Herinneringen aan de eerste jaren Gereformeerd Gymnasium in Leeuwarden

1971-11-05
  • Jaargang 15
  • nummer 30

In oude gebouwen worden soms prachtige fresco's ontdekt, die hun spraak hadden verloren: het dankbare nageslacht, belust op gelijkmatigheid, had ze met een dikke laag verf of witkalk overgestreken. Wij plegen ons te verbazen over zoveel cultureel onbegrip.

Deze dagen vroeg mij iemand telefonisch om enige inlichtingen over de eerste jaren van het G.G. te Leeuwarden. Dan schieten ineens allerlei herinneringen naar boven, die heel je voorstellingswereld vervullen en in stralende glans zetten.

Je ziet weer voor je die eerste middag voor de grote vakantie van 1921. Ik had de eerste klasse van het Stedelijk Gymnasium met vrucht doorlopen. Het bericht van mijn vertrek viel niet in al te goede aarde. De conrector verklaarde voor de klas, dat het toch ook wel hoog tijd werd voor ons - (nu) dr Jan van der Linden en mij - om dit heidense gymnasium te verlaten. Ik weet niet, of wij hierop innerlijk wel juist reageerden.

Verlof

Maar we zaten dan met z'n allen, een grote eerste en een kleine tweede klas, in het voorlopige schoolgebouw" - een klein herenhuis - de "grote" zaal van "het militair tehuis" aan de Emmakade ZZ, waarop het bordje VERLOF, L. P. de Jong, dat ons een onbedoeld welkom had toegeroepen. Een naar schatting nog jonge man - hij was toen 49 jaar - bleek dr R. Mulder te zijn, onze toekomstige Rector. Hij stond op een tafel in de hoek, en dicteerde aan de woelige schare de lijst van de boeken, die zij diende aan te schaffen. Ik hoor het nog: "Voor Grieks in klas II Sormani en Vermeceten, Grieks Themaboek, uitgave Noordhoff, Groningen.....

Ik wil u wel zeggen, ik popelde. WIJ zouden straks die geheimzinnige, vreemde heidense cultuurwereld binnengaan onder leiding van iemand, die in de bijbel geloofde, die naar de kerk ging en daar meeluisterde.
Ik herinner mij nog dat ik overwoog, hoe zo iemand het zich toch wel moeilijk maakte vergeleken bij de leraren die ik aan het vorige gym had gehad, en die eenvoudig die wereld maar behoefden door te geven zoals ze was. Hij moest toch nog een extra studie maken over het probleem, hoe deze wereld nu eigenlijk van christelijke zijde moest worden bekeken.
U zult zeggen, wel wat naïef gedacht, en u heeft gelijk. Ik hoop, dat u er meer van ziet, Maar deze vraag heeft mij mijn leven lang geboeid en bezig gehouden. En van het begin af aan heb ik deze dr Mulder daarop aangekeken en nauwlettend beluisterd, wat ervan bleek bij zijn onderwijs en dat van zijn corps.

Mannen-broeder?

Maar laat ik nu eerst even afrekenen met de aanhef, over die fresco's. Toen ik aan de zoëven genoemde informateur enkele dingen meedeelde, interrumpeerde hij ineens met de vraag: U spreekt telkens in superlatieven net als anderen die ik vroeg.
Was de sfeer van het g.g. in die jaren dan toch niet die van "de mannen-broeders"?
De man was volkomen te goeder trouw, en toch werd ik verontwaardigd. Inderdaad. Zo heeft iemand de Christelijke strijd van zijn ouders, toen hij nog niet bij kennis was, menen te mogen typeren. Aan de hand van artikelen en foto's uit geïllustreerde bladen.
Dan zie je die ouderwets geklede en gekapte figuren, de strakke gezichten op houterige en slechte foto's en je leest de zwaar gepolitoerde toast-rhetoriek. Op het titelblad liefst dr Colijn, plechtig in de mee-marcheerde met z'n oude klasgenoten van de militaire opleidingsschool in Kampen. Misschien krijgen onze kleinkinderen straks zulks te zien van onze toogdag volgende week. "Mannen broeders" heten we dan. Maar heeft u dr Colijn zelf gekend? Zijn eerlijke Christelijke strijd voor een gave gulden wordt nu bedolven in de kliederige leespulp van onze dagen, geproduceerd door kleurloze. allemans-vrienden, die hun eentonige moralismen veilig kunnen spuien bij een schare, die slikt wat het voorgezet krijgt. In de veronderstelling dat hun ouders en, grootouders allemaal eender waren, even eenkennig en trippelgraag als zijzelf, .laten ze gnuivend hun snot druipen over principiële strijders. Want die hebben, helaas, tot schade van de maatschappij, net niet meer de jaren kunnen halen van de Aufklärung-na-de-oorlog, waarin ieder zonder studie, zeker zonder bijbel, alle problemen der wereld tot in haar verste uithoeken aan kan op een eenvoudige sleutelcode.
Met de uitdrukking "mannen broeders" smeren deze scribenten gnuivend een dikke verflaag over echte frasco's. Omdat ze belust zijn op de gelijkmatigheid. En de Antithese waarvan ieder die de Schrift eerbiedig aanvaardt, diep onder de indruk moet zijn, omdat hij dwars door ons aller hart heensnijdt, kénnen ze met.

Fundamenteel

Nu de mannen die het Geref. Gymn. oprichtten wel. Die was voor hen fundamenteel.
Niet wat deze lieden ervan maken, en waaruit ze dan hun laster brouwen: een geslepen leuze om zich af te zetten tegen andersdenkenden, om daardoor in een veilig isolement te kunnen kruipen. Dat bleek op onze school.
Zo spreek ik dus rustig in superlatieven.
Het ging over dr R. Mulder. ,,Iedere minuut is er een" was strijk en zet zijn refrein bij zijn binnenkomst, met z'n aanstekelijke lach, haast jolig, want het werk riep. Nooit heb ik op school gemerkt van zijn moeiten thuis: een groot gezin, waarin de moeder ontbrak, eindeloos getob met huishoudsters. Dan ging de bijbel open. Ik herinner mij, hoe hij Jesaja las. Eén keer Jes. 44 : 6 t.m. 20. Dan gunde hij zich de tijd. Ik vergeet het nooit weer.

We lazen eens bij Xenophon, hoe zijn 10.000 mannen en hij, in grote nood midden in het vijandige land, hun toevlucht namen tot een offer om een uiterst beroep te doen op hun goden. De redding kwam. En toen zei dr Mulder: "Zou God het geroep van de jonge raven horen, en niet het gebed-in-nood van een heiden?"

Wij noemen dat een rhetorische vraag.
Misschien is hij wel meer. Hij is mij bijgebleven tot nu toe. Kunt u hem beantwoorden?

Eens kwam hij verontwaardigd binnen Gisteravond was ik op een "neutrale" studieclub waar de stelling werd verkondigd: het Christendom is kultuur-feindlich. Begrijpen jullie, wat dat betekent, jongens? Ik heb deze man gevraagd, of hij Rembrandt kende en Händel niet rekende tot cultuur, en zijn oordeel over de matthäus-Passion."

Onderscheid

Onderscheid was er zeker. We waren nog maar enkele weken op gang, wij 2e klassers op het bovenzaaltje, door bordpapieren wand gescheiden van het rectorskamertje, onder ons in de "grote" zaal de Ie klas, of we zaten in een nationaal conflict. Een leraar had een brutaliteit van een 1e klasser niet kunnen verwerken, en had zijn hart lucht gegeven door als zijn oordeel uit te spreken, dat het geen wonder was dat Bonifatius door Friezen was vermoord. De volgende dag stond op het bord te lezen, erg bescheiden, vind ik in de Hollandse taal: Wie de Friezen scheldt, wordt bij ons niet geteld". Een vorm van inspraak, die te denken geeft.
Deze leraar had trouwens iets geprikkelds, als was het een opperbeste man. Ik hoorde hem een keer tegen dr Mulder zeggen in zijn opvallende taaltje: "Nei menheir de Riktor, die Friezen spreiken toch wel saun oakehg dialikt, doar hip u gein foarstelling fen!"
In hetzelfde vlak, zij het op wat hoger niveau, lag eigenlijk ook een zekere gespannenheid tussen de ietwat aristocratische rector en de latere conrector drs O. A. Bouma, een voortreffelijk man, met een oereerlijk karakter, die een open oog had voor de werkelijkheid van zichzelf en om hem heen. Het boterde niet altijd tussen deze twee. Zo had drs Bouma 's zaterdagsmiddags - hij was reserve-officier - eens exercitie op het Kalverdijkje.
Op de maandag daaraanvolgend komt de rector de klas binnen: "Zaterdagmiddag zag ik de conrector van het gereformeerd gymnasium ... op een páárd! Zijn geërgerdheid over zo diepe val werkte averechts: wij ploften van de lach.
En daar deed hij tenslotte toch ook weer aan mee.
Het rapporten-boek lag op de tafel in het rectorskamertje, dat gemakshalve eerst met werd afgesloten. Ik woonde in de buurt, en liep, toen er lerarenvergadering was geweest, ijselijk benieuwd, maar met een bevend hart 's avonds eens de trap op naar boven, onder het motto een boek te hebben laten liggen in het "leslokaal", en gluurde steels in het cijferboek. Een volgende keer lukte dat opnieuw. Ik werd wat onvoorzichtiger.
Totdat bij een nieuwe poging de heer De Jong mij met wetende ogen volgde, en bevond dat ik geen boek had laten liggen.
Sindsdien ging de deur op slot. Ik moet eindigen, de redactie stelde een limiet.

Notities

In telegramstijl nog enkele dingen.

* Dhr. Romkes gaf ons lessen over "De Russische boek", voorgedragen met drastische illustratie, waarbij de rector - vanwege die dunne wand weet u nog - nu en dan even binnenkwam om het geheel wat te miltigeren.

* Dhr. Van Dijk, wiskunde: "Ik heb een onuitputtelijk geduld".

* Dhr. Slob (Duits), las prachtig voor: Wenn ihr die Tapfern von Gravelotte nennt, Denkt auch der Rotte vom Leibregiment".

* Later dr Scherpbier, voor Engels, die ons diep onder de indruk bracht van Milton: When I consider how my light is spent.
Ere half my days, in this world dark and wide ... "

* Eén facet nog. De vol-ijverige penningmeester dhr Van Raay, liep eens - ik heb dit natuurlijk veel later gehoord - voor de beslissende overgangsvergadering even tot diens diepe verontwaardiging, bij. de Rector binnen, ten bate van een notariszoon, die diep-onvoldoende stond: "Denkt u er om deze jongen brengt f 2000,- schoolgeld binnen, en hij komt niet terug als hij zakt!

* Maar op hem was van toepassing wat de voorzitter van het curatorium telken jaren uitsprak: "Felen sijn teleurgesteld, anderen moeten met gemengde gefoelens ·dit gebouw ferlaten ... "


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief