werken".
De apokalyptische beelden van Johannes laten echter zien, dat de natuur in een soort "razernij" van natuurrampen e.a. zal uitbarsten.
Een christ-gelovige zal zich in vertwijfeling wel eens afvragen of hij allerlei tijdsverschijnselen wel goed verstaat als "tekenen der tijden".
Het leven lijkt soms zonder uitzicht, triest en absurd. M.b.v. de wetenschappen wil de mens proberen zo veel mogelijk inzicht in de werkelijkheid te krijgen. De mens wil er uit halen wat er in zit. Ondanks het in veel opzichten rijke inzicht, verschaffen de wetenschappen de mens niet het noodzakelijke uitzicht.
M.b.v. de wetenschappen vecht de mens tegen de dood, tot hij aan de grens van zijn kennen en kunnen komt, niet verder kan en schipbreuk moet lijden. Hij gaat door de knieën. Maar waar naar menselijke berekening geen uitweg meer mogelijk schijnt en alle hoop tot wanhoop en alle beloften tot dreiging geworden schijnen, wordt ons door Gods genade de verlossende hand toegestoken.
Daar wordt een wenkend perspektief ontsloten.
Wij kijken niet meer tegen de dood aan, maar er door heen.
Daarom is het leven zo de moeite waard.
Ondanks de dood.
De dood zet het leven echter onder een onvoorwaardelijke klem.
Het nadenken over de dood vraagt om het afleggen van verantwoording over het leven.
De mens kan de dood niet aan. Het hoeft ook niet.
De macht van de dood is overwonnen.
Er is iets gebeurd.
Terecht heeft Bonhoeffer gezegd, dat de mens die het gebod van God houdt niet permanent Hercules op de tweesprong is, want Godsgebod komt niet slechts in de hevigste krisismomenten van ons leven op ons toe. De mens is onderweg en hij mag geloven dat de grote beslissingen achter hem liggen in plaats van voor hem.
Zonder eeuwig durende gewetenskonflikten kan de mens hierop vertrouwen (Ethik, 301).
Mozes hield dit de mensen al voor: de zegen en de vloek stel ik u voor, het leven en de dood; kies dan het leven! En luister naar het woord van de Here God.
Dit Woord is vlees en bloed geworden, het heeft gestalte gekregen in Jezus Christus, de Weg, de Waarheid en het Leven.
Wie in Hem gelooft zal leven, ook al is hij gestorven.
Wie in Hem gelooft heeft het eeuwige leven en zal nooit sterven.

* Niet te denken, slechts te geloven

Terwijl ik dit schrijf, bekruipt me zoiets als een gevoel van aarzeling.
Als je deze dingen zegt, denk je wel eens dat je met grote woorden over jezelf heen schreeuwt.
Maar uiteindelijk: het zijn mijn woorden niet.
Het gaat inderdaad boven de menselijke beperktheid uit.
Ik ken wel een mindere, niet een betere wijze van spreken over de dood dan deze.
Het is geen grootspraak. Deze woorden dringen tot bescheidenheid en manen er toe aan om er in dit leven iets van te laten zien.
Is het overlijden dan niet een keihard feit?
Ja, als wij bij de zintuiglijk waarneembare wereld blijven staan wel. Maar er is méér.
Paulus spreekt niet voor niets over de onzichtbare wereld. Dan komt ons leven in een ander perspektief te staan.
Vanuit het onzichtbare krijgt het zichtbare pas haar werkelijke betekenis.
Wij zijn zo geneigd om bij het zichtbare te blijven staan.
Men denkt te veel, dat de wetenschappelijk gereduceerde en versmalde werkelijkheidsopvatting met de "volle, werkelijke werkelijkheid" te identificeren is.
In de wetenschap wordt terecht gewerkt m.b.v. abstraktie, maar dit impliceert haar beperktheid. Wanneer dit wetenschappelijk denken verabsoluteerd wordt en als enig juiste benaderingswijze van de werkelijkheidsverschijnselen gezien wordt, dan is de ruimtevaart echt en de hemelvaart niet, het sterven echt en de opstanding niet.
Door het er bij betrekken van de onzichtbare wereld komt het zichtbaar-op-het-eerste-gezicht in een ander perspektief te staan.
Het op het eerste gezicht dwaze, nietige, zwakzinnige en waardeloze kan in "groter verband" groot, mooi, waardevol en aantrekkelijk zijn. Hoezeer het Kruis en de Opstanding op het eerste gezicht aanstootgevend en ongeloofwaardig lijken, zij zijn voor degenen die niet blijven staan bij "op-het-eerste-gezicht", maar die de diepere betekenis er van gaan inzien, van essentiële betekenis.
Zo ook met de dood. Op het eerste gezicht kijkt de mens er tegen aan. Het wekt ergernis op. Het is afstotend.
Maar de dood markeert een overgang: van het zichtbare naar het onzichtbare, van het tijdelijke naar het eeuwige.
Tegen de achtergrond van de onzichtbare wereld kijkt men door de dood heen. Bewijs?
Ervaring?
Het is geloven. Dat is de grond van wat wij hopen en van de werkelijkheid van de onzichtbare dingen.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief